Dexia heeft mijn klacht afgewezen en verwijst nu naar de klachtencommissie van DSI of de rechter. Over DSI heb ik een aantal vragen:
1. Is het nog steeds zo dat DSI geen klachten van Dexia-gedupeerden in behandeling neemt?
2. Is er al iemand in het gelijk gesteld door DSI?
Bedankt alvast voor de reacties.
| LET OP: Dit topic is meer dan drie jaar geleden geplaatst. De informatie is mogelijk verouderd. |
[ archief ] Ervaringen met DSI
Re: Ervaringen met DSI
Uitspraak KCD nr. 106 d.d. 21-07-2003
Uitspraak Klachtencommissie DSI nr. 106 d.d. 21 juli 2003
(prof.mr. M.R. Mok, voorzitter, prof.drs. A.D. Bac RA, R.H.G. Mijné, G.J.P.
Okkema en
mr. W.A.M. van Schendel)
INHOUD VAN DE KLACHT
De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager heeft in juni 1997 op advies van verweerder een vijftal leasecontract
Y gekocht. Klager had tot dat moment contact met adviseur X van verweerder
over de rentever-goe-dingen die hij over zijn spaargeld kreeg. X overtuigde
klager ervan dat deze bij de Y contracten kon rekenen op een ren-de-ment van
circa 12%. Op grond hiervan heeft klager zijn gehele vermogen hierin belegd.
Klager heeft in het volle vertrouwen dat hij zijn geld niet kwijt kon ra-ken
het deelnameformulier gete-kend. X heeft klager niet uitgelegd dat deze een
schuld aanging.
Klager heeft geen overeenkomst of voorwaardenformulier ontvangen. Eerst op 9
augustus 2002 ont-ving hij daarvan een kopie.
Begin 2000 heeft klager met verweerder contact opgenomen omdat hij in de
jaaropgave 1999 zag dat hij, doordat hij de leeftijd van 65 jaar had
bereikt, minder fiscaal voordeel genoot dan in de jaren daarvoor. Verweerder
heeft toen uit coulance aan klager een uitkering van € 464,50 voor dat jaar
ge-ge-ven. De overige jaren kwamen voor klagers rekening omdat hij daarna
wel op de hoogte zou zijn van de van toepassing zijnde fiscale
aftrekbaarheid.
Klager wist niet dat hij de overeenkomst tussentijds kon beëindigen. Daar is
niet over gesproken.
Bij de jaaropgave van 2001 ontdekte klager dat de waarde van de aandelen
zich nog steeds bevon-den boven de aankoopprijs. X was het met klager eens
dat de koersen niet veel verder moes-ten zak-ken. Verder ging X niet in op
de jaaropgave. X had ech-ter moeten zeggen dat het niet goed ging met de
koersen.
In juni 2002 ontving klager bericht van Z die de leasecontracten Y had
uitgege-ven. Klager las in deze brief dat hij naast zijn inleg van €
12.986,70 ook nog een bedrag van € 3.174,05 tegemoet zou kun-nen zien. Om
zekerheid te krijgen heeft hij gebeld met Z. Z heeft klager uitgelegd dat
eerst de schuld ter grootte van € 17.790 van de opbrengst afgetrokken moest
worden.
Klager was zich niet bewust van het feit dat hij met geleend geld aandelen
had gekocht.
Door de A-verzekering had klager verwacht dat hij altijd zijn geld terug zou
krijgen.
Bij de uiteindelijke afrekening ontving klager € 916,25.
Voortijdige beëindiging van de contracten heeft klager niet overwogen omdat
hij in de veronder-stel-ling verkeerde dat hij zijn inleg altijd zou
terugkrijgen.
Klager eist een vergoeding van € 9.450,05, zijnde de inleg onder verrekening
van het genoten fiscale voordeel.
INHOUD VAN HET VERWEER
Het verweer houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager heeft op 27 juni 1997 naar aanleiding van een persoonlijk gesprek met
een medewerker van verweerder een overeenkomst met Z afgesloten. Deze
overeenkomst hield in dat klager met vijf lease-contrcaten Y deelnam. Klager
heeft hiervoor € 12.986 betaald. Verweerder fungeerde als tus-sen-persoon
van Z.
De leasecontrcaten Y is een effectenleaseproduct waarbij de deelnemer een
pakket aandelen least dat volledig door Z wordt gefinancierd. De deelnemer
betaalt aan Z een deelnamebedrag dat bestaat uit rente over het
aankoopbedrag van de aandelen, premie voor de A-verzekering en pre-mie voor
B. De A-verzekering dekt de waardedaling van de aandelen af.
Op de afloopdatum, te weten 8 juli 2002, heeft Z de aandelen verkocht.
Aangezien de verkoopop-brengst van de aandelen lager was dan de aankoopsom,
heeft Z het verschil op de afloopdatum aan klager uitgekeerd door
uitoefening van de A-verzekering. Met het bedrag van de ver-koop-opbrengst
alsmede het bedrag dat door uitoefening van de A-verzekering aan kla-ger is
uitgekeerd, heeft klager de aan hem geleende aankoopsom van de aandelen
volledig zonder bijstorting kunnen terugbetalen.
Klager meent dat verweerder hem onjuist heeft geadviseerd en dat deze hem
onvoldoende infor-ma-tie heeft verstrekt bij het aangaan van de
overeenkomsten. In het bijzonder stelt klager in dit ver-band dat hij nimmer
op de hoogte is gebracht van de lening die hij is aangegaan en dat hij in de
ver-onder-stelling verkeerde dat hij zijn inleg niet kon verliezen. Tevens
stelt hij dat de voorwaarden van de leasecontracten Y en de overeenkomsten
niet aan hem ter hand zijn gesteld ten tijde van het onder-tekenen van de
over-eenkomst, maar dat deze bescheiden hem pas op 9 augustus 2002 zijn
toege-zonden. Tot slot be-grijpt verweerder dat klager hem aansprakelijk
stelt voor zijn verminderde fiscale voordeel in de jaren 2000, 2001 en 2002.
Verweerder betwist dat X zou hebben gezegd dat klager kon rekenen op een
rendement van 12%. Tijdens het gesprek zijn de verschillende
rendementsscenario`s doorgelopen en heeft X de gevol-gen voor de
einduitkering bij verschillende rendementscijfers met klager besproken. Na
alle voor- en na-de-len van de leasecontracten Y te hebben afgewogen heeft
klager, in samenspraak met X, besloten zich in te schrijven voor de
leasecontracten Y.
Verweerder betwist voorts dat klager in de veronderstelling kon verkeren dat
hij zijn inleg niet kon kwijtraken. X had uitgelegd waaruit het te betalen
bedrag is opgebouwd. Nooit heeft X klager mee-gedeeld dat deze te allen
tijde zijn inleg terug zou ontvangen. Voorts heeft X uitgelegd dat het
be-drag waarvoor Z aandelen koopt een financiering is en dat klager de
aankoopsom van de aan-delen aan Z moest terugbetalen.
Een en ander staat ook duidelijk in de bepalingen van de overeenkomst. In de
brochure over de leasecontracten Y, waarvan aan klager tijdens het gesprek
met X een exemplaar is verstrekt, staat duidelijk vermeld dat er sprake is
van rentebetalingen. Ook om deze reden moest het voor klager duidelijk zijn
geweest dat er sprake was van een lening. In de verstrekte jaaroverzichten
wordt expli-ciet melding gemaakt van “betaalde rente van schulden en kosten
geldleningen”, alsmede het totaal-bedrag van de schul-den. Klager heeft
aangegeven dat de fiscale aftrekbaarheid van de rente wel is bespro-ken met
X. Aan aftrek-bare rente ligt altijd een lening ten grondslag.
Klager heeft door het ondertekenen van het deelnameformulier bevestigd dat
hij zich bewust was van de risico`s verbonden aan beleggingen die zouden
worden verricht op grond van de overeen-komst. Het enige financiële risico
dat een deelnemer loopt is dat hij zijn inleg verliest. Het koersrisi-co
werd af-ge-dekt door de A-verzekering.
Alle bescheiden zijn klager tijdens zijn gesprek met X in 1997 ter hand
gesteld. Standaard worden bij de bevestiging van de overeenkomst door Z de
voorwaarden alsmede de bepalingen van de over-een-komst nogmaals
meegezonden. Verweerder betwist ten stelligste dat klager de bescheiden pas
op 9 augustus 2002 zou hebben ontvangen.
Verweerder betwist dat hij aansprakelijk is voor het verminderde fiscale
voordeel van klager in de jaren 2000, 2001 en 2002. Klager bestrijdt niet
dat hij in 2000 ervan op de hoogte is gesteld dat hij voor de resterende
looptijd minder fiscaal voordeel zou genieten. Hij vraagt zich wel af waarom
X hem tijdens het gesprek in 2000 niet heeft gewezen op de mogelijkheid de
overeenkomst tussentijds te be-ëin-digen. Verweerder benadrukt dat klager op
grond van artikel 6 van de voorwaarden van de leasecontracten Y de
mogelijkheid had zijn overeenkomst tussentijds te beëindigen. Verweerder
be-grijpt dat klager aangeeft dat hij destijds de overtuiging had dat zijn
inleg gegarandeerd was en dat de koersen van de aandelen nog steeds stegen.
Hieruit maakt verweerder op dat klager ook bij we-ten---schap van de
mogelijkheid om zijn over-eenkomst tussentijds te beëindigen hiervan geen
ge-bruik zou hebben gemaakt. Gezien het voor-gaan-de is het voor verweerder
onduidelijk waarom hij aan-spra-ke-lijk zou zijn voor het verminderde
fiscale voordeel in de jaren 2000, 2001 en 2002.
Verweerder betwist ten stelligste dat hij aansprakelijk is voor het verlies
van het deelnemersbedrag en het gemiste fiscale voordeel van klager.
Verweerder heeft klager voldoende en op juiste wijze geïnformeerd over de
leasecontracten Y. Dat de koersen zijn gedaald en klager hierdoor zijn
deelnamebedrag niet heeft kunnen terugverdienen is een omstandig-heid die
voor zijn rekening komt en is niet iets waarvoor verweerder aansprakelijk
ge-steld kan worden.
Gezien het voorgaande verzoekt verweerder de Commissie de klacht ongegrond
te verklaren, al-thans de klacht af te wijzen.
REACTIE OP HET VERWEER
De reactie op het verweer houdt - voor zover van belang - het volgende in.
Klager heeft alleen het deelnameformulier ontvangen. X heeft klager
onvoldoende geïnformeerd.
X vertelde dat klager kon rekenen op 12% rendement en een verdubbeling van
zijn inleg na vijf jaar. X heeft wat grafieken uit de computer laten zien
maar heeft geen verschillende scenario’s met hem besproken. X heeft klager
niet verteld dat na de afloopdatum de aankoopsom aan Z terugbetaald moest
worden. Verweerder heeft nooit schriftelijk getoond dat klager bij een inleg
van € 12.986 een schuld aanging van € 17.790. Als klager dat had geweten zou
hij de overeenkomsten niet zijn aan-ge-gaan. Als X bij aanvang van de
overeenkomsten de leeftijd van klager in ogenschouw zou heb-ben genomen dan
zou hij tot de conclusie zijn gekomen dat dit product niet geschikt was voor
klager. Klager heeft nooit de brochure over het product gezien. Klager voelt
zich door het verweer van ver-weerder gesterkt in zijn gevoel misleid te
zijn. Klager is een spaarder die al 60 jaar aan ver-weerder zijn spaargeld
heeft toevertrouwd.
BEHANDELING TER ZITTING
Klager geeft nogmaals zijn visie op het geschil. Hij blijft erbij dat hij
geen folder heeft ontvangen. Tevens legt klager een berekening over waaruit
blijkt dat hij € 43.763 had moeten ontvangen in plaats van de door hem
ontvangen € 916.
Verweerder zet uiteen hoe de constructie werkt en wat betaald moet worden
voor de verschillende onderdelen van de constructie. Alles staat duidelijk
in de folder die aan klager is gegeven en de con-structie van het product is
ook aan klager verteld. Verweerder heeft klager niet geadviseerd te
be-leggen in de leasecontracten Y. Dat kla-ger niet heeft begre-pen hoe de
leasecontracten Y werkten, is niet aan verweerder toe te rekenen.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Klager heeft in 1997 in samenspraak met verweerder vijf leasecontracten Y
gekocht. Dit deed hij na-dat verweerder hem op dit product attent had
gemaakt.
Klager verkeerde in de veronderstelling dat hij op een rendement van 12% kon
rekenen en dat zijn in--leg zou worden verdubbeld. Partijen verschillen van
mening over de vraag wat verweerder precies aan klager heeft verteld over de
leasecontracten Y en welke informatie hij schriftelijk aan klager heeft
gegeven.
Klager is sinds vele jaren een spaarder bij verweerder. Hij had met
medewerker X van verweerder meermalen contact over het renteniveau op zijn
spaarrekening. In 1997 heeft verweerder hem op de leasecontracten Y gewezen.
Naar het oordeel van de Commissie heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat
hij aan klager vol-doende informatie heeft gegeven om deze in staat te
stellen zich een oordeel te vormen over het pro-duct. Dat klager een en
ander niet goed begrepen heeft komt niet voor rekening van verweerder. Als
klager zich niet zeker had gevoeld, had hij meer gegevens en nadere uitleg
moeten vragen. Doordat hij dit heeft nagelaten komen de gevolgen daarvan
voor zijn rekening.
Verweerder was als tussenpersoon van Z op de hoogte van de risico’s die aan
de leasecontracten Y verbonden waren. Gelet op de op verweerder rustende
zorgplicht had in dit specifieke geval ver-weer-der in redelijkheid klager
niet mogen adviseren dan wel toestaan al diens spaargeld in de
lease-contracten Y te steken. Een gedeelte van 20-25 procent zou het maximum
hebben mogen zijn.
Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat verweerder aan klager dient
te vergoeden het door deze gestorte bedrag op vier van de vijf
leasecontracten Y onder verrekening van het fis-cale voordeel dat klager
hierop heeft genoten en de ontvangen coulance-uitkering, volgens
onder-staande berekening.
Totale inleg voor vijf leasecontracteb Y € 12.987
AF: uitkering einde looptijd € 916
AF: Genoten belasting voordeel € 2.156
AF: Ontvangen Coulance uitkering € 465
Totaal € 3.537
AF € 3.537
TOTAAL € 9.450 : 5 = € 1.890 per leasecontract Y
Als genoten belastingvoordeel heeft de Commissie zich geconfirmeerd aan de
opgave van klager van 24 september 2002, welke opgave niet door verweerder
is weersproken..
Op grond van het bovenstaande bepaalt de Commissie dat verweerder aan klager
dient te vergoe-den een bedrag van vier maal € 1.890 = € 7.560, te
vermeerderen met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf 27 juni 1997 tot
aan de dag van de algehele voldoening.
UITSPRAAK
De Commissie stelt het bindend advies vast dat verweerder binnen de termijn
van vier weken na verzending aan partijen van een afschrift van dit bindend
advies aan klager vergoedt een bedrag groot € 7.560 te verhogen met rente
gelijk aan de wettelijke rente vanaf 27 juni 1997 tot aan de dag van
algehele voldoening.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
uitspraken KC en Beroep op KC
Uitspraak KCD nr. 159 d.d. 30-10-2003
Uitspraak Klachtencommissie DSI nr. 159 d.d. 30 oktober 2003
(prof.mr. M.R. Mok, voorzitter, G.G.J. ***tschreuter RA en R.H.G. Mijné)
INHOUD VAN DE KLACHT
De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager heeft in juli 1997 op advies van verweerder een effectentenleasecontract X gesloten met een maandlast van ƒ 148,86. Effectenlease paste niet in klagers persoonlijke situatie, aangezien hij een per-soonlijke lening van ƒ 30.000 had afgesloten. Verweerder had er op moeten toezien dat klager over vol-doen-de middelen beschikte om aan zijn verplichtingen te voldoen; hij heeft dit nagelaten en daardoor in strijd met zijn zorgplicht gehandeld.
Klager heeft toentertijd gesproken met verweerder in verband met de persoonlijke lening. Volgens verweerder zou deze lening minder hoog zijn na afloop van vijf jaar, als klager een X-contract zou nemen. Hierbij is klager alleen op de positieve resultaten gewezen. Hij is niet gewezen op de risico’s; ook waren deze in de overeenkomst niet vermeld. Klager heeft nooit een brochure over X van ver-weerder ontvangen. Evenmin heeft verweerder ooit de mogelijkheid dat de inleg volledig verloren kon gaan of dat zelfs een schuld kon worden overgehouden genoemd. Bij een juiste en volledig in-for-matie had klager de effectenlease-overeenkomst nooit gesloten, althans niet onder dezelfde voor-waarden.
Verweerder had klager moeten waarschuwen zodra de contractswaarde negatief werd en hij had kla-ger op dat moment moeten verzoeken om zekerheden te stellen.
Op het moment van beëindigen van de overeenkomst heeft verweerder een bedrag van € 689,86 van klager geïncasseerd. Klager diende hiervoor weer een lening af te sluiten.
Klager eist door verweerder teruggebracht te worden in de situatie waarin hij verkeerde voordat de effectenlease-overeenkomst tot stand kwam. Hij vordert derhalve betaling van een bedrag ad
€ 4.675 van verweerder.
INHOUD VAN HET VERWEER
Het verweer houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager heeft in juli 1997 van verweerder informatie toegezonden gekregen onder begeleiding van een persoonlijke prognose, de brochure over het product X, de overeenkomst in tweevoud en de algemene voorwaarden van X. Klager heeft op 15 juli 1997 een effectenlease-overeenkomst met ver-weerder gesloten voor in beginsel een periode van vijftien jaar, maar hij kon deze na vijf en na tien jaar kosteloos beëindigen.
Verweerder heeft X in algemene zin bij klager aangeprezen, hij heeft klager niet persoonlijk aange-raden om dit product te kopen. Door de tussenkomst van verweerder is klager aangebracht bij een andere instel-ling voor het product X. Verweerder fungeerde daarbij als cliëntenremisier, waarop de Wet toezicht effectenverkeer 1995 niet van toepassing was. Verweerder heeft enkel klagers inte-resse voor X gewekt; na dit gesprek is verweerder niet meer betrokken geweest bij de investerings-beslissing en de totstandkoming van de overeenkomst en heeft klager op basis van de hem toege-stuurde docu-men-ta-tie zelf kunnen besluiten om de lease-overeenkomst al dan niet aan te gaan.
Klager heeft op het aanvraagformulier aangegeven in het belastingtarief van 50% te vallen; een jaar later was dit niet meer het geval. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst zat klager niet op een minimuminkomen. Klager kwam bovendien in aanmerking voor een lening van verweerder ter grootte van ƒ30.000, hetgeen zijn kredietwaardigheid bevestigde. Uit de ‘Persoonlijke Prognose’ blijkt de waardeontwikkeling bij verschillende beursscenario’s. Hierin is medegedeeld ‘de opbrengst van de aandelen is niet zeker’, en tevens is de standaardzin dat rendementen uit het verle-den geen garantie bieden voor de toekomst opgenomen. Ook de brochure maakt hiervan melding. Voorts heeft verweerder een BKR-toetsing verricht. Hij heeft klager erop gewezen dat een andere uitkomst moge-lijk was; dit dient voldoende te zijn om de belegger er op te wijzen dat er koersrisico’s zijn. Algemeen bekend is dat aan beleggen het risico is verbonden dat het ingelegde bedrag verloren zou kunnen gaan en dat aan beleggen met geleend geld aanvullende risico’s kleven. Klager heeft door onderte-ke-ning van het deelnameformulier aanvaard dat hij zich bewust is van de aan de beleggingen ver-bon-den risico’s.
Klager is tijdens de looptijd van de overeenkomst uitvoerig door X voorgelicht over de waarde van de aandelen. Tevens heeft hij jaaroverzichten ontvangen.
Op 18 december 2000 heeft X aan al zijn cliënten een brief gestuurd waarin dezen de mogelijkheid werd geboden 90% van de behaalde waarde vast te zetten en over te stappen op een ander rente-per-centage. Ook de voorwaarden van X bieden de mogelijkheid tot het vervroegd aflossen van de lening. Klager heeft geen van beide mogelijkheden gebruik gemaakt. X heeft klager tijdig de kans ge-boden een groot deel van de behaalde winst veilig te stellen. Klager kon lening vervroegd aflossen toen de aftrek van de rente na 2000 niet meer mogelijk was. Het had op de weg van klager gelegen ver-weerder in een eerder stadium aan te spreken, indien hij van mening was dat hij onjuist en onvol-ledig was voorgelicht over X.
Verweerder kan in ieder geval in zijn hoedanigheid van cliëntenremisier niet aansprakelijk worden gehouden voor de schade van klager. Klager houdt ten onrechte geen rekening met de door hem ont-vangen dividenden en zijn behaalde fiscaal voordeel. Voor zover verweerder gehouden zou zijn tot vergoeding van de schade, dient dit in aanmerking te worden genomen bij de schade-vast-stelling.
Gezien het voorgaande verzoekt verweerder de klacht af te wijzen, met veroordeling van klager in de kosten van deze procedure.
REACTIE OP HET VERWEER
Klager heeft niet uit eigen beweging informatie gevraagd over X. Verweerder heeft hem de gegevens persoonlijk overhandigd toen hij op kantoor kwam voor de ondertekening van zijn per-soon-lijke le-ning. Verweerder heeft wegens klagers persoonlijke situatie aangeraden X te kopen.
Klager betwist dat hij in het belastingtarief van 50% viel, hooguit voor een paar duizend gulden zat hij in schijf 2.
Dat klager in aanmerking kwam voor een lening had te maken met een vervroegde aflossing van een andere lening. Dit geschiedde op advies van verweerder.
Klager stond wel degelijk geregistreerd bij het BKR. Hij had immers nog een lening lopen die hij ver-vroegd afloste en op 11 juli 1997 had klager een overeenkomst van geldlening bij verweerder onder-tekend.
Klager had het volle vertrouwen in de positieve adviezen van verweerder. Als hij had geweten dat hij met schulden kon achterblijven, was hij er, gezien zijn financiële positie, nooit aan begonnen.
NADERE INFORMATIE
Op verzoek van de Commissie heeft verweerder nog enkele vragen beantwoord. Hieruit komt het volgende naar voren.
Verweerder was destijds bekend met de op 11 juli 1997 gesloten persoonlijke lening. Op 8 juli 1997 heeft klager een aanvraag ingediend voor een aandelenlease-overeenkomst met X. Op diezelfde dag heeft klager eveneens een aanvraag ingediend voor een persoonlijke lening bij verweerder voor een bedrag ad ƒ 30.000. Dit leidde niet tot de conclusie dat klager mede als gevolg van de uit deze per-soonlijke lening voortvloeiende maandelijkse aflossingsverplichting geen draagkrachtruimte meer zou bezitten om tevens een aandelenlease-overeenkomst met X te sluiten. Verweerder geeft een be-re--kening weer van de draagkrachtruimte van klager, zoals gehanteerd bij het aangaan van de lease-overeenkomst. Hieruit blijkt, na aftrek van alle vaste lasten waaronder de persoonlijke lening, als-me-de de maandlasten van X, dat voor klager een minimaal netto besteedbaar inkomen resteerde van
ƒ 595. Bovendien had klager een spaarrekening met een creditsaldo van ƒ 4.264,45.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Klager heeft in juli 1997 op advies van verweerder het product X bij een andere instelling gekocht. Dit deed hij nadat verweerder hem op het product attent had gemaakt. Klager is van mening dat ver-weerder hem dit product niet had mogen adviseren, aangezien hij de vooruitbetaling van rente met ge--leend geld financierde. Bovendien heeft verweerder hem niet goed geïnformeerd.
Verweerder, althans de rechtsvoorganger van verweerder om welke het hier gaat, is en was een effectenbemiddelaar. Hij handelde actief in effectenleasecontracten. Dat deze contracten waren ont-wikkeld en werden aangegaan door een andere (tot hetzelfde concern als verweerder behorende) vennootschap maakt verweerder niet tot remisier. Verweerder was op de hoogte van de risico’s die aan het product X verbonden wa-ren.
Gelet op de op verweerder rustende zorgplicht heeft ver-weerder in dit specifieke geval niet als een redelijk bekwaam en redelijk handelend effectendienstverlener gehandeld door klager te adviseren c.q. toe te staan met geleend geld het contract X aan te gaan, hetgeen immers inhield dat klager de rente op de aan het contract verbonden lening met anderszijds geleend geld voldeed. Klager heeft vol-doende aannemelijk gemaakt dat verweerder hem onvoldoende op de risico’s van het beleggen met geleend geld heeft gewezen.
Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat verweerder aan klager dient te vergoeden de door hem betaalde 60 leasetermijnen groot € 67,55, alsmede het negatieve resultaat volgens de eindafrekening ad € 622, tezamen zijnde € 4.675 doch verminderd met de voordelen die klager uit hoofde van de lease-overeenkomst heeft genoten. De Commissie stelt deze schadever-goe-ding met inachtneming van het belastingvoordeel over de betaalde rente en onder verrekening van de door klager ontvangen dividenden, naar redelijkheid en billijkheid vast op € 3.200.
Op grond van het bovenstaande bepaalt de Commissie dat verweerder aan klager dient te ver-goeden een bedrag van € 3.200 te vermeerderen met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf
1 januari 2000 tot aan de dag van de algehele voldoening.
UITSPRAAK
De Commissie stelt het bindend advies vast dat verweerder binnen de termijn van vier weken na verzending aan partijen van een afschrift van dit bindend advies aan klager vergoedt een bedrag groot € 3.200 te verhogen met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf 1 januari 2000 tot aan de dag van algehele voldoening.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitspraak Klachtencommissie DSI nr. 106 d.d. 21 juli 2003
(prof.mr. M.R. Mok, voorzitter, prof.drs. A.D. Bac RA, R.H.G. Mijné, G.J.P.
Okkema en
mr. W.A.M. van Schendel)
INHOUD VAN DE KLACHT
De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager heeft in juni 1997 op advies van verweerder een vijftal leasecontract
Y gekocht. Klager had tot dat moment contact met adviseur X van verweerder
over de rentever-goe-dingen die hij over zijn spaargeld kreeg. X overtuigde
klager ervan dat deze bij de Y contracten kon rekenen op een ren-de-ment van
circa 12%. Op grond hiervan heeft klager zijn gehele vermogen hierin belegd.
Klager heeft in het volle vertrouwen dat hij zijn geld niet kwijt kon ra-ken
het deelnameformulier gete-kend. X heeft klager niet uitgelegd dat deze een
schuld aanging.
Klager heeft geen overeenkomst of voorwaardenformulier ontvangen. Eerst op 9
augustus 2002 ont-ving hij daarvan een kopie.
Begin 2000 heeft klager met verweerder contact opgenomen omdat hij in de
jaaropgave 1999 zag dat hij, doordat hij de leeftijd van 65 jaar had
bereikt, minder fiscaal voordeel genoot dan in de jaren daarvoor. Verweerder
heeft toen uit coulance aan klager een uitkering van € 464,50 voor dat jaar
ge-ge-ven. De overige jaren kwamen voor klagers rekening omdat hij daarna
wel op de hoogte zou zijn van de van toepassing zijnde fiscale
aftrekbaarheid.
Klager wist niet dat hij de overeenkomst tussentijds kon beëindigen. Daar is
niet over gesproken.
Bij de jaaropgave van 2001 ontdekte klager dat de waarde van de aandelen
zich nog steeds bevon-den boven de aankoopprijs. X was het met klager eens
dat de koersen niet veel verder moes-ten zak-ken. Verder ging X niet in op
de jaaropgave. X had ech-ter moeten zeggen dat het niet goed ging met de
koersen.
In juni 2002 ontving klager bericht van Z die de leasecontracten Y had
uitgege-ven. Klager las in deze brief dat hij naast zijn inleg van €
12.986,70 ook nog een bedrag van € 3.174,05 tegemoet zou kun-nen zien. Om
zekerheid te krijgen heeft hij gebeld met Z. Z heeft klager uitgelegd dat
eerst de schuld ter grootte van € 17.790 van de opbrengst afgetrokken moest
worden.
Klager was zich niet bewust van het feit dat hij met geleend geld aandelen
had gekocht.
Door de A-verzekering had klager verwacht dat hij altijd zijn geld terug zou
krijgen.
Bij de uiteindelijke afrekening ontving klager € 916,25.
Voortijdige beëindiging van de contracten heeft klager niet overwogen omdat
hij in de veronder-stel-ling verkeerde dat hij zijn inleg altijd zou
terugkrijgen.
Klager eist een vergoeding van € 9.450,05, zijnde de inleg onder verrekening
van het genoten fiscale voordeel.
INHOUD VAN HET VERWEER
Het verweer houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager heeft op 27 juni 1997 naar aanleiding van een persoonlijk gesprek met
een medewerker van verweerder een overeenkomst met Z afgesloten. Deze
overeenkomst hield in dat klager met vijf lease-contrcaten Y deelnam. Klager
heeft hiervoor € 12.986 betaald. Verweerder fungeerde als tus-sen-persoon
van Z.
De leasecontrcaten Y is een effectenleaseproduct waarbij de deelnemer een
pakket aandelen least dat volledig door Z wordt gefinancierd. De deelnemer
betaalt aan Z een deelnamebedrag dat bestaat uit rente over het
aankoopbedrag van de aandelen, premie voor de A-verzekering en pre-mie voor
B. De A-verzekering dekt de waardedaling van de aandelen af.
Op de afloopdatum, te weten 8 juli 2002, heeft Z de aandelen verkocht.
Aangezien de verkoopop-brengst van de aandelen lager was dan de aankoopsom,
heeft Z het verschil op de afloopdatum aan klager uitgekeerd door
uitoefening van de A-verzekering. Met het bedrag van de ver-koop-opbrengst
alsmede het bedrag dat door uitoefening van de A-verzekering aan kla-ger is
uitgekeerd, heeft klager de aan hem geleende aankoopsom van de aandelen
volledig zonder bijstorting kunnen terugbetalen.
Klager meent dat verweerder hem onjuist heeft geadviseerd en dat deze hem
onvoldoende infor-ma-tie heeft verstrekt bij het aangaan van de
overeenkomsten. In het bijzonder stelt klager in dit ver-band dat hij nimmer
op de hoogte is gebracht van de lening die hij is aangegaan en dat hij in de
ver-onder-stelling verkeerde dat hij zijn inleg niet kon verliezen. Tevens
stelt hij dat de voorwaarden van de leasecontracten Y en de overeenkomsten
niet aan hem ter hand zijn gesteld ten tijde van het onder-tekenen van de
over-eenkomst, maar dat deze bescheiden hem pas op 9 augustus 2002 zijn
toege-zonden. Tot slot be-grijpt verweerder dat klager hem aansprakelijk
stelt voor zijn verminderde fiscale voordeel in de jaren 2000, 2001 en 2002.
Verweerder betwist dat X zou hebben gezegd dat klager kon rekenen op een
rendement van 12%. Tijdens het gesprek zijn de verschillende
rendementsscenario`s doorgelopen en heeft X de gevol-gen voor de
einduitkering bij verschillende rendementscijfers met klager besproken. Na
alle voor- en na-de-len van de leasecontracten Y te hebben afgewogen heeft
klager, in samenspraak met X, besloten zich in te schrijven voor de
leasecontracten Y.
Verweerder betwist voorts dat klager in de veronderstelling kon verkeren dat
hij zijn inleg niet kon kwijtraken. X had uitgelegd waaruit het te betalen
bedrag is opgebouwd. Nooit heeft X klager mee-gedeeld dat deze te allen
tijde zijn inleg terug zou ontvangen. Voorts heeft X uitgelegd dat het
be-drag waarvoor Z aandelen koopt een financiering is en dat klager de
aankoopsom van de aan-delen aan Z moest terugbetalen.
Een en ander staat ook duidelijk in de bepalingen van de overeenkomst. In de
brochure over de leasecontracten Y, waarvan aan klager tijdens het gesprek
met X een exemplaar is verstrekt, staat duidelijk vermeld dat er sprake is
van rentebetalingen. Ook om deze reden moest het voor klager duidelijk zijn
geweest dat er sprake was van een lening. In de verstrekte jaaroverzichten
wordt expli-ciet melding gemaakt van “betaalde rente van schulden en kosten
geldleningen”, alsmede het totaal-bedrag van de schul-den. Klager heeft
aangegeven dat de fiscale aftrekbaarheid van de rente wel is bespro-ken met
X. Aan aftrek-bare rente ligt altijd een lening ten grondslag.
Klager heeft door het ondertekenen van het deelnameformulier bevestigd dat
hij zich bewust was van de risico`s verbonden aan beleggingen die zouden
worden verricht op grond van de overeen-komst. Het enige financiële risico
dat een deelnemer loopt is dat hij zijn inleg verliest. Het koersrisi-co
werd af-ge-dekt door de A-verzekering.
Alle bescheiden zijn klager tijdens zijn gesprek met X in 1997 ter hand
gesteld. Standaard worden bij de bevestiging van de overeenkomst door Z de
voorwaarden alsmede de bepalingen van de over-een-komst nogmaals
meegezonden. Verweerder betwist ten stelligste dat klager de bescheiden pas
op 9 augustus 2002 zou hebben ontvangen.
Verweerder betwist dat hij aansprakelijk is voor het verminderde fiscale
voordeel van klager in de jaren 2000, 2001 en 2002. Klager bestrijdt niet
dat hij in 2000 ervan op de hoogte is gesteld dat hij voor de resterende
looptijd minder fiscaal voordeel zou genieten. Hij vraagt zich wel af waarom
X hem tijdens het gesprek in 2000 niet heeft gewezen op de mogelijkheid de
overeenkomst tussentijds te be-ëin-digen. Verweerder benadrukt dat klager op
grond van artikel 6 van de voorwaarden van de leasecontracten Y de
mogelijkheid had zijn overeenkomst tussentijds te beëindigen. Verweerder
be-grijpt dat klager aangeeft dat hij destijds de overtuiging had dat zijn
inleg gegarandeerd was en dat de koersen van de aandelen nog steeds stegen.
Hieruit maakt verweerder op dat klager ook bij we-ten---schap van de
mogelijkheid om zijn over-eenkomst tussentijds te beëindigen hiervan geen
ge-bruik zou hebben gemaakt. Gezien het voor-gaan-de is het voor verweerder
onduidelijk waarom hij aan-spra-ke-lijk zou zijn voor het verminderde
fiscale voordeel in de jaren 2000, 2001 en 2002.
Verweerder betwist ten stelligste dat hij aansprakelijk is voor het verlies
van het deelnemersbedrag en het gemiste fiscale voordeel van klager.
Verweerder heeft klager voldoende en op juiste wijze geïnformeerd over de
leasecontracten Y. Dat de koersen zijn gedaald en klager hierdoor zijn
deelnamebedrag niet heeft kunnen terugverdienen is een omstandig-heid die
voor zijn rekening komt en is niet iets waarvoor verweerder aansprakelijk
ge-steld kan worden.
Gezien het voorgaande verzoekt verweerder de Commissie de klacht ongegrond
te verklaren, al-thans de klacht af te wijzen.
REACTIE OP HET VERWEER
De reactie op het verweer houdt - voor zover van belang - het volgende in.
Klager heeft alleen het deelnameformulier ontvangen. X heeft klager
onvoldoende geïnformeerd.
X vertelde dat klager kon rekenen op 12% rendement en een verdubbeling van
zijn inleg na vijf jaar. X heeft wat grafieken uit de computer laten zien
maar heeft geen verschillende scenario’s met hem besproken. X heeft klager
niet verteld dat na de afloopdatum de aankoopsom aan Z terugbetaald moest
worden. Verweerder heeft nooit schriftelijk getoond dat klager bij een inleg
van € 12.986 een schuld aanging van € 17.790. Als klager dat had geweten zou
hij de overeenkomsten niet zijn aan-ge-gaan. Als X bij aanvang van de
overeenkomsten de leeftijd van klager in ogenschouw zou heb-ben genomen dan
zou hij tot de conclusie zijn gekomen dat dit product niet geschikt was voor
klager. Klager heeft nooit de brochure over het product gezien. Klager voelt
zich door het verweer van ver-weerder gesterkt in zijn gevoel misleid te
zijn. Klager is een spaarder die al 60 jaar aan ver-weerder zijn spaargeld
heeft toevertrouwd.
BEHANDELING TER ZITTING
Klager geeft nogmaals zijn visie op het geschil. Hij blijft erbij dat hij
geen folder heeft ontvangen. Tevens legt klager een berekening over waaruit
blijkt dat hij € 43.763 had moeten ontvangen in plaats van de door hem
ontvangen € 916.
Verweerder zet uiteen hoe de constructie werkt en wat betaald moet worden
voor de verschillende onderdelen van de constructie. Alles staat duidelijk
in de folder die aan klager is gegeven en de con-structie van het product is
ook aan klager verteld. Verweerder heeft klager niet geadviseerd te
be-leggen in de leasecontracten Y. Dat kla-ger niet heeft begre-pen hoe de
leasecontracten Y werkten, is niet aan verweerder toe te rekenen.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Klager heeft in 1997 in samenspraak met verweerder vijf leasecontracten Y
gekocht. Dit deed hij na-dat verweerder hem op dit product attent had
gemaakt.
Klager verkeerde in de veronderstelling dat hij op een rendement van 12% kon
rekenen en dat zijn in--leg zou worden verdubbeld. Partijen verschillen van
mening over de vraag wat verweerder precies aan klager heeft verteld over de
leasecontracten Y en welke informatie hij schriftelijk aan klager heeft
gegeven.
Klager is sinds vele jaren een spaarder bij verweerder. Hij had met
medewerker X van verweerder meermalen contact over het renteniveau op zijn
spaarrekening. In 1997 heeft verweerder hem op de leasecontracten Y gewezen.
Naar het oordeel van de Commissie heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat
hij aan klager vol-doende informatie heeft gegeven om deze in staat te
stellen zich een oordeel te vormen over het pro-duct. Dat klager een en
ander niet goed begrepen heeft komt niet voor rekening van verweerder. Als
klager zich niet zeker had gevoeld, had hij meer gegevens en nadere uitleg
moeten vragen. Doordat hij dit heeft nagelaten komen de gevolgen daarvan
voor zijn rekening.
Verweerder was als tussenpersoon van Z op de hoogte van de risico’s die aan
de leasecontracten Y verbonden waren. Gelet op de op verweerder rustende
zorgplicht had in dit specifieke geval ver-weer-der in redelijkheid klager
niet mogen adviseren dan wel toestaan al diens spaargeld in de
lease-contracten Y te steken. Een gedeelte van 20-25 procent zou het maximum
hebben mogen zijn.
Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat verweerder aan klager dient
te vergoeden het door deze gestorte bedrag op vier van de vijf
leasecontracten Y onder verrekening van het fis-cale voordeel dat klager
hierop heeft genoten en de ontvangen coulance-uitkering, volgens
onder-staande berekening.
Totale inleg voor vijf leasecontracteb Y € 12.987
AF: uitkering einde looptijd € 916
AF: Genoten belasting voordeel € 2.156
AF: Ontvangen Coulance uitkering € 465
Totaal € 3.537
AF € 3.537
TOTAAL € 9.450 : 5 = € 1.890 per leasecontract Y
Als genoten belastingvoordeel heeft de Commissie zich geconfirmeerd aan de
opgave van klager van 24 september 2002, welke opgave niet door verweerder
is weersproken..
Op grond van het bovenstaande bepaalt de Commissie dat verweerder aan klager
dient te vergoe-den een bedrag van vier maal € 1.890 = € 7.560, te
vermeerderen met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf 27 juni 1997 tot
aan de dag van de algehele voldoening.
UITSPRAAK
De Commissie stelt het bindend advies vast dat verweerder binnen de termijn
van vier weken na verzending aan partijen van een afschrift van dit bindend
advies aan klager vergoedt een bedrag groot € 7.560 te verhogen met rente
gelijk aan de wettelijke rente vanaf 27 juni 1997 tot aan de dag van
algehele voldoening.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
uitspraken KC en Beroep op KC
Uitspraak KCD nr. 159 d.d. 30-10-2003
Uitspraak Klachtencommissie DSI nr. 159 d.d. 30 oktober 2003
(prof.mr. M.R. Mok, voorzitter, G.G.J. ***tschreuter RA en R.H.G. Mijné)
INHOUD VAN DE KLACHT
De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager heeft in juli 1997 op advies van verweerder een effectentenleasecontract X gesloten met een maandlast van ƒ 148,86. Effectenlease paste niet in klagers persoonlijke situatie, aangezien hij een per-soonlijke lening van ƒ 30.000 had afgesloten. Verweerder had er op moeten toezien dat klager over vol-doen-de middelen beschikte om aan zijn verplichtingen te voldoen; hij heeft dit nagelaten en daardoor in strijd met zijn zorgplicht gehandeld.
Klager heeft toentertijd gesproken met verweerder in verband met de persoonlijke lening. Volgens verweerder zou deze lening minder hoog zijn na afloop van vijf jaar, als klager een X-contract zou nemen. Hierbij is klager alleen op de positieve resultaten gewezen. Hij is niet gewezen op de risico’s; ook waren deze in de overeenkomst niet vermeld. Klager heeft nooit een brochure over X van ver-weerder ontvangen. Evenmin heeft verweerder ooit de mogelijkheid dat de inleg volledig verloren kon gaan of dat zelfs een schuld kon worden overgehouden genoemd. Bij een juiste en volledig in-for-matie had klager de effectenlease-overeenkomst nooit gesloten, althans niet onder dezelfde voor-waarden.
Verweerder had klager moeten waarschuwen zodra de contractswaarde negatief werd en hij had kla-ger op dat moment moeten verzoeken om zekerheden te stellen.
Op het moment van beëindigen van de overeenkomst heeft verweerder een bedrag van € 689,86 van klager geïncasseerd. Klager diende hiervoor weer een lening af te sluiten.
Klager eist door verweerder teruggebracht te worden in de situatie waarin hij verkeerde voordat de effectenlease-overeenkomst tot stand kwam. Hij vordert derhalve betaling van een bedrag ad
€ 4.675 van verweerder.
INHOUD VAN HET VERWEER
Het verweer houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager heeft in juli 1997 van verweerder informatie toegezonden gekregen onder begeleiding van een persoonlijke prognose, de brochure over het product X, de overeenkomst in tweevoud en de algemene voorwaarden van X. Klager heeft op 15 juli 1997 een effectenlease-overeenkomst met ver-weerder gesloten voor in beginsel een periode van vijftien jaar, maar hij kon deze na vijf en na tien jaar kosteloos beëindigen.
Verweerder heeft X in algemene zin bij klager aangeprezen, hij heeft klager niet persoonlijk aange-raden om dit product te kopen. Door de tussenkomst van verweerder is klager aangebracht bij een andere instel-ling voor het product X. Verweerder fungeerde daarbij als cliëntenremisier, waarop de Wet toezicht effectenverkeer 1995 niet van toepassing was. Verweerder heeft enkel klagers inte-resse voor X gewekt; na dit gesprek is verweerder niet meer betrokken geweest bij de investerings-beslissing en de totstandkoming van de overeenkomst en heeft klager op basis van de hem toege-stuurde docu-men-ta-tie zelf kunnen besluiten om de lease-overeenkomst al dan niet aan te gaan.
Klager heeft op het aanvraagformulier aangegeven in het belastingtarief van 50% te vallen; een jaar later was dit niet meer het geval. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst zat klager niet op een minimuminkomen. Klager kwam bovendien in aanmerking voor een lening van verweerder ter grootte van ƒ30.000, hetgeen zijn kredietwaardigheid bevestigde. Uit de ‘Persoonlijke Prognose’ blijkt de waardeontwikkeling bij verschillende beursscenario’s. Hierin is medegedeeld ‘de opbrengst van de aandelen is niet zeker’, en tevens is de standaardzin dat rendementen uit het verle-den geen garantie bieden voor de toekomst opgenomen. Ook de brochure maakt hiervan melding. Voorts heeft verweerder een BKR-toetsing verricht. Hij heeft klager erop gewezen dat een andere uitkomst moge-lijk was; dit dient voldoende te zijn om de belegger er op te wijzen dat er koersrisico’s zijn. Algemeen bekend is dat aan beleggen het risico is verbonden dat het ingelegde bedrag verloren zou kunnen gaan en dat aan beleggen met geleend geld aanvullende risico’s kleven. Klager heeft door onderte-ke-ning van het deelnameformulier aanvaard dat hij zich bewust is van de aan de beleggingen ver-bon-den risico’s.
Klager is tijdens de looptijd van de overeenkomst uitvoerig door X voorgelicht over de waarde van de aandelen. Tevens heeft hij jaaroverzichten ontvangen.
Op 18 december 2000 heeft X aan al zijn cliënten een brief gestuurd waarin dezen de mogelijkheid werd geboden 90% van de behaalde waarde vast te zetten en over te stappen op een ander rente-per-centage. Ook de voorwaarden van X bieden de mogelijkheid tot het vervroegd aflossen van de lening. Klager heeft geen van beide mogelijkheden gebruik gemaakt. X heeft klager tijdig de kans ge-boden een groot deel van de behaalde winst veilig te stellen. Klager kon lening vervroegd aflossen toen de aftrek van de rente na 2000 niet meer mogelijk was. Het had op de weg van klager gelegen ver-weerder in een eerder stadium aan te spreken, indien hij van mening was dat hij onjuist en onvol-ledig was voorgelicht over X.
Verweerder kan in ieder geval in zijn hoedanigheid van cliëntenremisier niet aansprakelijk worden gehouden voor de schade van klager. Klager houdt ten onrechte geen rekening met de door hem ont-vangen dividenden en zijn behaalde fiscaal voordeel. Voor zover verweerder gehouden zou zijn tot vergoeding van de schade, dient dit in aanmerking te worden genomen bij de schade-vast-stelling.
Gezien het voorgaande verzoekt verweerder de klacht af te wijzen, met veroordeling van klager in de kosten van deze procedure.
REACTIE OP HET VERWEER
Klager heeft niet uit eigen beweging informatie gevraagd over X. Verweerder heeft hem de gegevens persoonlijk overhandigd toen hij op kantoor kwam voor de ondertekening van zijn per-soon-lijke le-ning. Verweerder heeft wegens klagers persoonlijke situatie aangeraden X te kopen.
Klager betwist dat hij in het belastingtarief van 50% viel, hooguit voor een paar duizend gulden zat hij in schijf 2.
Dat klager in aanmerking kwam voor een lening had te maken met een vervroegde aflossing van een andere lening. Dit geschiedde op advies van verweerder.
Klager stond wel degelijk geregistreerd bij het BKR. Hij had immers nog een lening lopen die hij ver-vroegd afloste en op 11 juli 1997 had klager een overeenkomst van geldlening bij verweerder onder-tekend.
Klager had het volle vertrouwen in de positieve adviezen van verweerder. Als hij had geweten dat hij met schulden kon achterblijven, was hij er, gezien zijn financiële positie, nooit aan begonnen.
NADERE INFORMATIE
Op verzoek van de Commissie heeft verweerder nog enkele vragen beantwoord. Hieruit komt het volgende naar voren.
Verweerder was destijds bekend met de op 11 juli 1997 gesloten persoonlijke lening. Op 8 juli 1997 heeft klager een aanvraag ingediend voor een aandelenlease-overeenkomst met X. Op diezelfde dag heeft klager eveneens een aanvraag ingediend voor een persoonlijke lening bij verweerder voor een bedrag ad ƒ 30.000. Dit leidde niet tot de conclusie dat klager mede als gevolg van de uit deze per-soonlijke lening voortvloeiende maandelijkse aflossingsverplichting geen draagkrachtruimte meer zou bezitten om tevens een aandelenlease-overeenkomst met X te sluiten. Verweerder geeft een be-re--kening weer van de draagkrachtruimte van klager, zoals gehanteerd bij het aangaan van de lease-overeenkomst. Hieruit blijkt, na aftrek van alle vaste lasten waaronder de persoonlijke lening, als-me-de de maandlasten van X, dat voor klager een minimaal netto besteedbaar inkomen resteerde van
ƒ 595. Bovendien had klager een spaarrekening met een creditsaldo van ƒ 4.264,45.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Klager heeft in juli 1997 op advies van verweerder het product X bij een andere instelling gekocht. Dit deed hij nadat verweerder hem op het product attent had gemaakt. Klager is van mening dat ver-weerder hem dit product niet had mogen adviseren, aangezien hij de vooruitbetaling van rente met ge--leend geld financierde. Bovendien heeft verweerder hem niet goed geïnformeerd.
Verweerder, althans de rechtsvoorganger van verweerder om welke het hier gaat, is en was een effectenbemiddelaar. Hij handelde actief in effectenleasecontracten. Dat deze contracten waren ont-wikkeld en werden aangegaan door een andere (tot hetzelfde concern als verweerder behorende) vennootschap maakt verweerder niet tot remisier. Verweerder was op de hoogte van de risico’s die aan het product X verbonden wa-ren.
Gelet op de op verweerder rustende zorgplicht heeft ver-weerder in dit specifieke geval niet als een redelijk bekwaam en redelijk handelend effectendienstverlener gehandeld door klager te adviseren c.q. toe te staan met geleend geld het contract X aan te gaan, hetgeen immers inhield dat klager de rente op de aan het contract verbonden lening met anderszijds geleend geld voldeed. Klager heeft vol-doende aannemelijk gemaakt dat verweerder hem onvoldoende op de risico’s van het beleggen met geleend geld heeft gewezen.
Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat verweerder aan klager dient te vergoeden de door hem betaalde 60 leasetermijnen groot € 67,55, alsmede het negatieve resultaat volgens de eindafrekening ad € 622, tezamen zijnde € 4.675 doch verminderd met de voordelen die klager uit hoofde van de lease-overeenkomst heeft genoten. De Commissie stelt deze schadever-goe-ding met inachtneming van het belastingvoordeel over de betaalde rente en onder verrekening van de door klager ontvangen dividenden, naar redelijkheid en billijkheid vast op € 3.200.
Op grond van het bovenstaande bepaalt de Commissie dat verweerder aan klager dient te ver-goeden een bedrag van € 3.200 te vermeerderen met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf
1 januari 2000 tot aan de dag van de algehele voldoening.
UITSPRAAK
De Commissie stelt het bindend advies vast dat verweerder binnen de termijn van vier weken na verzending aan partijen van een afschrift van dit bindend advies aan klager vergoedt een bedrag groot € 3.200 te verhogen met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf 1 januari 2000 tot aan de dag van algehele voldoening.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
