LET OP: Dit topic is meer dan drie jaar geleden geplaatst. De informatie is mogelijk verouderd.

[ archief ] Euthanasie voor Legionairs

Hier kan je discussiëren over de onderwerpen rondom Legio Lease.
L. Blok

Euthanasie voor Legionairs

Ongelezen bericht door L. Blok »

NRC Economie, zaterdag 12 april



Euthanasie voor Legionairs

Adriaan Hiele

Hierbij een oplossing voor Legio Lease-klanten. Zij die werkelijk zwak en arm zijn kunnen makkelijk van hun verplichtingen afkomen door schuldsanering (persoonlijk faillissement) aan te vragen. Zie www.wsnp.rvr.org; de wet schuldsanering natuurlijke personen. Een minimuminkomen blijft dan een minimuminkomen. Ze nemen zo ook wraak op de bank, door deze op te zadelen met een oninbare schuld. Dit werkt niet voor mensen die wél hun schulden kunnen betalen, omdat ze geld hebben, en de rest van Nederland mee laten betalen aan hun beleggingsplannen. Die hebben gewoon verkeerd belegd. (S. van der B.)

U bent wel behulpzaam, met uw financiële euthanasie, waar je niet zo makkelijk voor in aanmerking komt. De wsnp is een aanvulling op de faillissementswet en biedt burgers met problemen een extra perspectief op een schuldenvrije toekomst. Maar de rechter beslist. Daarbij is een belangrijke voorwaarde van toelating tot de sanering dat een vrijwillig akkoord over afbetaling niet meer mogelijk is. Daar wringt de schoen, want Dexia (Legio Lease) biedt juist wel een akkoord aan.

Copyright: Hiele, Adriaan

Hans2

Re: Euthanasie voor Legionairs

Ongelezen bericht door Hans2 »

Stichting Leaseverlies heeft de Dexiabank aangeklaagd bij de Rechtbank van Amsterdam.
Een sumiere opsomming van bewijsbare klachten:



- het tolereren van dekkingstekorten; het niet bewaken van de marginverplichting,

- het niet bewaken van de kredietlimiet,

- het tolereren van debetstanden waarvoor geen kredietafspraken zijn vastgelegd,

- het handelen buiten gemaakte afspraken (beheerovereenkomst),

- het onrechtmatig handelen in effecten zonder hiervoor gemachtigd te zijn,

- het verstrekken van leningen die de draagkracht van de cliënt te boven gaan,

- het niet solide en risicomijdend beheren van pensioen of spaargelden,

- het niet of onvoldoende waarschuwen (bewaken) van cliënten die grote risico's aangaan,

- het bevoorschotten van een effectenportefeuille ter dekking van verplichtingen zonder dit schriftelijk vast te leggen,

- het uitvoeren van een bestensorder die leidt tot een overschrijding van de bestedingsruimte ( dekkingstekort),

- provisiejagen ( churning) en

- het verstrekken van onzorgvuldig en overmoedig beleggingsadvies.

hansiepansiekevertje

Re: Euthanasie voor Legionairs

Ongelezen bericht door hansiepansiekevertje »

Hans 2 deze vereisten staan in een wet die niet van toepassing is verklaard op aandelenleasecontracten. Misschien kunenn we Dexia dan ook wel aanklagen vanwege het feit dat de contracten niet kunnen vliegen....?!!!
Hansie pansie kevertje

Hans2

Re: Euthanasie voor Legionairs

Ongelezen bericht door Hans2 »

Aan de hand van onderstaande regels kun je nog eens nalezen hoe het wel had gemoeten.
Hoe je wel zorgvuldig met cliënten omgaat.
Deze regels zijn allemaal niet in acht genomen.
Normale hardwerkende mensen zijn door de praktijken van Legio-laese nu Dexiabank volledig in de maling genomen.

Uiteindelijk zal de rechter beslissen in deze affaire.
De feiten en mogelijke bewijslast zij reeds bij de rechter


Uitleg van de gedragsregels uit de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999

Artikel 25
In dit artikel is bepaald dat een effecteninstelling handelt in het belang van haar cliënten en, bijvoorbeeld indien er bij het uitvoeren van de effectendienst een spanningsveld is tussen de belangen van de cliënt en de belangen van de instelling, bij de uitvoering van de opdrachten van haar cliënten voorrang geeft aan de belangen van cliënten boven haar eigen belang. Dit betekent bijvoorbeeld dat een effecteninstelling bij het uitvoeren van effectentransacties prioriteit geeft aan transacties voor rekening van cliënten boven transacties voor rekening van de effecteninstelling zelf. Hiervan kan uiteraard worden afgeweken in situaties waarin cliëntenorders wegens de daaraan door cliënten verbonden condities op enig moment onder de alsdan geldende marktomstandigheden niet kunnen worden uitgevoerd. De bepaling bevat nadrukkelijk de term "effectendienstverlening", waarmee wordt aangegeven dat het voorschrift zich beperkt tot de pure dienstverlening in het kader van de werkzaamheden als effectenbemiddelaar hetgeen met zich brengt dat een instelling dus niet in al haar overige, niet door de wet bestreken, activiteiten of in andere (slechts indirect gerelateerde) omstandigheden, altijd voorrang aan het belang van de cliënt zou moeten geven; indien er sprake is van effectendiensten anders dan dan ter bediening van opdrachtgevers (cliënten) is deze bepaling derhalve niet van toepassing (bijvoorbeeld transacties met een tegenpartij, niet zijnde een opdrachtgevende partij). De bepaling is feitelijk dus een beperkte maar expliciete aanscherping van de in het eerste deel van het tweede lid neergelegde algemene norm dat effecteninstellingen zorgvuldig met haar cliënten dient om te gaan.

Het tweede lid van dit artikel ziet onder andere op situaties waarbij er tussen cliënten onderling sprake is van belangenconflicten. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de situatie dat een verzamelorder (of blokorder of collectorder) niet volledig is uitgevoerd waardoor transacties dienen te worden verdeeld over de cliënten, of de situatie dat er verschillende cliënten zijn die een recht dan wel een verplichting hebben en er een beperkter aantal cliënten zal zijn die hun rechten kunnen uitoefenen respectievelijk hun verplichtingen dienen na te komen. In dergelijke situaties dient een effecteninstelling haar cliënten op een objectieve wijze te behandelen. Hiermee wordt voorkomen dat bepaalde cliënten stelselmatig worden benadeeld dan wel bevoordeeld ten opzichte van de overige cliënten. Het lid beoogt overigens niet te verbieden dat er bijvoorbeeld individuele provisie-afspraken worden gemaakt.

Artikel 26
Met het oog op de adequate werking van de effectenmarkten en de positie van de beleggers op die markten is het verboden ongevraagd telefonisch of in persoon beleggers te benaderen waarmee nog geen zakelijke relatie bestaat (het zogenaamde "cold calling"); deze bepaling betreft uit de aard der zaak alleen de effectendienstverlening van een kredietinstelling. Wanneer reeds een zakelijke relatie bestaat tussen de effecteninstelling en de belegger ter zake van het verrichten van effectendiensten kan deze verwachten dat hij eventueel door de effecteninstelling ongevraagd wordt benaderd en geldt het bepaalde in dit artikel niet.
Aangetekend wordt dat indien een belegger een relatie heeft met een andere instelling, die deel uitmaakt van een holding of groep waartoe ook de effecteninstelling behoort, geen zakelijke relatie in bovenbedoelde zin mag worden aangenomen tussen de cliënt en laatstgenoemde effecteninstelling. De schriftelijke instemming is niet onbeperkt geldig: indien er na 6 maanden nog geen overeenkomst met de cliënt tot stand is gebracht, wordt de instemming als vervallen beschouwd en zal bij een hernieuwde poging om een belegger te interesseren wederom instemming dienen te worden gevraagd. De overeenkomst als bedoeld in artikel 25 dan wel 36 van het Bte 1995 ziet op de cliënten overeenkomsten, zoals een vermogensbeheerovereenkomst.

Artikel 28
Teneinde de naleving te bevorderen van het algemene beginsel dat een effecteninstelling moet handelen in het belang van haar cliënt, wordt in artikel 28, eerste lid voorgeschreven dat een effecteninstelling kennis moet nemen van de financiële positie, de (beleggings)ervaring en de beleggingsdoelstellingen van de cliënt. Deze informatie hoeft alleen bij de cliënt zelf te worden opgevraagd, niet bij derden. De mate waarin een effecteninstelling zich moet verdiepen in de achtergronden van haar cliënt hangt samen met de dienst die zij verleent. Wanneer een effecteninstelling zich bij haar dienstverlening bijvoorbeeld beperkt tot het doorgeven of uitvoeren van door de cliënt uitdrukkelijk op eigen initiatief gegeven effectenorders, kan de effecteninstelling met betrekking tot de financiële positie zich beperken tot het zich ervan te vergewissen dat de cliënt over voldoende middelen beschikt om de verplichtingen na te komen die uit de transactie voortvloeien en is de beleggingsdoelstelling niet dan wel minder relevant. Ook geautomatiseerde systemen zoals beursorderlijnen moeten voorzien in een mechanisme dat waarborgt dat alleen transacties worden verricht als de betrokken cliënt aan de uit die transactie voortvloeiende verplichtingen kan voldoen. Voor de saldi vereisten in het tweede en derde lid geldt overigens dat deze bepalingen niet verbieden om tot kredietverstrekking over te gaan of om short-posities in te nemen; dit dient dan echter, voor zover het niet professionele cliënten betreft, separaat (contractueel) te worden geregeld. Wanneer een effecteninstelling het vermogen beheert ten behoeve van haar cliënt zal de instelling zich ook moeten verdiepen in de bij de cliënt aanwezige effectenkennis, de risicobereidheid van de cliënt en het vermogen van de cliënt om risico’s te dragen. De plicht om kennis te nemen van de achtergronden van de cliënt bestaat zowel bij het aangaan van een relatie als gedurende de relatie tussen effecteninstelling en cliënt indien de dienstverlening wijzigd; dit laatste betekent met name dat indien bijvoorbeeld het risicoprofiel wordt gewijzigd of andersoortige effecten of markten in beeld komen, de cliënt ter zake aan een nader onderzoek zal moeten worden onderworpen.

De verplichting in het tweede lid ziet ook op inschrijvingen op emissies, die als (voorwaardelijke) transacties kunnen worden beschouwd. In het derde lid wordt verwezen naar verplichtingen die cliënten dienen aan te houden uit hoofde van aangegane posities en ter dekking van verplichtingen die samenhangen met (de risico’s van) lopende posities. De effecteninstelling voorziet in het geval transacties/posities zijn aangegaan die toekomstige rechten en/of verplichtingen met zich brengen in adequate afspraken ter zake van de rechten en verplichtingen, met inbegrip van te stellen zekerheden ter dekking van de betreffende toekomstige verplichtingen. Dit ziet onder meer op zekerheden die dienen te worden gesteld uit hoofde van short-posities in "klassieke" effecten, de marginverplichtingen (zekerheden) in het kader van (short) derivaten-posities, de zekerheden in geval van het lenen van effecten door de inlener aan de uitlener, etc. Voorts zal moeten worden voorzien in de bewaking van de risico's en de toereikendheid van de gestelde zekerheden, zodat indien de tegenpartij niet aan haar verplichtingen kan voldoen de gestelde zekerheden voldoende zijn om eventuele verliezen te kunnen opvangen. Voor de hoogte van de aan te houden zekerheden dient aansluiting te worden gezocht bij de geëiste zekerheden en marginverplichtingen die worden gesteld door de beurzen waarop desbetreffende producten worden verhandeld. De zekerheden die door de effecteninstelling worden gesteld dienen ten minste te voldoen aan de eisen die worden gesteld door desbetreffende beurs, clearinghuis en/of clearingmember ten aanzien van de onderhavige verplichtingen. Ter zake van short-transacties in "klassieke" effecten en leentransacties worden ook door de STE eisen gesteld in het kader van de solvabiliteit (zie bijlage 2). In het geval van baisse-transacties dienen de zekerheden tenminste 110% te bedragen in geval van staatsobligaties en 130% in geval van aandelen en overige obligaties. Voorts dienen in geval van grote eenzijdige posities hogere zekerheden te worden verlangd. De zekerheden dienen te worden geblokkeerd op rekening(en) bij een kredietinstelling.

Tenslotte dienen de rechten en verplichtingen terzake het aangaan van posities door cliënten, die verplichtingen met zich brengen (waaronder baisse-posities), ook contractueel te worden vastgelegd, waaronder tevens wordt begrepen het stellen van zekerheden en het sluiten van posities in geval dat er niet tijdig aanvullende zekerheden worden gesteld. Voor zover producten niet worden verhandeld op gereguleerde beurzen sluiten dienen de zekerheden zoveel mogelijk analoog aan vergelijkbare producten die wel op gereguleerde beurzen worden verhandeld te worden vastgesteld. Als vuistregel kan dienen dat de te stellen margin in ieder geval groter moet zijn dan het totaal aan ongerealiseerde verliezen dat in betreffende positie zit en daarnaast dient nog een additionele buffer te worden gehanteerd ter dekking van mogelijke toekomstige (additionele) verliezen. De hoogte van deze additionele buffer is mede afhankelijk van de beweeglijkheid van de (onderliggende) waarde en moet groot genoeg te zijn om ook onder bijzondere marktomstandigheden (bijvoorbeeld in het geval van een (algemene) koerscorrectie) blijvend aan de verplichtingen welke voortkomen uit de positie te kunnen voldoen. Met de actuele (margin)verplichtingen worden overigens de dagelijks vast te stellen verplichtingen als gevolg van daadwerkelijke schommelingen in de positie bedoeld, inclusief genoemde buffer (initial plus variation margin); het betreft dus niet de maximale potentiële verplichtingen die op termijn uit de positie zouden kunnen voortvloeien.

Het vierde lid schrijft voor hoe een effecteninstelling moet handelen in geval cliënten niet langer voldoen aan de in lid 3 gestelde eisen inzake de aan te houden zekerheden. De effecteninstelling stelt in dergelijke gevallen cliënt onmiddellijk op de hoogte en maant tot het stellen van additionele zekerheden ten einde weer te voldoen aan de gestelde eisen. Dit gebeurt bij voorkeur schriftelijk, zodat de effecteninstelling achteraf kan aantonen, zowel aan de cliënt als aan de STE, dat hij adequaat heeft gehandeld. Indien de cliënt haar verplichtingen niet nakomt dient de effecteninstelling, binnen de termijn die met cliënt schriftelijk is overeengekomen, betreffende posities te sluiten. De STE hanteert, bijzondere omstandigheden daargelaten, als uitgangspunt dat betreffende termijn de 5 werkdagen niet mag overschrijden.

Artikel 29
De omvang en/of frequentie van transacties mag in gevolge het eerste lid, gezien de omstandigheden, niet strekken tot een kennelijke bevoordeling van de effecteninstelling. Een effecteninstelling dient zich dan ook te onthouden van het onder de werking van een volmacht stelselmatig uitvoeren van snel opeenvolgende en grote transacties indien dit blijkbaar ertoe strekt additionele commissie-opbrengsten te genereren. Bij de beoordeling van de handelwijze van de effecteninstelling wordt met name gelet op de verhouding tussen de inleg, de resultaten en de in rekening gebrachte provisie over een bepaalde periode. Indien de cliënt op eigen initiatief een uitdrukkelijke opdracht geeft, geldt het bovenstaande verbod niet. Van een op eigen initiatief gegeven order is overigens geen sprake, indien de effecteninstelling de cliënt reeds heeft benaderd en heeft aangezet tot het plaatsen van de order. Indien de transacties uitgevoerd worden door een andere effecteninstelling dan de effecteninstelling die de opdracht namens de cliënt door geeft (bijvoorbeeld bij een commissionair) heeft ook de uitvoerende instelling hier een verantwoordelijkheid, met name indien er sprake is van een cliëntenrelatie met deze uitvoerende effecteninstelling. Indien duidelijk is dat bepaalde transacties in redelijkheid niet hadden mogen gebeuren, zal de uitvoerende instelling door de STE gewezen worden op zijn verplichtingen in deze en zal zodoende de cliënt als zelfstandige cliënt van de uitvoerende instelling worden beschouwd, die evenzo aan de verplichtingen van artikel 29 moet voldoen.

Het tweede lid van dit artikel verbiedt effecteninstellingen onevenredig hoge commissies of andere vergoedingen in rekening te brengen. Met een dergelijke handelwijze schaadt de effecteninstelling verwijtbaar de belangen van de cliënten.


Artikel 30
In dit artikel is de verplichting opgenomen effectenorders van cliënten op de voor de cliënt best mogelijke wijze uit te voeren. Deze verplichting kent twee elementen, te weten een tijdselement en een prijselement. Het tijdselement brengt met zich dat een effecteninstelling orders van cliënten zo snel als in de betrokken omstandigheden redelijkerwijs mogelijk is dient uit te voeren. Dit sluit niet uit dat een effecteninstelling de uitvoering van een cliëntenorder kan uitstellen; zij dient dan wel goede gronden te hebben om aan te nemen dat dit in het belang is van de cliënt. Bij de in artikel 30, eerste lid, gestelde verplichting om behalve algemene informatie die met name bij het aangaan van de transactie aan de cliënt zal worden verstrekt met betrekking tot lopende orders ook meer specifieke informatie te verstrekken, wordt gedoeld op informatie die gericht is op een bijzondere omstandigheid ten aanzien van het effect waarop de order betrekking heeft en waarvan mag worden verwacht dat zij invloed zal hebben op de koers van het betreffende effect, zodat er aanleiding kan zijn de order of de condities aan te passen. Hierbij kan worden gedacht aan informatie met betrekking tot het splitsen van aandelen, het ex-dividend gaan van aandelen en het uitkeren van bonusaandelen in geval de cliënt een limietorder heeft lopen in de desbetreffende aandelen. Instellingen kunnen er voorts voor kiezen om contractueel vast te leggen dat orders bij dit soort specifieke gevallen automatisch aangepast (verlaagd) worden. De noodzaak om de cliënt deze specifieke informatie te verstrekken zal veelal actueel zijn bij langlopende limietorders en slechts bij uitzondering de dagorders betreffen, aangezien de hier bedoelde relevante informatie veelal bekend zal zijn dan wel de order niet meer terug gehaald kan worden. Het is niet de bedoeling, bijzondere gevallen uitgezonderd, om te verplichten dat indien om bijvoorbeeld technische (stroom)storingen bij bijvoorbeeld de beurs orders tijdelijk niet kunnen worden uitgevoerd, de belegger geïnformeerd zou moet worden; als de storing echter op het moment van accepteren van de order al bekend is, zal de cliënt daar wel op gewezen moeten worden. Ook algemene ontwikkelingen die ieder effect treffen (bijvoorbeeld dalende koersen in het buitenland) vallen niet onder de verplichting. Voorts is het niet de bedoeling dat ieder bedrijfsbericht dient te worden gecommuniceerd. Wel is het zo dat in geval van buitengewone koersontwikkelingen met betrekking tot het desbetreffende effect er een inspanningsverplichting is om cliënten hiervan op de hoogte te brengen. Het prijselement brengt met zich dat de order moet worden uitgevoerd tegen de best beschikbare prijs gelet op het tijdstip van de order, de aard en omvang van de order alsmede de omstandigheden op de markt waarop de order moet worden uitgevoerd. Wanneer de order betrekking heeft op effecten die zijn genoteerd aan een op grond van artikel 22 Wte 1995 erkende effectenbeurs wordt de best mogelijke prijs geacht te zijn verkregen wanneer een transactie is uitgevoerd op een dergelijke beurs overeenkomstig de door de houder van die effectenbeurs gestelde regels, dan wel daarbuiten, indien de aan- of verkoopprijs niet hoger respectievelijk lager is dan de laagste aankoopprijs respectievelijk hoogste verkoopprijs op dat moment op voornoemde beurs, tenzij de instelling bekend is of redelijkerwijs had kunnen zijn dat de prijsvorming op die beurs op dat moment niet adequaat was. Bij de beste prijs-bepaling dient ook het kostenaspect te worden meegenomen; bij een verkooptransactie zal bij een lagere prijs waar minder kosten van af gaan, de transactie netto immers meer opleveren voor de cliënt. Van de verplichting om een effectenorder uit te voeren tegen de op dat moment voor de cliënten best mogelijke prijs, kan worden afgeweken indien de cliënt of zijn vertegenwoordiger uitdrukkelijk anderszins heeft opgedragen. Met betrekking tot de orderremisier of de vermogensbeheerder geldt daarbij dat in de cliënten-overeenkomst moet worden opgenomen dat deze bemiddelaar van de beste prijs-regel mag afwijken. Met betrekking tot een eventuele uitvoerende instelling, die naast de instelling die namens de cliënt de opdracht heeft gegeven bij de transactie is betrokken, geldt hetgeen gesteld is in de toelichting op artikel 29, namelijk dat ook op deze instelling de verplichtingen ex artikel 30 kunnen rusten (zie ook de algemene toelichting bij paragraaf 8).

Het derde lid van dit artikel moet waarborgen dat ook bij de afwikkeling van transacties het belang van de cliënt centraal wordt gesteld. Zo zal een effecteninstelling die een koopopdracht uitvoert voor een cliënt zich ervan moeten vergewissen dat de gekochte effecten ook werkelijk volgens de usance van de betrokken markt worden geleverd. Wanneer de effecten na de voor de desbetreffende markt gangbare termijn nog niet zijn geleverd, rust op de effecteninstelling een inspanningsverplichting om de afwikkeling van de betrokken effectentransactie te bevorderen. Een verwijzing naar de regels op het gebied van de vermogensscheiding is hier op haar plaats. Op grond van deze regels dient creditering of debitering van de effectenrekening tegen gelijktijdige debitering of creditering van de tegenwaarde op de geldrekening te geschieden.

Artikel 31
Wanneer een belegger een klacht heeft over het handelen van een effecteninstelling, moet gewaarborgd zijn dat deze klacht op adequate wijze en binnen een redelijke termijn door een effecteninstelling wordt afgehandeld. Daarin voorziet dit artikel. Het begrip ‘redelijke termijn’ dient te worden bepaald in relatie tot hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Hierbij kunnen onder andere van belang zijn de omstandigheden waaronder de transactie al dan niet tot stand kwam alsmede de complexiteit van de transactie. Met betrekking tot de afhandeling van klachten dient de instelling vanzelfsprekend daarnaast voorschrift 4.14 van bijlage 4 van de Nadere Regeling in acht te nemen.

Artikel 32
Artikel 32 ziet op een verbod op koersmanipulatie en overige misleidende handelingen. Achterliggende overweging is dat koersmanipulatie en overige misleidende handelingen (evenals gebruik van voorwetenschap) direct de belangen van de belegger kunnen schaden en afbreuk kunnen doen aan het vertrouwen van beleggers in de adequate werking van de effectenmarkten en daarmee de adequate werking van die markten schaden. Het artikel is derhalve een gedragsregel op basis van de Wte 1995 en artikel 24 en 35 van het Bte 1995 en is complementair aan de aanverwante strafrechtelijke bepalingen in dezen. Het ministerie van Financiën beziet thans overigens of er in de Wte 1995 eveneens een verbodsbepaling voor een ieder (dus niet alleen de onder toezicht staande effecteninstellingen) moet worden opgenomen. Zonder uitputtend te zijn, kan onder ‘misleidende handelingen’, die in het eerste lid worden verboden, gedacht worden aan het oneigenlijk gebruik maken van effectentransacties voor het doen van betalingen. Op deze manier kunnen aan personeelsleden vergoedingen worden gegeven in plaats van salaris. Aan cliënten kunnen op deze manier vergoedingen worden gegeven ter compensatie van door de effecteninstelling gemaakte fouten of ter compensatie van geleden verliezen, die de effecteninstelling al dan niet kunnen worden aangerekend. Dergelijke vergoedingen zijn ten principale niet verboden, maar dienen op een volledige en juiste wijze te worden geadministreerd en niet door middel van misleidende transacties te worden verborgen. Voor de adequate werking van de effectenmarkten is het vertrouwen van de betrokken partijen in die markten van cruciaal belang. Om te voorkomen dat dit vertrouwen wordt geschaad, is het effecteninstellingen niet toegestaan een misleidende voorstelling te creëren met betrekking tot effecten of de handel daarin en transacties in effecten door anderen te beïnvloeden door middel van (a) het verstrekken van misleidende informatie dan wel (b) het verrichten van één of meer transacties. Onder misleidende informatie wordt verstaan onjuiste, onvolledige of verwarrende informatie. Bij de zinsnede ‘één of meer transacties’ moet onder meer worden gedacht aan schijntransacties teneinde de markt op het verkeerde been te zetten; dit betreft dus bijvoorbeeld niet het op zakelijke gronden in gedeelten plaatsen van orders.

Het in het tweede lid, onderdeel b opgenomen verbod op koersmanipulatie is niet van toepassing indien sprake is van koersstabilisatie die voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de bij de Nadere Regeling opgenomen bijlage 6. Nederlandse effectenbeurzen kennen veelal hun eigen regimes met betrekking tot koersstabilisatie. Deze regels mogen vanzelfsprekend niet in strijd zijn met de in bijlage 6 van de Nadere Regeling gestelde voorwaarden of daaraan anderszins afbreukdoen.

Met de in artikel 32, derde lid, opgenomen zinsnede "hieraan gelijkwaardige voorwaarden", is bedoeld te verwijzen naar de regels die op buitenlandse effectenbeurzen worden gehanteerd, voor het geval een onder toezicht van de AFM staande instelling op een buitenlandse beurs een koers wil stabiliseren.


Artikel 33
Teneinde een overwogen beslissing te kunnen nemen, moet een cliënt zich een goed oordeel kunnen vormen over de diensten die de effecteninstelling aanbiedt alsmede de effecten waarop die dienstverlening betrekking heeft. Hierover moet de effecteninstelling de cliënt op grond van het eerste lid informeren. Een effecteninstelling zal aan haar cliënten de in het artikel vermelde informatie moeten verstrekken. De cliënt moet onder andere kunnen nagaan vanuit welk adres de effecteninstelling opereert en welk soort bedrijfsactiviteiten verder door de effecteninstelling wordt ondernomen. De informatie kan overigens ook in de cliëntenovereenkomst worden opgenomen. De informatie die op grond van het eerste lid, onder c, aan de cliënt moet worden verstrekt, betreft een, voor de bescherming van het belang van de cliënt noodzakelijke, aanvulling op de gegevens die (in ieder geval) in de cliëntenovereenkomst dienen te worden opgenomen. Indien de effectenorder bijvoorbeeld betrekking heeft op de aan- of verkoop van opties en/of rechten op overdracht op termijn van goederen dient de effecteninstelling de cliënt te informeren over de met het kopen dan wel schrijven van opties of hiermee vergelijkbare instrumenten samenhan-gende specifieke risico's. In het bijzonder dient de cliënt te worden gewezen op de omvang van mogelijke verliezen.

Onderdeel e gaat in op (potentiële) belangenconflicten. In de toelichting bij artikel 15 van het Bte 1995 is een aantal voorbeelden van belangentegenstellingen opgenomen die het gevolg zijn van het verrichten van uiteenlopende effectendiensten door één effecteninstelling. Deze voorbeelden zijn verder uitgewerkt in de toelichting bij artikel 19 en 20. Genoemd worden in dit verband het uitoefenen van het emissiebedrijf in combinatie met vermogensbeheer, het kredietbedrijf gecombineerd met het effectenbedrijf en de handel voor eigen rekening (bijvoorbeeld het optreden als wederpartij bij effectentransacties) gecombineerd met de handel voor rekening van cliënten. Met koersgevoelige informatie wordt hier overigens bedoeld de koersgevoelige informatie zoals gedefinieerd in de Wte 1995.

In het eerste lid, onder g, wordt specifiek ingegaan op informatievereisten bij het afsluiten van een effectenlease-overeenkomst. De effecteninstelling moet de cliënt bij het sluiten van een effectenlease-overeenkomst voorzien van duidelijke informatie betreffende de mogelijkheid en de daaraan verbonden voorwaarden om de effectenlease-overeenkomst af te kopen.

Indien een cliënt op eigen initiatief de effecteninstelling uitdrukkelijk opdracht geeft een bepaalde effectenorder uit te voeren en het een "vaste" cliënt betreft waarvoor de effecteninstelling eerder (regelmatig) orders in dezelfde soort effecten heeft uitgevoerd, mag worden aangenomen dat deze cliënt reeds over de desbetreffende informatie beschikt.

In het tweede lid worden de zogenaamde reclameregels van de AFM voorgeschreven. Het betreft hier bijlage 7 inzake (wervende) informatieverschaffing door effecteninstellingen. Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting op bijlage 7.

Artikel 34
Uit controle-technische overwegingen schrijft onderdeel a van dit artikel voor dat effectennota’s moeten zijn voorzien van een voorbedrukt dan wel een automatisch toegekende doorlopende nummering. Op grond van onderdeel c van dit artikel dient de effectennota een zodanige omschrijving van de transactie te geven dat het karakter van de transactie voor de cliënt voldoende duidelijk is. Zo kan een transactie onder meer omschreven worden als een koop- of verkooptransactie, een opening- of closingtransactie (ingeval van derivaten), een emissietransactie, een repo, sell-buy-back-transactie, termijnaffaire, baissetransactie, conversietransactie, enzovoorts. Wanneer er voor de cliënt verplichtingen worden aangegaan, bijvoorbeeld bij geschreven opties of baissetransacties, dient zulks uitdrukkelijk op de effectennota te worden vermeld, tenzij deze informatie reeds anderszins aan de cliënt is verstrekt. Daarnaast dient in het geval van een conversietransactie de oorsprong van de conversie vermeld te worden. Zo kan bijvoorbeeld sprake zijn van een conversie uit opties (exercise of assignment), warrants, convertibles en stockdividend. Wanneer naar aanleiding van een geconstateerde fout, een transactie onder gelijke voorwaarden wordt teruggedraaid is sprake van een storno. Deze kwalificatie dient eveneens uitdrukkelijk op de effectennota te worden vermeld. Onder de uit de transactie voortvloeiende verplichtingen (c) worden voorts ook begrepen de eventuele margin-verplichtingen en de zekerheden die gesteld moeten worden.

De in onderdeel d genoemde soort effecten ziet op de omschrijving van de effecten, zoals fondsgegevens en bij derivaten tevens de serie, de looptijd de uitoefenprijs, etc.

Onderdeel e van dit lid brengt met zich dat wanneer een opdracht van een cliënt in gedeelten is uitgevoerd, dit dient te worden vermeld. Als daarnaast tegen verschillende koersen is uitgevoerd, moet de cliënt kunnen nagaan hoe de gewogen koers waartegen wordt afgerekend tot stand is gekomen.

Op grond van onderdeel h moet de wijze van totstandkoming van de transactie aangegeven worden. Dit betekent dat vermeld moet worden in welke hoedanigheid de effecteninstelling optreedt, als ‘principal’ of als ‘agent’. Teneinde de informatie zo overzichtelijk mogelijk te presenteren wordt geadviseerd de volgende terminologie te hanteren: "aan u verkocht/van u gekocht" (de effecteninstelling treedt op als principal); "voor u gekocht/verkocht" (de effecteninstelling treedt op als agent). De plaats waar de transactie is uitgevoerd (onderdeel i), omvat in voorkomend geval de effectenbveurs waarop de transactie is uitgevoerd.

De naar soort onderscheiden kosten (onderdeel j) betreft o.a. de provisies, commissies en opslagen en dergelijke.

Ten aanzien van onderdeel k wordt opgemerkt dat de leverings- en betalingsvoorwaarden kunnen worden aangemerkt als Amsterdamse usance indien er sprake is van afwikkeling door tussenkomst van AEX-Effectenclearing B.V., de levering van fysieke effecten plaatsvindt via Kas-Associatie N.V., de girale levering geschiedt via het Nederlands Centraal Instituut voor het Giraal Effectenverkeer B.V. en de op AEX reglementaire fixed settlement termijn in acht wordt genomen. Indien sprake is van een andere wijze van afwikkeling, bijvoorbeeld via Euroclear of Cedel, dient zulks expliciet uit de effectennota te blijken.

Artikel 35
Artikel 29 van het Bte 1995 schrijft voor dat een effecteninstelling regelmatig haar cliënten met wie zij een vermogensbeheersovereenkomst heeft gesloten informeert over de in beheer gegeven vermogensbestanddelen. In de Nadere Regeling is die verplichting nader gespecificeerd, waarbij de periodiciteit ten aanzien van de rapportages aan cliënten is vastgesteld op eenmaal per kwartaal. De verplichting ingevolge onderdeel d van artikel 35, eerste lid, om cliënten te informeren over de aan hen in rekening gebrachte kosten, ziet niet uitsluitend op de (reguliere) beheerskosten, maar tevens op de overige kosten, daaronder bijvoorbeeld in rekening gebrachte provisies. Het in het tweede lid bedoelde model moet door de instelling zelf ontwikkeld worden en ter goedkeuring aan de AFM voorgelegd worden.

Artikel 36
Artikel 36 ziet op alle effectenposities van cliënten, voor zover deze voor die cliënten financiële verplichtingen met zich brengen, bijvoorbeeld posities in (geschreven) opties, futures, termijncontracten en baisse-transacties in "klassieke" effecten, op grond waarvan de cliënt in kwestie is onderworpen aan margin-verplichtingen zoals bedoeld in artikel 28. Het positie-overzicht wordt normaal gesproken door de effecteninstellingen die zelf transacties kunnen uitvoeren of kunnen doen uitvoeren verstrekt. De AFM acht het opportuun dat de effecteninstelling in kwestie wordt verplicht om haar cliënten op gepaste wijze over deze posities te informeren. In geval van tekorten dient de instelling haar cliënt in kennis te stellen en de maatregelen te nemen als bedoeld in artikel 28, vierde lid.

Bij de in artikel 36, derde lid, gestelde verplichting om met betrekking tot de posities specifieke informatie te verstrekken wordt gedoeld op informatie die gericht is op een bijzondere omstandigheid ten aanzien van de effecten of contracten waarop de positie betrekking heeft en waarvan mag worden verwacht dat zij invloed zal hebben op deze positie. Hierbij kan gedacht worden aan informatie met betrekking tot assignments, het splitsen van aandelen, het ex-dividend gaan van aandelen en het uitkeren van bonusaandelen; de onder normale omstandigheden gebruikelijke koersfluctuaties vallen uiteraard buiten de reikwijdte van de in het derde lid neergelegde meldingsplicht.

Artikel 38
Uitgangspunt is dat de wijze van informatieverstrekking door effecteninstellingen aan (potentiële) cliënten een zaak is van de instellingen zelve; naast de in veel artikelen opgenomen eis dat de informatieverstrekking schriftelijk moet gebeuren en specifieke gevallen daargelaten, stelt de AFM geen vormvereisten ten aanzien van die informatie. De vorm waarin de informatie wordt verstrekt, kan ook afhankelijk zijn van het karakter van de dienstverlening. Ten principale is van belang dat de betekenis en draagwijdte van de informatie die door de effecteninstelling moet worden verstrekt, redelijkerwijs moet kunnen worden onderkend door de betrokken cliënt en derhalve niet behoeft te zijn toegesneden op het specifieke kennisniveau van iedere afzonderlijke cliënt. Dit zal veelal dus wel betekenen dat de informatie, ook waar dat niet verplicht is, schriftelijk en in heldere taal wordt verstrekt. Zo zal in het geval dat de dienstverlening beperkt is tot het uitvoeren van de door de cliënt op diens eigen initiatief uitdrukkelijk gegeven effectenorders, het mogelijk korte tijdsbestek tussen het verstrekken van een opdracht door een cliënt en de uitvoering van die opdracht, beperkingen kunnen stellen aan de wijze waarop de aan die cliënt te verstrekken informatie daadwerkelijk kenbaar wordt gemaakt. Vormvereisten kunnen onder dergelijke omstandigheden onnodig belemmerend werken.

Gesloten