LET OP: Dit topic is meer dan drie jaar geleden geplaatst. De informatie is mogelijk verouderd.

[ archief ] Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Hier kan je jouw opmerkingen en klachten kwijt over LegioLease.
Chris G
Berichten: 911
Lid geworden op: 21 aug 2003 14:13

Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door Chris G »

LJN: AT8955, Rechtbank Utrecht, 182180/HAZA 04-1710 Printbare versie


Datum uitspraak: 06-07-2005
Datum publicatie: 11-07-2005
Rechtsgebied: Civiel overig
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Aandelenlease; toepasselijkheid Wck ? nee; misbruik van omstandigheden ? nee, dwaling ? nee t.t.k.: ja ? ontbinding overeenkomst.


Uitspraak


VONNIS
van de rechtbank Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, sector civiel, in de zaak van:



[eiser]
wonende te [woonplaats],
e i s e r ,
hierna te noemen: [eiser],
procureur: mr. J.J.W. Remme,



- t e g e n -



de naamloze vennootschap
AEGON BANK N.V.,
handelende onder de naam Spaarbeleg,
statutair gevestigd en
kantoorhoudende te Nieuwegein,
g e d a a g d e,
hierna te noemen: Spaarbeleg,
procureur: mr. B.F. Keulen.


1.
Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:
- dagvaarding met producties;
- conclusie van antwoord met producties;
- tussenvonnis d.d. 1 december 2004 waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- proces-verbaal van de op 18 januari 2005 gehouden comparitie van partijen;
- akte aanvulling conclusie van antwoord tevens overlegging van producties genomen door Spaarbeleg ter gelegenheid van de voormelde comparitie van partijen.

Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd.

2.
De feiten

2.1
Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan.

2.2
[Eiser] heeft op enig moment van Spaarbeleg een informatiepakket ontvangen, dat onder andere een inschrijfformulier voor het SprintPlan bevatte. Op 28 april 1999 heeft [eiser] aan Spaarbeleg het ingevulde inschrijfformulier verstuurd. Spaarbeleg heeft hem vervolgens op 3 mei 1999 een welkomstpakket verstrekt achtereenvolgens bestaande uit een namens Spaarbeleg ondertekend certificaat (hierna: “het certificaat”), een exemplaar van de door Spaarbeleg gehanteerde Algemene Voorwaarden (hierna: “de Algemene Voorwaarden), de Specifieke Bepalingen van het Spaarbeleg GarantieFonds en een brochure over het SprintPlan (hierna: “de Brochure”).
Aldus is tussen partijen een overeenkomst (hierna: “de overeenkomst”) totstandgekomen, die is geëindigd op 31 mei 2004 door het verstrijken van de overeengekomen duur.

2.3
De tekst van de Algemene Voorwaarden luidt voor zover relevant als volgt:

“5.1 Op de aanvangsdatum van een Spaarbeleg SprintPlan-contract worden voor rekening en risico van de Cliënt een aantal (…) Participaties van de desbetreffende serie aangekocht. De Aankoopsom wordt gefinancierd door Spaarbeleg, die ervoor zorgt dat de Aankoopsom tijdig aan het Spaarbeleg GarantieFonds wordt betaald. De desbetreffende (…) Participaties worden op naam van Stichting SpaarbelegGiro gesteld, die deze voor rekening en risico van de Cliënt gaat houden. Vanaf het moment waarop deze transactie is verricht, is de Cliënt Deelnemer in de desbetreffende Portefeuille.
5.2 Het door de Deelnemer op zijn inschrijfformulier vermelde maandbedrag is rente over de Aankoopsom van de voor hem aangekochte (…) Participaties. (...)
7.1 Bij afloop van het Spaarbeleg SprintPlan-contract van een Deelnemer op een einddatum van de desbetreffende Portefeuille, maken AEGON Bank en Stichting AEGON BeleggingsGiro voor die Deelnemer een eindafrekening op, die binnen twee weken na de einddatum aan de Deelnemer wordt toegezonden. Op de eindafrekening wordt vermeld:
(a) het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de (…) Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro alsdan voor Deelnemer houdt, (b) de voor het desbetreffende Spaarbeleg SprintPlan-contract geldende (restant-) Aankoopsom en (c) al hetgeen de Deelnemer alsdan verder nog uit hoofde van zijn Spaarbeleg SprintPlan-contract aan AEGON Bank verschuldigd mocht zijn. Het saldo van de eindafrekening is het bedrag van de onder (a) bedoelde post, verminderd met het gezamenlijke bedrag van de onder (b) en (c) bedoelde posten. (...)
7.3 Indien het in artikel 7.1 bedoelde saldo van de eindafrekening negatief mocht zijn, is de Deelnemer verplicht tot bijbetaling van dit saldo aan AEGON Bank. (...)
8.4 In geval van vervroegde opzegging of beëindiging vindt vervroegde eindafrekening plaats. Het bepaalde (...) in artikel 7, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat (i) de in artikel 7.1 onder (a) bedoelde post van de eindafrekening wordt vervangen door een bedrag dat gelijk is aan de Dagwaarde van de (…) Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro alsdan voor de Deelnemer houdt; (...)
9.3 Alle voor- en nadelen verbonden aan Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro voor een Deelnemer houdt, zijn voor rekening en risico van de desbetreffende Deelnemer."

De tekst van het certificaat luidt als volgt:

“ (...)
Maandbedrag : f 200,00
Belegd bedrag : f 30.000,00
Belegd in : Spaarbeleg GarantieFonds juni 99/04
Rente : 8,00% (...)
Garantiewaarde : f 27.000,00
(...)”

2.4
[Eiser] heeft op basis van de overeenkomst gedurende vijf jaar NLG 200,00 per maand (totaal € 5.445,36) betaald aan Spaarbeleg

3.
De vordering en het verweer

3.1
[Eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
A de overeenkomst vernietigt dan wel ontbindt en
B Spaarbeleg veroordeelt tot betaling van de door [eiser] ingelegde bedragen tot een totaal van € 5.445,36, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van inleg tot aan de dag der algehele voldoening en
C Spaarbeleg veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten ad € 788,40 en de proceskosten.

3.2
[Eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd:

a Spaarbeleg heeft bij de totstandkoming van de overeenkomst misbruik gemaakt van de onervarenheid van [eiser] als belegger;
b Spaarbeleg heeft onrechtmatig gehandeld;
c Spaarbeleg heeft gebruik gemaakt van misleidende reclame;
d [Eiser] heeft gedwaald bij de totstandkoming van de overeenkomst in die zin dat hij veronderstelde een spaarsysteem met een aantrekkelijk rendement te hebben afgesloten en niet wist dat hij een lening afsloot (waarbij de inleg louter werd aangewend voor de betaling van rente op deze lening);
e Spaarbeleg is toerekenbaar tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de overeenkomst;
f er is sprake van strijd met de Wet op het Consumentenkrediet (Wck), meer in het bijzonder het bepaalde in de artikel 9 en 28 Wck.

Als rode draad loopt door de stellingen van [eiser] het verwijt dat Spaarbeleg niet heeft onderzocht of het SprintPlan paste bij de doelstellingen van [eiser] en [eiser] evenmin afdoende heeft gewezen op de risico’s van het SprintPlan en heeft geverifieerd of [eiser] deze risico’s begreep en wenste te aanvaarden.

3.3
Spaarbeleg heeft zich gemotiveerd tegen de vordering van [eiser] verweerd. De stellingen van partijen zullen hierna, voor zover relevant, bij de beoordeling van de vordering aan de orde komen.


4.
De beoordeling

De inhoud van de brochure

4.1
Partijen verschillen van mening over de inhoud van de brochure die Spaarbeleg indertijd aan [eiser] heeft toegezonden en die onderdeel uitmaakt van de overeenkomst. Spaarbeleg heeft aangevoerd dat dit de brochure is geweest die zij bij conclusie van antwoord heeft overgelegd en dat de brochure die door [eiser] bij dagvaarding is overgelegd, pas in november 1999 is uitgegeven, derhalve ruim na het totstandkomen van de overeenkomst.

4.2
Voor de beoordeling kan in het midden blijven welke van de door partijen overgelegde brochures onderdeel uitmaakt van de overeenkomst, nu de inhoud van beide brochures, zoals Spaarbeleg ook heeft aangegeven – en voor zover, zoals hierna zal worden overwogen, relevant –, in grote mate overeen komt.

Strijd met de Wck

4.3
De meest verstrekkende stelling van [eiser] is dat de overeenkomst nietig, danwel vernietigbaar is wegens strijd met de Wck. De rechtbank zal dan ook deze stelling allereerst bespreken.

4.4
Naar het oordeel van de rechtbank is de Wck niet op de overeenkomst van toepassing en treft de stelling van [eiser] derhalve geen doel.
De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

4.5
De rechtbank Arnhem, sector kanton, heeft in haar uitspraak d.d. 14 juli 2004, JOR 2004, 240, naar welke uitspraak [eiser] heeft verwezen, onderzocht of het product Winstverdriedubbelaar van Dexia valt onder de definitie van artikel 1 Wck, alsmede of dit product te beschouwen is als een vorm van effectenbelening, die op grond van artikel 4 lid 1 aanhef en onder h Wck van de werking van de Wck is uitgezonderd. De rechtbank heeft in dat verband onder andere het volgende overwogen:

De Wck dient mede ter omzetting van de Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lidstaten inzake het consumentenkrediet, Pb EG 1987 L 42/48, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 90/88/EEG van 22 februari 1990, Pb EG 1990 L 61/14 en 98/7/EEG van 16 februari 1998, Pb EG 1998 L 101/17 – hierna: de Richtlijn. In artikel 1 lid 2 aanhef en onder c Richtlijn is het begrip “kredietovereenkomst” als volgt gedefinieerd:
“een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument in de vorm van uitstel van betaling, van een lening of van een andere soortgelijke financieringsregeling, krediet verleent of toezegt.”
De communautaire wetgever heeft bewust een ruime definitie gekozen, opdat alle vormen van consumentenkrediet daaronder zouden vallen:
“De richtlijn is duidelijk bedoeld om in de definitie alle vormen van consumentenkrediet op te nemen, welke hun kwalificatie ook is” (Commissie van de Europese Gemeenschappen, Verslag over de werking van Richtlijn 87/102/EEG betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-staten inzake het consumentenkrediet, Brussel 11 mei 1995, COM(95) 117 def, nr. 112, p. 45).
(…)
Uit al het voorgaande leidt de rechtbank voorlopig het volgende af. Ten tijde van de totstandkoming van de Wck en de Richtlijn bestond het fenomeen effectenlease (beleggen met geleend geld) nog niet. De communautaire en nationale wetgever hebben er daarom destijds bij de formulering van de begrippen “kredietovereenkomst” en “krediettransactie” geen rekening mee kunnen houden. De definitie van het begrip “kredietovereenkomst” in de Richtlijn is zodanig ruim dat daaronder een effectenlease-overeenkomst als de Winstverdriedubbelaar valt. De definitie van het begrip “krediettransactie” in de Wck is door haar uitwerkingen in geldkredieten en goederenkredieten, vooral in het licht van de daarop gegeven toelichting, beperkter. Als een geldkrediet een krediettransactie is, waarin aan de consument daadwerkelijk geld ter beschikking wordt gesteld en een goederenkrediet een krediettransactie waarin aan de consument op krediet het genot van een roerende zaak wordt verschaft, valt beleggen met geleend geld daarbuiten. De consument krijgt immers noch daadwerkelijk geld ter beschikking noch het genot van een roerende zaak. Naar het voorlopige oordeel van de rechtbank is het begrip “geldkrediet” in artikel 1 aanhef en onder a, 1° Wck echter zodanig ruim geformuleerd dat daaronder naar de letter ook een krediet valt, dat ter beschikking wordt gesteld om daarmee te beleggen in aandelen. In het kader van een richtlijnconforme uitleg van dit artikelonderdeel mag geen doorslaggevende betekenis worden gegeven aan de toelichting op de definitie van het begrip “geldkrediet”, vooral niet omdat men destijds onbekend was met het fenomeen effectenlease. Dit betekent naar het voorlopige oordeel van de rechtbank dat de Winstverdriedubbelaar een geldkrediet in de zin van artikel 1 aanhef en onder a, 1° en d Wck is en dat de bepalingen van de Wck en de daarop gebaseerde besluiten op de Winstverdriedubbelaar van toepassing zijn.

4.6
De rechtbank deelt de hiervoor onder r.o. 4.5 weergegeven visie van de rechtbank te Arnhem en is van oordeel dat de overeenkomst is te beschouwen als een krediettransactie in de zin van artikel 1 aanhef en onder a, 1º Wck.

4.7
Anders dan de rechtbank te Arnhem is de rechtbank evenwel van oordeel dat een overeenkomst als de onderhavige een vorm van effectenbelening is die op grond van artikel 4 lid 1 aanhef en onder h Wck van de werking van de Wck is uitgezonderd.
De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat, gelijk volgt uit de hiervoor geciteerde overwegingen van de rechtbank te Arnhem, ten tijde van de totstandkoming van de Wck en de Richtlijn het fenomeen effectenlease (beleggen met geleend geld) nog niet bestond. De communautaire en nationale wetgever hebben daarom destijds bij de formulering van de begrippen “kredietovereenkomst” en “krediettransactie”, noch bij het formuleren van de overige bepalingen met dit fenomeen rekening kunnen houden.

Indertijd was het evenwel uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever de Wck niet van toepassing te doen zijn op krediettransacties (artikel 4 lid 1 aanhef en onder h Wck):

die bestaan uit belening van ter beurze genoteerde effecten dan wel van niet ter beurze genoteerde effecten, voor zover de waarde daarvan door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is, mits de kredietsom de waarde van de betrokken effecten op het tijdstip van het aangaan van de transactie niet te boven gaat.

Toen de wetgever kennis kreeg van (de gevolgen van) overeenkomsten als de onderhavige zijn kamervragen gesteld aan de verantwoordelijke Minister (van Financiën). De Minister heeft deze kamervragen op 6 juli 1998 als volgt beantwoord:

(…)
Zoals reeds bij de vraag is aangegeven vallen beleningen van effecten niet onder de Wet op het consumentenkrediet (WCK) indien: ‘die bestaan uit belenig van ter beurze genoteerde effecten dan wel niet ter beurze genoteerde effecten, voor zover de waarde daarvan door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is, mits de kredietsom de waarde van de betrokken effecten op het tijdstip van het aangaan van de transactie niet te boven gaat’ (artikel 4, eerste lid, onder h van de WCK). Indertijd was de reden van uitsluiting dat de wetgever er van uit ging dat deze vorm van kredietverstrekking alleen werd toegepast op kredieten met bestaande portefeuilles als onderpand en in die situaties was het gebruikelijk dat financiële instellingen niet verder gingen dan het verstrekken van een krediet tot ca 70% van de waarde van de portefeuille. De huidige effectenlease-constructies bestonden toen nog niet. Daarnaast werd overwogen dat hier sprake is van transacties die meer in de vermogenssfeer liggen dan in de consumptieve sfeer (zie Kamerstuk 1986/1987, 19 785, paragraaf 4.1.2.9). Het laatstgenoemde argument is ook nu van toepassing. Ik acht dan ook geen reden aanwezig om de effectenlease onder de WCK te brengen, te meer daar de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995) van toepassing is” (Aanhangsel TK 1997–1998, nr. 1470, p. 3015–3016).
(…)
In antwoord op eerder genoemde Kamervragen is aangegeven dat thans onderzoek gaande is naar de

diverse voorschriften die in de effecten-, banken- en verzekeringssector bestaan terzake van informatieverstrekking aan de consument, reclame-uitingen daaronder begrepen. Aan de hand van die analyse zal worden bezien of harmonisatie en/of aanvullende regelgeving wenselijk is. Uitgangspunt daarbij is dat waar kenmerken van de diverse producten en diensten overeenkomsten vertonen, gelijksoortige eisen aan informatievoorziening gesteld worden.

De Minister van Financiën heeft zich voorts bij brief d.d. 8 juli 1999 (kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 1998-1999, 26 676, nr. 1) gewend tot de Voorzitter van de Tweede Kamer betreffende “Informatieverstrekking aan de consument van financiële diensten”. In deze brief is onder andere opgenomen:

Risico’s van beleggen in producten met een leencomponent zullen duidelijk moeten worden aangegeven.
Voor producten als aandelenlease gelden geen informatie-eisen ten aanzien van het leningdeel en het daarmee samenhangende risico. Voor alle beleggingsproducten met een leenaspect zal het informeren van de consument over de aan de lening verbonden risico’s verplicht worden gesteld.

Aansluitend is totstandgekomen de Wet van 20 december 2001, Stb 2001,669 tot Wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wck teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan het publiek uit te breiden. In de Memorie van toelichting behorend bij deze Wet (kamerstukken Tweede kamer vergaderjaar 2000-2001, 27 869, nr. 3) is bij de toelichting op artikel II opgenomen onder B (aanpassing van artikel 4 lid 2 van de Wck):

Het tweede lid van artikel 4 is op twee punten aangepast. In de eerste plaats zijn door de toevoeging van de verwijzing naar onderdeel h van het eerste lid ook de transacties waarbij kredietverlening gecombineerd wordt met belening van ter beurze genoteerde effecten, bijvoorbeeld aandelenlease-constructies, onder de reikwijdte van de informatieplicht gebracht. Voor de goede orde wordt overigens opgemerkt dat voor aanbieding van aandelenlease-constructies een vergunning ingevolge de Wet toezicht effectenverkeer 1995 vereist is.

Uit een en ander volgt dat naar aanleiding van kamervragen de wetgever uitdrukkelijk heeft bezien of en in hoeverre aandelenleaseproducten vielen en vallen onder de reikwijdte van de Wck en van oordeel was en is dat dit niet het geval is omdat aandelenleaseproducten vallen onder artikel 4 lid 1 aanhef en onder h Wck. Omdat de wetgever evenwel wenste dat bepaalde specifieke eisen van de Wck (neergelegd in de artikelen 26 en 69 Wck) ook zouden gelden voor aandelenleaseconstructies is lid 2 van artikel 4 van de Wck aangepast. Dit artikellid luidt thans als volgt:

In afwijking van het eerste lid geldt het bepaalde bij of krachtens de artikelen 26 en 69 mede ten aanzien van krediettransacties als bedoeld in het eerste lid, onder f en h.

Het standpunt van de wetgever komt ook uitdrukkelijk naar voren in de brief d.d. 27 augustus 2004, die de Minister van Financiën, mede namens de Minister van Justitie, aan de voorzitter van de Tweede Kamer heeft gestuurd (kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 28 965, nr. 12) ter zake de aandelenlease-problematiek:

(…)
Evenals het grootste deel van de regelgeving ten aanzien van de financiële sector, heeft de regelgeving ten aanzien van het aanbieden van aandelenleaseproducten de afgelopen jaren een zekere ontwikkeling doorgemaakt. (…) Binnenkort zullen aandelenleaseproducten ook vallen onder de werkingssfeer van de Wet financiële dienstverlening (Wfd) (…)
Hoewel met de nieuwe Wet financiële dienstverlening en de daarop volgende Wet financieel toezicht een contemporair stelsel van financiële (toezichts)wetgeving zal ontstaan, is met de verschillende huidige regelgeving de consumentenbescherming ook reeds geborgd. Wanneer afnemers menen dat zij in het kader van de aankoop of afwikkeling van hun aandelenleaseproduct op enige wijze onheus bejegend zijn, biedt de thans bestaande regelgeving (bepalingen van het Burgerlijk Wetboek ingevuld door regels die gelden bij of krachtens de Wet toezicht effectenverkeer 1995) hen immers handvatten om hun rechten geldend te maken in een juridische procedure tegen de aanbieder.
(…)
Hoewel het in de bedoeling van de wetgever heeft gelegen om aandelenlease-producten niet onder de Wet op het consumentenkrediet (Wck) te laten vallen, zijn in 2002 wel stappen ondernomen om de informatieverstrekking over aandelenleaseproducten te verbeteren. Door opname van een nieuw lid 2 in artikel 4 van de Wck werd de reikwijdte van de informatieplicht ingevolge de Wck van overeenkomstige toepassing verklaard op onder andere aandelenlease-producten.
(…)

4.8
Nu de wetgever uitdrukkelijk aandelenleaseproducten beschouwt als krediettransacties waarvoor de Wck niet geldt is richtlijnconforme interpretatie van de Wck niet aan de orde.

4.9
In dit verband overweegt de rechtbank overigens dat haar niet is gebleken dat de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever op dit punt indruist tegen de Europese Richtlijn inzake het consumentenkrediet (hierna: “de Richtlijn”). De Richtlijn bevat immers minimumbepalingen voor consumentenbescherming. De Wck biedt op diverse punten de consument meer bescherming dan op basis van de Richtlijn noodzakelijk is. Zo voorziet de Wck ook in specifieke sancties (waaronder de nietigheid of vernietigbaarheid van overeenkomsten) die niet zijn neergelegd in de Richtlijn.

De niet-toepasselijkheid van de Wck op aandelenleaseproducten betekent evenmin dat de consument de bescherming die de Richtlijn beoogt te bieden indertijd moest ontberen. De beschermingsgedachte die aan de Richtlijn ten grondslag ligt kwam immers, zo heeft ook de wetgever aangegeven, voldoende tot haar recht in de overige wetgeving, zoals de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
Steun voor deze visie is tevens te vinden in een voorstel van de Europese Commissie d.d. 11 september 2002 voor een herziene richtlijn voor het consumentenkrediet (Voorstel Richtlijn 02/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkrediet). In artikel 3 handelend over het toepassingsgebied is immers in lid 2 onder e bepaald dat de voorgestelde richtlijn niet van toepassing is op kredietovereenkomsten die worden gesloten met een investeringsmaatschappij zoals bedoeld in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (dit is de Richtlijn betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten waarop de Wet toezicht effectenverkeer 1995 is gebaseerd). Blijkens de toelichting op het voorstel is deze uitzondering opgenomen omdat het gaat om speciale kredietovereenkomsten waarvoor reeds soortgelijke bepalingen bestaan, met name betreffende informatieverstrekking en advies.

Misbruik van omstandigheden

4.11
Voor misbruik van omstandigheden is onder andere vereist dat Spaarbeleg wist of moest begrijpen dat [eiser] door de door hem gestelde onervarenheid tot het sluiten van de overeenkomst werd bewogen. Van een dergelijke kenbaarheid is de
rechtbank evenwel niet gebleken. Op basis van hetgeen ter gelegenheid van de comparitie is verklaard staat immers vast dat de overeenkomst tot stand is gekomen zonder dat er enig inhoudelijk contact tussen partijen heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft volstaan met het opvragen en inzenden van een inschrijfformulier en Spaarbeleg met het toezenden van het inschrijfformulier en het welkomstpakket. Nu niet gesteld kan worden dat alleen onervaren consumenten zullen worden bewogen tot het afsluiten van een SprintPlan op de wijze zoals in dit geval is geschied, kan niet worden geconcludeerd dat Spaarbeleg wist of moest begrijpen dat diens onervarenheid [eiser] bewoog tot het inzenden van het inschrijfformulier en dat dit haar van het sluiten van de overeenkomst had behoren te weerhouden.

Dwaling

4.11
[Eiser] heeft aan zijn op dwaling gebaseerde vordering ten grondslag gelegd dat hij de overeenkomst is aangegaan in de veronderstelling dat hij per maand een bepaald bedrag zou investeren in een spaarsysteem waarbij hij een aantrekkelijk rendement zou behalen. Het was hem, zo stelt hij, geenszins duidelijk dat hij een overeenkomst aanging waarbij zijn inleg louter werd aangewend om rentebetalingen te doen en dat hij zijn ingelegde bedragen in het geheel zou kunnen verliezen. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eiser] nog verklaard dat hij alleen maar wilde sparen, niets anders wilde en dat hij niet van aandelen houdt.

4.12
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] uit de door Spaarbeleg verstrekte informatie zelfs bij oppervlakkige lezing niet kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was. Bij oplettende bestudering van zowel de ene als de andere brochure, in combinatie met de algemene voorwaarden had [eiser] bovendien kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat hij maandelijks een bedrag aan rente zou betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening, en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van hem participaties zou kopen in het Aegon GarantieFonds.
In de Algemene Voorwaarden staat immers met zoveel woorden vermeld dat het door de deelnemer betaalde maandbedrag rente is over de aankoopsom van de voor hem gekochte (fracties van) participaties en dat de aankoopsom wordt gefinancierd door Spaarbeleg. Ook staat vermeld dat na afloop van een SprintPlan-contract een eindafrekening plaatsvindt en dat Spaarbeleg aan de deelnemer alsdan betaalt het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de alsdan voor de deelnemer gehouden (fracties van) participaties, verminderd met de voor het SprintPlan-contract geldende aankoopsom en verder verminderd met al hetgeen de deelnemer alsdan uit hoofde van het SprintPlan-contract aan Spaarbeleg verschuldigd mocht zijn (zie r.o. 2.3).

In de brochure die door Spaarbeleg is overgelegd staat daarnaast onder andere het volgende vermeld:
(…)
Met SprintPlan betaalt u gedurende 5 jaar elke maand een vast bedrag (…) Op basis van het door u gekozen maandbedrag schiet Spaarbeleg direct een groot bedrag aan u voor. Uw maandbedrag is namelijk een vergoeding (rente) voor het bedrag dat SprintPlan u voorschiet. Het voorgeschoten bedrag wordt meteen voor u belegd in het Spaarbeleg GarantieFonds. U betaalt dus maandelijks, maar vanaf dag één gaat al direct een groot bedrag voor u aan het werk. Na 5 jaar wordt de waarde van uw belegging belastingvrij aan u uitgekeerd, minus het bedrag dat Spaarbeleg aan u heeft voorgeschoten.
(…)
Stel u doet mee aan SprintPlan voor f 150,- per maand. Op basis van de huidige rente wordt direct f 22.500,- voor u belegd in het Spaarbeleg GarantieFonds. Dit bedrag gaat vanaf dag één volledig voor u renderen. Stel dat deze belegging na 5 jaar
f 37.400,- waard is geworden. Spaarbeleg ontvangt na deze periode van 5 jaar het voorgeschoten bedrag van f 22.500,-- terug en u ontvangt f 14.900,-. Belastingvrij, want koerswinst is onbelast!
(…)
Zoals u weet waren de afgelopen jaren voor beleggers in aandelen uitzonderlijk goed. De gemiddelde stijging van de Samengestelde Index over de afgelopen 15 spaarperioden van 5 jaar bedroeg 11,6% per jaar. Wees u ervan bewust dat de uitstekende resultaten van de afgelopen periode geen garantie voor de toekomst zijn. Uw rendement kan fluctueren. U loopt, in het ergste geval, risico over uw rentebetalingen en over 10% van het aan u voorgeschoten bedrag.
(…)
Met SprintPlan gaat u een contract aan voor 5 jaar. In die periode kan natuurlijk veel gebeuren. Daarom kunt u uw maandbedrag éénmalig kosteloos verlagen (tot het minimum van f 100,-). Wilt u eerder stoppen dan kan dat ook. U krijgt op dat moment de waarde van uw SprintPlan, na aftrek van het voorgeschoten bedrag en 4% boeterente, uitgekeerd. Bij eerder stoppen kan de waarde van uw SprintPlan hoger of lager zijn dan de garantiewaarde.

In de brochure die door [eiser] is overgelegd is onder andere opgenomen:
(…)
Op basis van het gekozen maandbedrag, schiet Spaarbeleg direct een groot bedrag voor.
(...)
Makkelijk en aantrekkelijk is bovendien, dat u geen kennis van beleggen hoeft te hebben. De beleggingsexperts van AEGON beheren het AEGON GarantieFonds.
(...)
Het werkt heel eenvoudig. Uw maandbedrag is een vergoeding (rente) voor het bedrag dat Spaarbeleg u voorschiet. Hoe lager die rente is, hoe groter het bedrag dat we u kunnen voorschieten. Door de lage rente van dit moment (8%) gaat er direct groot bedrag voor u aan de slag! En daar profiteert u optimaal van omdat het rendement op dit voorgeschoten bedrag voor u is. Het bedrag wordt belegd in het AEGON GarantieFonds. Na 5 jaar wordt de waarde van deze belegging uitgekeerd, minus het door Spaarbeleg voorgeschoten bedrag.
(...)
Maar misschien nog interessanter: het GarantieFonds biedt u de garantie dat het voorgeschoten bedrag na 5 jaar nooit in waarde kan dalen. U loopt dus alleen risico over uw rentebetalingen. (…)
Stel u doet mee voor f 250,- per maand. Op basis van een rente van 8% wordt direct f 37.500,- voor u belegd in het AEGON GarantieFonds. Het bedrag gaat vanaf dag één volledig voor u renderen. Als de Samengestelde Index 12% per jaar stijgt, is de waarde van de belegging na 5 jaar f 66.088,-. Na aftrek van het voorgeschoten bedrag ontvangt u dan f 28.588,-.
(...)
De waarde van uw belegging kan fluctueren. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. (...) Als de beurs onverwacht tegenvalt, loopt u risico over uw rentebetalingen. (...)
Eerder stoppen kan ook. U krijgt dan de waarde van uw SprintPlan, na aftrek van het voorgeschoten bedrag en 5% boeterente, uitgekeerd. Bij tussentijdse beëindiging komt de garantie op het voorgeschoten bedrag te vervallen."

4.13
Uit het voorgaande volgt dat voor zover [eiser] in de door hem gestelde zin gedwaald hebben terzake van de inhoud van de overeenkomst, hij deze dwaling aan zichzelf te wijten heeft, en niet aan de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie. De rechtbank wijst het beroep van [eiser] op dwaling, en de daarop gebaseerde vordering, dan ook af.

Schenden zorgplicht

4.14
Voor de beoordeling van de inhoud en omvang van de zorgplicht die Spaarbeleg jegens [eiser] in acht had dienen te nemen verwijst de rechtbank naar haar uitspraken d.d. 7 juli 2004 (onder andere gepubliceerd in JOR 2004, 247), 22 december 2004 (onder andere gepubliceerd in JOR 2005, 40) en 20 april 2005 (onder andere gepubliceerd in JOR 2005, 152), die allen betrekking hebben op het SprintPlan.

De rechtbank is van oordeel dat een volledige en juiste voorlichting bij een ingewikkelde constructie als het onderhavige SprintPlan, met zich meebrengt dat Spaarbeleg deelnemers in haar informatie had moeten wijzen op het feit dat alleen bij een waardestijging van de participaties die hoger is dan de betaalde rente, door de deelnemer winst zou worden gemaakt. Daarbij zou dan inzichtelijk moeten zijn wat de effectieve rente is die de deelnemer jaarlijks betaalt. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke mededeling ontbreekt in de door Spaarbeleg aan [eiser] verstrekte informatie.
De zorgplicht van Spaarbeleg brengt bovendien met zich dat Spaarbeleg niet enkel kon volstaan met het deugdelijk informeren van [eiser], maar dat zij daarnaast gehouden was te onderzoeken of dit product geschikt was voor [eiser] en [eiser] dienaangaande deugdelijk te adviseren, hetgeen, zo blijkt ook uit de verklaring die namens Spaarbeleg ter gelegenheid van de comparitie van partijen is afgelegd, niet is gebeurd.

4.15
Schending van de hiervoor weergegeven specifieke zorgplicht impliceert onrechtmatig handelen van Spaarbeleg jegens [eiser]. In gevallen als deze levert, zoals de rechtbank heeft overwogen in haar uitspraak d.d. 20 april 2005, schending van deze zorgplicht ook een tekortkoming op. De zorgplicht die een bank/beleggingsinstelling in gevallen als deze jegens haar cliënten heeft maakt immers onderdeel uit van de SprintPlanovereenkomsten, in die zin dat een bank/beleggingsinstelling door een aanbod te doen tot het sluiten van een SprintPlanovereenkomst en dit aanbod gestand te doen, de verplichting op zich neemt om de deelnemer volledig, juist en op een voor hem begrijpelijke wijze te informeren over de omvang van de aan het SprintPlan verbonden financiële risico’s. Door deze verplichting in dit geval niet in acht te nemen is Spaarbeleg tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht, welke tekortkoming haar kan worden toegerekend. Dientengevolge ligt, nu nakoming van de zorgplicht blijvend onmogelijk is, de gevorderde ontbinding van de overeenkomst voor toewijzing gereed. Niet gebleken is immers van feiten of omstandigheden die met zich brengen dat de vastgestelde tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

4.16
[Eiser] heeft gesteld dat de hiervoor vastgestelde toerekenbare tekortkoming tot gevolg heeft dat de door [eiser] ingelegde bedragen tot een totaal van € 5.445,36 dienen te worden gerestitueerd alsmede dat Spaarbeleg de overige door [eiser] geleden schade dient te vergoeden. Deze schade begroot [eiser] op de wettelijke rente over de ingelegde bedragen vanaf het moment van inleg.

4.17
De rechtbank begrijpt dit onderdeel van de vordering aldus dat [eiser] uit hoofde van de ongedaanmakingsverbintenis, die op Spaarbeleg rust als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst, betaling vordert van de uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen. Ook deze vordering ligt voor toewijzing gereed. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de dag waarop de ontbinding van de overeenkomst een feit is, te weten heden.
De rechtbank ziet geen aanleiding als bijkomende schadevergoeding de wettelijke rente toe te wijzen vanaf het moment van inleg. [eiser] heeft immers het causaal verband tussen de door hem gestelde schade en de toerekenbare tekortkoming van Spaarbeleg niet onderbouwd.

Buitengerechtelijke kosten en proceskosten

4.18
[Eiser] heeft vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd tot een bedrag van € 788,40. Ter onderbouwing van deze kosten verwijst [eiser] slechts naar besprekingen met zijn advocaat en het voeren van correspondentie en telefoongesprekken door zijn advocaat. Bij dagvaarding heeft [eiser] daarnaast één brief van zijn advocaat, alsmede de reactie daarop van Spaarbeleg overgelegd. Uit een en ander blijkt niet dat [eiser] kosten heeft gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten, waarvan [eiser] betaling vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.19
Spaarbeleg zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Conclusie

4.20
De rechtbank zal de overeenkomst ontbinden en Spaarbeleg veroordelen om aan [eiser] het gevorderde bedrag ad
€ 5.445,36 te betalen uit hoofde van haar verplichting tot ongedaanmaking van de door haar van [eiser] ontvangen prestatie. Hetgeen [eiser] overigens aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd en het daartegen door Spaarbeleg gevoerde verweer behoeft derhalve geen nadere bespreking.

5.
De beslissing

De rechtbank:

5.1
ontbindt de overeenkomst [eiser] en Spaarbeleg;

5.2
veroordeelt Spaarbeleg om te betalen aan [eiser] een bedrag van € 5.445,36, te vermeerderen de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag van voldoening;

5.3
veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op deze uitspraak begroot op € 371,78 aan verschotten en op € 768,00 aan salaris;

5.4
verklaart dit vonnis voor wat betreft 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad;

5.5
wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mrs. D.C.P.M. Straver, L.M.G. de Weerd en Ch.E. Bethlem en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 6 juli 2005.

http://zoeken.rechtspraak.nl/zoeken/dtl ... ljn=AT8955

Chris G
Stichting Platform Aandelen Lease

impact
Berichten: 2157
Lid geworden op: 04 jul 2004 17:04

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door impact »

Dit roept een aantal vragen bij mij op m.b.t de WCK, maar dit vonnis brengt toch het gewenste resultaat voor deze EX-gedupeerde.

Proficiat!

Elias
Berichten: 1972
Lid geworden op: 09 mar 2005 00:10

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door Elias »

Inderdaad Impact,

Proficiat voor de benadeelde (eiser) die denk ik tevreden is met zijn teruggave.

Maar inderdaad die beredenering inzake de WCK. Ik zal hem nog eens 10 keer moeten lezen voor ik het een beetje snap, maar maak me ondertussen toch een beetje zorgen. Kennelijk heeft deze rechtbank er uitgebreid op gestudeerd. En krijgt ZALM kennelijk toch zijn zin of ligt dat aan de datum van afsluiten contract ?

Ook die verwijzingen naar verbetering in de wetgeving, n.b. NA datum afsluiten contract, vind ik maar vreemd.....

Dit is zeker een uitspraak, die de juristen/advocaten onder ons maar eens goed onder de loep moeten nemen......

Groet,
Elias.

jong
Berichten: 39
Lid geworden op: 08 nov 2003 10:39

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door jong »

Nu de rechtbank stelt dat : Schending van de specifieke zorgplicht door de bank, onrechtmatig handelen jegens de klant impliceert, en alleen al daarom de overeenkomst wordt vernietigd, zullen n.m.m. alle leaseovereenkomsten op grond van deze argumentatie kunnen/moeten worden vernietigd.
IK begrijp de rol van Leaseverlies niet of wordt CH. H......s binnenkort commissaris bij een bepaalde bank?
Verder ben ik van mening dat Leaseverlies als "transparante" stichting haar jaarrekening op haar site moet publiceren (openbaar maken) zodat je kunt zien waar aan ze de inkomsten hebben besteed.

jll
Berichten: 453
Lid geworden op: 10 feb 2004 21:34
Contacteer:

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door jll »

Het kost heel wat spitwerk, maar daar komt ie dan:
4.7
Anders dan de rechtbank te Arnhem is de rechtbank evenwel van oordeel dat een overeenkomst als de onderhavige een vorm van effectenbelening is die op grond van artikel 4 lid 1 aanhef en onder h Wck van de werking van de Wck is uitgezonderd.
De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat, gelijk volgt uit de hiervoor geciteerde overwegingen van de rechtbank te Arnhem, ten tijde van de totstandkoming van de Wck en de Richtlijn het fenomeen effectenlease (beleggen met geleend geld) nog niet bestond.
Aanhef wetstekst:
Wet van 4 juli 1990, houdende regels met betrekking tot het consumentenkrediet

Piet Bloemink startte Legio-Lease begin 1989…

trudy
Berichten: 1568
Lid geworden op: 10 okt 2003 15:44

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door trudy »

Dan moest die wet ook van toepassing zijn op aandelenlease........

Of zie ik iets niet goed????????

ad snoeren
Berichten: 2987
Lid geworden op: 06 jan 2004 21:38

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door ad snoeren »

Ik denk dat je dat goed ziet Trudy, er wordt(werd) dus behoorlijk wat aangerommeld door onze hoogedele heren en dames 8)

trudy
Berichten: 1568
Lid geworden op: 10 okt 2003 15:44

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door trudy »

Heb het net naar mijn advocaat doorgestuurd.

Is Piet hier ook van op de hoogte Jll?

Prima speurwerk !

Daar moeten we het van hebben. Van alle fouten die de zogenaamde "professionals" gemaakt hebben in hun tomeloze blinde drift naar geld, zoveel mogelijk contracten door de strot van de mensen te duwen en hen een oor aan te naaien puur voor eigen gewin........

Tja......als hebzucht zo heftig is, laat men steken vallen.

aert0001
Berichten: 2173
Lid geworden op: 02 jul 2003 21:00

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door aert0001 »

Goh, dit is knap spitwerk

T :) n

cornelis
Berichten: 880
Lid geworden op: 12 feb 2004 10:58

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door cornelis »

ten tijde van de totstandkoming van de Wck en de Richtlijn het fenomeen effectenlease (beleggen met geleend geld) nog niet bestond.

En als een wet niet bestaat maken de hoge heren er wel één om de schikking bindend te verklaren,wat een zooitje.

Groetjes

jll
Berichten: 453
Lid geworden op: 10 feb 2004 21:34
Contacteer:

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door jll »

Maar nu het volgende. Een lang verhaal, maar voor de volhouders onder ons uitermate interessant.
4.5
De rechtbank Arnhem, sector kanton, heeft in haar uitspraak d.d. 14 juli 2004, JOR 2004, 240, naar welke uitspraak [eiser] heeft verwezen, onderzocht of het product Winstverdriedubbelaar van Dexia valt onder de definitie van artikel 1 Wck, alsmede of dit product te beschouwen is als een vorm van effectenbelening, die op grond van artikel 4 lid 1 aanhef en onder h Wck van de werking van de Wck is
Het geciteerde vonnis dd 14 juli 2004 betreft echter een tussenvonnis. Utrecht had er wellicht wijzer aan gedaan om de aangescherpte mening van Arnhem dd 9 februari 2005 aan te halen:
Bij de Winstverdriedubbelaar gaat het om beleggen met geleend geld: Dexia verstrekt aan de consument een krediet, waarmee hij voor zijn risico belegt, (meestal) in aandelen ABN-Amro, ING en Ahold. De Winstverdriedubbelaar heeft daarom een kredietdeel. Deze overeenkomst valt onder de definitie van “kredietovereenkomst” in art. 1 lid 2 onder c Richtlijn, vooral in het licht van de wens van de communautaire wetgever om onder de definitie “alle vormen van consumentenkrediet, welke hun kwalificatie ook is” te brengen (zie r.ov. 4.13 tussenvonnis van 14 juli 2004). Aanpassing van de Richtlijn aan het nieuwe product aandelenlease was daarom niet nodig.

Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen in r.ov. 4.24 valt de Winstverdriedubbelaar naar de letter binnen de reikwijdte van de definitie van “geldkrediet”: “iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de eerste partij (de kredietgever) aan de tweede partij (de kredietnemer) een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de tweede partij aan de eerste partij een of meer betalingen doet”. Dexia stelt immers een geldsom aan de consument ter beschikking, waarmee hij aandelen “least”, wat wil zeggen dat hij met de aandelen voor zijn risico belegt op de beurs. De Winstverdriedubbelaar valt daarmee ook binnen de reikwijdte van het overkoepelende begrip “krediettransactie”. Aanpassing van de Wck aan het nieuwe product aandelenlease was daarom niet nodig.

De enige aarzeling die zou kunnen rijzen, vormt de Memorie van Toelichting bij de definitie van “geldkrediet”, omdat daaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze vorm van krediet is beperkt tot die kredietovereenkomsten, waarbij de kredietgever daadwerkelijk geld ter beschikking stelt aan de kredietnemer (zie r.ovv. 4.17 en 4.19 tussenvonnis van 14 juli 2004). Bij een Winstverdriedubbelaar gebeurt dat strikt genomen niet, omdat Dexia met het geleende geld namens de consument de aandelen koopt. Aan dit onderdeel van de Memorie van Toelichting, zo heeft de rechtbank in r.ov. 4.24 overwogen, komt geen doorslaggevende betekenis toe, omdat deze stamt uit een tijd, dat aandelenlease nog niet bestond en de wetgever er toen geen rekening mee kon houden.
Kwalificatie van de Winstverdriedubbelaar als “geldkrediet” sluit wel goed aan bij de reeds door [gedaagde] aangehaalde passage uit dezelfde Memorie van Toelichting:

“Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren” (Bijl. TK 19 785 (1986-1987) nr. 3 p. 68) (zie r.ov. 4.7 tussenvonnis van 14 juli 2004).

Het gaat om de economische werkelijkheid en ook om de strekking van de Winstverdriedubbelaar. Beide gezichtspunten leiden naar het oordeel van de rechtbank tot de slotsom dat de Winstverdriedubbelaar als geldkrediet een krediettransactie in de zin van de Wck is. Dat is onmiskenbaar ook het niet uitgesproken oordeel van de Minister van Financiën in zijn brief aan de Tweede Kamer van 6 juli 1998 en in zijn toelichting van 16 juli 2001 op de wet tot wijziging van de Wtk en Wck, waaruit de volgende passage wordt geciteerd:

“Het tweede lid van artikel 4 (van de Wck, toevoeging rechtbank) is op twee punten aangepast. In de eerste plaats zijn door de toevoeging van de verwijzing naar onderdeel h van het eerste lid ook de transacties waarbij kredietverlening gecombineerd wordt met belening van ter beurze genoteerde effecten, bijvoorbeeld aandelenlease-constructies, onder de reikwijdte van de informatieplicht gebracht. (...) (Bijl. TK 27 869 (2000-2001) nr. 3 p. 3).

In de opvatting van de Minister van Financiën is de Wck niet op aandelenlease van toepassing, omdat zij valt onder de uitzondering van art. 4 lid 1 sub h Wck. Dat impliceert dat hij aandelenlease wel beschouwt als een krediettransactie in de zin van art. 1 aanhef en onder a Wck.

De Wck dient ter omzetting van de Richtlijn. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat in zo’n geval de nationale rechter het nationale recht zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan art. 249 3e alinea EG-Verdrag te voldoen (zie laatstelijk HvJ EG 5 oktober 2004, C-397/01 Pfeiffer NJB 2005, nr. 63). Verder heeft de wetgever beoogd met de vaststelling van de Wck een regeling tot stand te brengen die volledig beantwoordt aan de bedoelingen van de Richtlijn. De bewoordingen en het doel van de Richtlijn brengen mee dat de Winstverdriedubbelaar binnen de reikwijdte van de Richtlijn valt. De bewoordingen van art. 1 aanhef en onder a Wck leiden tot dezelfde conclusie, evenals de passage in de Memorie van Toelichting, waaruit volgt dat niet zozeer de juridische constructie als wel de economische werkelijkheid prevaleert. De rechtbank kent daarom bij haar uitlegging van art. 1 aanhef en onder a Wck geen doorslaggevend gewicht aan de iets beperkter lijkende toelichting op de definitie van “geldkrediet” .

Daarmee gaat de rechtbank bij haar uitlegging niet contra legem, zoals Dexia stelt. De vergelijking met HR 25 oktober 1996, NJ 1997, 649 (Pink Floyd/Rigu Sound) gaat niet op. In dat geval oordeelde de Hoge Raad dat de grenzen van een richtlijnconforme uitlegging zijn bereikt als een bepaald begrip dient te worden uitgelegd in strijd met zijn ondubbelzinnige bewoordingen en bovendien op een wijze waarmee de in de in het geding zijnde tak van handel werkzame ondernemers gelet op de wettekst geen rekening behoefden te houden. Die situatie doet zich hier gezien het boven overwogene niet voor.

De rechtbank overweegt verder dat Dexia’s stelling dat het tussenvonnis innerlijk tegenstrijdig is, omdat de rechtbank ook van oordeel zou zijn dat de Winstverdriedubbelaar dient te worden beschouwd als een “goederenkrediet”, berust op een onjuiste lezing van het tussenvonnis.

effectenbelening

Dexia heeft het voorlopige oordeel van de rechtbank dat aandelenlease geen belening van effecten is in de zin van art. 4 lid 1 onder h Wck vooral bestreden aan de hand van een drietal citaten van de Minister van Financiën, waarin deze in de kern genomen mededeelt het niet nodig te achten aandelenlease onder de Wck te brengen. Het gaat om het citaat, weergegeven in r.ov. 4.11 van het tussenvonnis van 14 juli 2004, dat de rechtbank gemakshalve op deze plaats opnieuw opneemt:

“Zoals reeds bij de vraag is aangegeven vallen beleningen van effecten niet onder de Wet op het consumentenkrediet (WCK) indien: “die bestaan uit belenig van ter beurze genoteerde effecten dan wel niet ter beurze genoteerde effecten, voor zover de waarde daarvan door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is, mits de kredietsom de waarde van de betrokken effecten op het tijdstip van het aangaan van de transactie niet te boven gaat” (artikel 4, eerste lid, onder h van de WCK). Indertijd was de reden van uitsluiting dat de wetgever er van uit ging dat deze vorm van kredietverstrekking alleen werd toegepast op kredieten met bestaande portefeuilles als onderpand en in die situaties was het gebruikelijk dat financiële instellingen niet verder gingen dan het verstrekken van een krediet tot ca 70% van de waarde van de portefeuille. De huidige effectenlease-constructies bestonden toen nog niet. Daarnaast werd overwogen dat hier sprake is van transacties die meer in de vermogenssfeer liggen dan in de consumptieve sfeer (zie Kamerstuk 1986/1987, 19 785, paragraaf 4.1.2.9). Het laatstgenoemde argument is ook nu van toepassing. Ik acht dan ook geen reden aanwezig om de effectenlease onder de WCK te brengen, te meer daar de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995) van toepassing is” (Aanhangsel TK 1997-1998, nr. 1470, p. 3015-3016).

Verder gaat het om het navolgende, reeds in r.ov. 2.11 van dit vonnis weergegeven citaat:

“Het tweede lid van artikel 4 (van de Wck, toevoeging rechtbank) is op twee punten aangepast. In de eerste plaats zijn door de toevoeging van de verwijzing naar onderdeel h van het eerste lid ook de transacties waarbij kredietverlening gecombineerd wordt met belening van ter beurze genoteerde effecten, bijvoorbeeld aandelenlease-constructies, onder de reikwijdte van de informatieplicht gebracht. (...) (Bijl. TK 27 869 (2000-2001) nr. 3 p. 3)
Vgl. nog de opmerking van de Minister van Financiën in zijn brief aan de Tweede Kamer van 27 augustus 2004 (Zorgplicht bij financiële dienstverlening) Bijl. TK (2003-2004) nr. 12, p. 9: “Hoewel het in de bedoeling van de wetgever heeft gelegen om aandelenlease-producten niet onder de Wet op het consumentenkrediet (Wck) te laten vallen, zijn in 2002 wel stappen ondernomen om de informatieverstrekking over aandelenleaseproducten te verbeteren. Door opname van een nieuw lid 2 in artikel 4 van de Wck werd de reikwijdte van de informatieplicht ingevolge de Wck van overeenkomstige toepassing verklaard op onder andere aandelenlease-producten. Onder deze verplichting valt bijvoorbeeld het Besluit financiële bijsluiter, op grond waarvan financiële dienstverleners met ingang van 1 juli 2002 gehouden zijn om voor complexe producten een financiële bijsluiter te verstrekken”.

Ten slotte wijst Dexia op het navolgende citaat uit de “Analyse Informatieverstrekking aan de consument van financiële diensten van het Ministerie van Financiën, aangeboden aan de Tweede Kamer op 8 juli 1999”, waarin in hoofdstuk 4.2.6 het navolgende wordt opgemerkt:

“Op aandelenlease producten is de Wte 1995 weliswaar van toepassing, maar over het leenaspect bestaat geen expliciete informatieplicht aan de consument. (...) De Wte 1995 en de daarop gebaseerde regelingen zien niet op het leenaspect, terwijl transacties ter belening van effecten ook niet onder de Wck vallen zolang de omvang van het krediet de waarde van de aandelen niet overtreft.”

Dexia heeft hieraan toegevoegd dat het voorlopige oordeel van de rechtbank over art. 4 lid 1 onder h Wck meebrengt dat de rechtbank daarmee tegen de uitdrukkelijke wil van de wetgever ingaat.

De Minister van Financiën is overigens niet consequent in zijn opvatting geweest. Dit blijkt uit zijn Nota “Hervorming van het toezicht op de financiële marktsector” die hij op 26 november 2001 aan de Tweede Kamer heeft aangeboden en waarin de volgende passage voorkomt:

“Thans is de regelgeving over de FB (Financiële Bijsluiter, toevoeging rechtbank) gebaseerd op artikel 85a Wtk, artikel 11 Wte, artikele 12 Wtb, artikel 25 Wtn en artikel 26 Wck. Hierdoor zijn er drie toezichthouders verantwoordelijk voor de handhaving van vrijwel identieke regels en bestaat het risico dat gelijke gevallen niet gelijk worden behandeld. Dit risico wordt nog versterkt doordat de FB-plicht van toepassing is op complexe producten. Een complex product is een product dat veelal bestaat uit meerdere productcomponenten “die behoren tot verschillende soorten financiële diensten of financiële producten” (artikel 1, onderdeel c, van het Besluit financiële bijsluiter). In de regel worden de afzonderlijke componenten gereguleerd door verschillende toezichtwetten. Zo valt een product als aandelen-lease onder de Wck en onder de Wte. Dit betekent dat vrijwel altijd twee toezichthouders bevoegd zijn ter zake van hetzelfde product. Voor de consument is dit niet te volgen” (Bijl. TK 28 122 (2000-2001) nr. 2 p. 29, onderstreping toegevoegd, rechtbank).

De rechtbank overweegt dat de Minister van Financiën in zijn antwoord op kamervragen van 6 juli 1998 schrijft dat “indertijd de reden van uitsluiting (was) dat de wetgever ervan uitging dat deze vorm van kredietverstrekking alleen word toegepast op kredieten met bestaande portefeuilles als onderpand”. De Minister signaleert in het in r.ov. 2.18 weergegeven citaat een leemte in de informatieplicht van de aanbieder van aandelenlease: die informatieplicht zou wat het leningsdeel betreft niet zijn geregeld, omdat aandelenlease niet onder de Wck zou vallen. Daarop ziet dan weer de uitbreiding van art. 4 lid 2 Wck in de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669 (r.ov. 2.17): de informatieplichten uit de Wck gelden ook voor effectenbelening, en daarom voor aandelenleaseproducten.

De Minister van Financiën ziet dus onder ogen dat zijn ruime opvatting van effectenbelening, inhoudende dat aandelenlease daaronder valt, afwijkt en verder gaat dan de opvatting van de opsteller van de Wck, dat die ruime opvatting een leemte creëert in de Wck - geen informatieplicht van de aanbieder van aandelenlease voor het leningsdeel - waardoor een wetswijziging van de Wck nodig is.

De vraag rijst of de Minister van Financiën hierin gelukkig heeft geopereerd. In alle gevallen die de rechtbank tot nog toe heeft beoordeeld (enkele tientallen), heeft het afsluiten van de Winstverdriedubbelaar niet in “de vermogenssfeer” plaatsgevonden - waarvoor art. 4 lid 1 onder h Wck is geschreven -, maar heeft het geleid tot het nemen van beleggingsrisico’s door consumenten zonder enig vermogen die gezien hun financiële draagkracht bepaald onverantwoord waren. De reden dat de consumenten niettemin deze onverantwoord hoge beleggingsrisico’s hebben genomen, ligt naar de stelling van de consumenten daarin, dat de consumenten zich onvoldoende voorgelicht achtten over het feit dat zij belegden met geleend geld, over het leningsdeel van de Winstverdriedubbelaar dus.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van de stellingen van Dexia over art. 4 lid 1 onder h Wck als volgt. De tekst van het artikelonderdeel dwingt niet de slotsom dat aandelenlease onder de uitzondering valt. De toelichting uit 1986 bij dit artikelonderdeel, die erop neerkomt dat de uitzondering ziet op het verstrekken van krediet tegen verpanding van een bestaande aandelenportefeuille, dwingt evenmin tot die slotsom. De Richtlijn kent geen uitzondering voor belening van effecten. Een richtlijnconforme uitlegging brengt daarom mee dat dit artikelonderdeel restrictief dient te worden uitgelegd. Een restrictieve uitlegging houdt in dat aandelenlease niet onder de uitzondering van effectenbelening valt.

De enige reden om aandelenlease wel onder de uitzondering van effectenbelening te brengen, vormen de mededelingen van de Minister van Financiën, eerst in een antwoord op vragen van de Tweede Kamer in 1998, vervolgens in een rapport aan de Tweede Kamer in 1999 en ten slotte in een toelichting op een wijziging van de Wck in 2001, met een herhaling daarvan in 2004. Deze mededelingen leggen gewicht in de schaal, omdat zij naar de stelling van Dexia hebben meegebracht dat bij de aanbieders van aandelenleaseproducten het vertrouwen is gewekt dat zij voor deze producten geen Wck-vergunning behoefden en dat de aandelenleaseproducten niet waren onderworpen aan de bepalingen van de Wck. Zij leggen ook daarom gewicht in de schaal, omdat aandelenleaseproducten op zeer grote schaal zijn verkocht. Het oordeel dat de Wck in weerwil van de mededelingen van de Minister van Financiën van toepassing is, heeft daarom verstrekkende gevolgen.

In dit geval zijn de mededelingen gedaan door de Minister van Financiën. Deze Minister was tot 1 mei 2001 niet de vergunningverlenende instantie krachtens de Wck (Besluit van 11 mei 2001, houdende de overdracht van de zorg voor het consumentkrediet, Stb. 2001, 232). Dat was tot dat moment de Minister van Economische Zaken. De mededelingen uit 1998 en 1999 zijn gedaan buiten het wetgevingsproces om, in een brief met antwoorden op kamervragen en in een rapport aan de Tweede Kamer. De mededeling uit 2001 is wel gedaan in het kader van het wetgevingsproces, te weten in de Memorie van Toelichting van 16 juli 2001. Zij is in het parlement niet tegengesproken. De wet is in de tweede helft van 2001 behandeld, een moment, waarop de Winstverdriedubbelaars die de rechtbank heeft te beoordelen, reeds waren gesloten. Dexia kan daarom ter onderbouwing van haar stelling dat zij voor het sluiten van een Winstverdriedubbelaar met [gedaagde] op 19 april 2000 geen Wck-vergunning nodig had, niet aanvoeren dat zij heeft vertrouwd op de mededeling uit 2001. Daarbij komt dat het om een opmerking in de toelichting gaat, waaraan bij de uitleg van art. 4 lid 1 onder h Wck weliswaar gewicht moet worden toegekend, maar die niet het enige gezichtspunt vormt.

In r.ov. 4.25 van het tussenvonnis van 14 juli 2004 heeft de rechtbank overwogen dat haar voorlopige oordeel recht doet aan de strekking van de Wck en de Richtlijn, omdat de Wck - en ook de Richtlijn - consumenten beogen te beschermen tegen onduidelijke informatie over kredieten, tegen te hoge kredietvergoedingen en dat de Winstverdriedubbelaar een complex financieel product is met een leningsbestanddeel en dat het daarom van belang is dat de informatie aan de consumenten over de leningsaspecten en de kredietvergoeding voldoen aan de eisen die de Wck daaraan stellen.

Alles afwegende oordeelt de rechtbank dat zij de Wck zo uitlegt dat aandelenlease geen effectenbelening is en dat aandelenleaseproducten moeten voldoen aan de eisen van de Wck. Het vertrouwen dat bij de aanbieders van aandelenleaseproducten is gewekt dat de Wck niet van toepassing zou zijn, weegt minder zwaar dan het belang dat is gediend met toepassing van de Wck in de gevallen, waarin de communautaire en nationale wetgever dat hebben gewild. Een andere conclusie zou immers betekenen dat consumenten niet of onvoldoende zouden worden beschermd tegen onduidelijke of onjuiste informatie over het leningsbestanddeel van de Winstverdriedubbelaar of tegen bijvoorbeeld kredietvergoedingen die op grond van de Wck niet toelaatbaar zijn. Juist omdat de Winstverdriedubbelaar op zo’n grote schaal is verkocht, zou die conclusie niet aanvaardbaar zijn.

Rechtsgevolgen van toepasselijkheid van de Wck

Dexia heeft aangegeven dat zij ten tijde van het sluiten van de Winstverdriedubbelaar niet beschikte over een Wck-vergunning. Haar is op 12 april 2003 een Wck-vergunning verleend. Daarmee staat vast dat zij art. 9 Wck heeft overtreden, toen zij op 19 april 2000 een Winstverdriedubbelaar met [gedaagde] heeft afgesloten.

Anders dan Dexia stelt, leidt overtreding van art. 9 Wck naar het oordeel van de rechtbank op grond van art. 3:40 lid 2 BW tot nietigheid van de Winstverdriedubbelaar. In art. 9 Wck is het verboden de rechtshandeling van kredietverlening te verrichten. Dat betekent dat de rechtshandeling wordt getroffen door de sanctie van art. 3:40 lid 2 BW. Die sanctie is niet vernietigbaarheid, maar nietigheid, aangezien art. 9 Wck niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. De de Wck - en daarmee ook art. 9 Wck - ziet er vooral op consumenten te beschermen tegen het aangaan van te hoge schulden tegen te hoge kredietvergoedingen en tegen kredietvormen die op onduidelijke voorwaarden worden aangeboden. In de toelichtingen op de Wck worden ook andere doelstellingen genoemd. In de Memorie van Toelichting op de Wck (Bijl. TK (1986-1987) 19 785, nr. 3, p. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: ”Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de Memorie van Antwoord op de Wck (Bijl. TK (1987-1988) 19 785, nr. 7, p. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden. Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de Wck volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van de Wet financiële dienstverlening. Zie hiervoor Bijl. TK (2003-2004) 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de Wck al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument. Juist de problemen rondom aandelenlease tonen aan dat hiermee niet alleen de particuliere belangen van de consument zijn gemoeid, maar dat het op grote schaal te lichtvaardig aangaan van financiële risico’s belangrijke repercussies heeft, zelfs niet alleen voor de financiële markten, maar ook en vooral voor de maatschappij als geheel. Dat betekent dat de in strijd met art. 9 Wck gesloten overeenkomsten van rechtswege nietig zijn.

De rechtbank verwerpt daarom al hetgeen Dexia hiertegen heeft aangevoerd. De Wck kent, anders dan Dexia stelt, geen gesloten stelsel van sanctiemogelijkheden. De omstandigheid dat Bank Labouchere bij de inwerkingtreding van de Wck als vergunninghouder krachtens de Wtk zonder nadere toets een Wck-vergunning zou hebben gekregen, baat haar niet. Bank Labouchere heeft immers de vergunning niet aangevraagd. De rechtbank verwerpt ook de stelling van Dexia dat nietigheid achterwege dient te blijven op grond van art. 6:2, 6:248 of 3:13 BW, omdat [gedaagde] de Winstverdriedubbelaar ook zou hebben gesloten als Dexia over een vergunning zou hebben beschikt. De maatschappelijke belangen die zijn gemoeid met het naleven van een vergunningplicht wegen dermate zwaar dat de consument niet in strijd met de redelijkheid of billijkheid handelt en evenmin misbruik van zijn bevoegdheid maakt, als hij zich beroept op de nietigheid van de aandelenlease.

ad snoeren
Berichten: 2987
Lid geworden op: 06 jan 2004 21:38

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door ad snoeren »

Het stuk dat jll plaatst is inderdaad haast niet te lezen. vanwege het uitspitten in juridische taal, hoe men tot de uiteindelijke conclusie komt.
Zalm,s onduidelijke rol wordt hierin wel even duidelijke belicht.
Maar als je het beperkt tot het laatste gedeelte is de strekking wel duidelijk in niet mis te verstane woorden. wordt hier toch de wck van toepassing geacht. en spreekt men over nietig
Heel belangrijk Jll
Anders dan Dexia stelt, leidt overtreding van art. 9 Wck naar het oordeel van de rechtbank op grond van art. 3:40 lid 2 BW tot nietigheid van de Winstverdriedubbelaar. In art. 9 Wck is het verboden de rechtshandeling van kredietverlening te verrichten. Dat betekent dat de rechtshandeling wordt getroffen door de sanctie van art. 3:40 lid 2 BW. Die sanctie is niet vernietigbaarheid, maar nietigheid, aangezien art. 9 Wck niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. De de Wck - en daarmee ook art. 9 Wck - ziet er vooral op consumenten te beschermen tegen het aangaan van te hoge schulden tegen te hoge kredietvergoedingen en tegen kredietvormen die op onduidelijke voorwaarden worden aangeboden. In de toelichtingen op de Wck worden ook andere doelstellingen genoemd. In de Memorie van Toelichting op de Wck (Bijl. TK (1986-1987) 19 785, nr. 3, p. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: ”Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de Memorie van Antwoord op de Wck (Bijl. TK (1987-1988) 19 785, nr. 7, p. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden. Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de Wck volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van de Wet financiële dienstverlening. Zie hiervoor Bijl. TK (2003-2004) 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de Wck al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument. Juist de problemen rondom aandelenlease tonen aan dat hiermee niet alleen de particuliere belangen van de consument zijn gemoeid, maar dat het op grote schaal te lichtvaardig aangaan van financiële risico’s belangrijke repercussies heeft, zelfs niet alleen voor de financiële markten, maar ook en vooral voor de maatschappij als geheel. Dat betekent dat de in strijd met art. 9 Wck gesloten overeenkomsten van rechtswege nietig zijn.

De rechtbank verwerpt daarom al hetgeen Dexia hiertegen heeft aangevoerd. De Wck kent, anders dan Dexia stelt, geen gesloten stelsel van sanctiemogelijkheden. De omstandigheid dat Bank Labouchere bij de inwerkingtreding van de Wck als vergunninghouder krachtens de Wtk zonder nadere toets een Wck-vergunning zou hebben gekregen, baat haar niet. Bank Labouchere heeft immers de vergunning niet aangevraagd. De rechtbank verwerpt ook de stelling van Dexia dat nietigheid achterwege dient te blijven op grond van art. 6:2, 6:248 of 3:13 BW, omdat [gedaagde] de Winstverdriedubbelaar ook zou hebben gesloten als Dexia over een vergunning zou hebben beschikt. De maatschappelijke belangen die zijn gemoeid met het naleven van een vergunningplicht wegen dermate zwaar dat de consument niet in strijd met de redelijkheid of billijkheid handelt en evenmin misbruik van zijn bevoegdheid maakt, als hij zich beroept op de nietigheid van de aandelenlease.
Laatst gewijzigd door ad snoeren op 12 jul 2005 22:58, 1 keer totaal gewijzigd.

pewi
Berichten: 679
Lid geworden op: 16 feb 2005 20:52

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door pewi »

Jll
Inderdaad een heel lang verhaal
Rechtsgevolgen van toepasselijkheid van de Wck
Dexia heeft aangegeven dat zij ten tijde van het sluiten van de Winstverdriedubbelaar niet beschikte over een Wck-vergunning. Haar is op 12 april 2003 een Wck-vergunning verleend. Daarmee staat vast dat zij art. 9 Wck heeft overtreden, toen zij op 19 april 2000 een Winstverdriedubbelaar met [gedaagde] heeft afgesloten.

Anders dan Dexia stelt, leidt overtreding van art. 9 Wck naar het oordeel van de rechtbank op grond van art. 3:40 lid 2 BW tot nietigheid van de Winstverdriedubbelaar. In art. 9 Wck is het verboden de rechtshandeling van kredietverlening te verrichten. Dat betekent dat de rechtshandeling wordt getroffen door de sanctie van art. 3:40 lid 2 BW. Die sanctie is niet vernietigbaarheid, maar nietigheid, aangezien art. 9 Wck niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. De de Wck - en daarmee ook art. 9 Wck - ziet er vooral op consumenten te beschermen tegen het aangaan van te hoge schulden tegen te hoge kredietvergoedingen en tegen kredietvormen die op onduidelijke voorwaarden worden aangeboden.
Dexia wordt hier dus beoordeeld op het feit dat ze kredieten heeft verstrekt zonder in het bezit te zijn van een vergunning hiervoor. Voor welk doel dit krediet wordt verstrekt, is voor de rechter minder interressant.
Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt.
Juist de problemen rondom aandelenlease tonen aan dat hiermee niet alleen de particuliere belangen van de consument zijn gemoeid, maar dat het op grote schaal te lichtvaardig aangaan van financiële risico’s belangrijke repercussies heeft, zelfs niet alleen voor de financiële markten, maar ook en vooral voor de maatschappij als geheel. Dat betekent dat de in strijd met art. 9 Wck gesloten overeenkomsten van rechtswege nietig zijn.
De maatschappelijke belangen die zijn gemoeid met het naleven van een vergunningplicht wegen dermate zwaar dat de consument niet in strijd met de redelijkheid of billijkheid handelt en evenmin misbruik van zijn bevoegdheid maakt, als hij zich beroept op de nietigheid van de aandelenlease.
Artikel 9 WCK
Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning krediet te verlenen, dan wel zich als kredietgever voor te doen.
Erg belangrijk voor heel veel slachtoffers
Vrgr Pewi.

shamyrah
Berichten: 395
Lid geworden op: 11 mei 2004 22:52

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door shamyrah »

Beste Jill,

[quote]
Het kost heel wat spitwerk, maar daar komt ie dan:
4.7
Anders dan de rechtbank te Arnhem is de rechtbank evenwel van oordeel dat een overeenkomst als de onderhavige een vorm van effectenbelening is die op grond van artikel 4 lid 1 aanhef en onder h Wck van de werking van de Wck is uitgezonderd.
De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat, gelijk volgt uit de hiervoor geciteerde overwegingen van de rechtbank te Arnhem, ten tijde van de totstandkoming van de Wck en de Richtlijn het fenomeen effectenlease (beleggen met geleend geld) nog niet bestond.


Aanhef wetstekst:
Wet van 4 juli 1990, houdende regels met betrekking tot het consumentenkrediet



Kun je me vertellen waar je dit art. gevonden hebt of uit welke uitspraak dit is ?

Groetjes A3

BLS
Berichten: 84
Lid geworden op: 06 jul 2005 16:58

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door BLS »

pewi ben jij Joshua ?

Ben

pewi
Berichten: 679
Lid geworden op: 16 feb 2005 20:52

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door pewi »

Soory Ad,
Je was me net voor.
Vrgr Pewi

jll
Berichten: 453
Lid geworden op: 10 feb 2004 21:34
Contacteer:

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door jll »

Shamyrah,

4.7 komt uit de uitspraak van deze topic, zie boven.

De tekst van de Wck kun je downloaden via de Autoriteit Financiele Maffia http://www.afm.nl/marktpartijen/default ... entId=2050

pewi
Berichten: 679
Lid geworden op: 16 feb 2005 20:52

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door pewi »

Geplaatst op 12 Jul 2005 23:00 door BLS
pewi ben jij Joshua ?

Ben
Nee, BLS. Pewi is Pewi, niemand anders, ook nooit geweest.
Vrgr Pewi

shamyrah
Berichten: 395
Lid geworden op: 11 mei 2004 22:52

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door shamyrah »

jill bedankt.

Groetjes A3

peewee
Berichten: 2195
Lid geworden op: 15 mar 2004 12:00

Re: Rechtbank Utrecht ontbind 'Sprintplan' (Aegon)

Ongelezen bericht door peewee »

Dit vonnis van de rechtbank Utrecht lijkt mij een soort van rechterlijke dwaling. De rechtbank vindt dat het SprintPlan onder de uitzonderingbepaling van artikel 4 onder H van de WCK valt. Dit is wel heel vreemd. Deze uitzonderingsbepaling geldt -zo blijkt expliciet uit de wet - alleen voor effectenbeleningen van BEURSGENOTEERDE effecten of van Effecten waarvan de koerswaarde openbaar is. Juist bij het SprintPlan is/was hiervan geen sprake. Het SprintPlan belegt immers in het Aegon Garantiefonds, een niet-beursgenoteerd fonds, waarvan de koerswaarde NIMMER openbaar gepubliceerd werd in prijscouranten, of op de beurspagina's in de media. Nog geheel daargelaten overigens de vraag of artikel 4 onder h niet in zijn geheel onverbindend is wegens strijd met de Europese richtlijn consumentenkrediet.

Nogmaals, een rechterlijke dwaling van de eerste orde.

Gesloten