Kijk nu naar RTL5 (RTL Z) nieuws met aandacht voor de uitspraken van de DSI en commentaar hierop.
Groeten,
Piet
| LET OP: Dit topic is meer dan drie jaar geleden geplaatst. De informatie is mogelijk verouderd. |
[ archief ] RTL Z met DSI uitspraken op TV
Re: RTL Z met DSI uitspraken op TV
ik kan helaas niet kijken want zit op mijn werk.
Maar kan iemand me nu in het kort vertellen hoe het nu zit??
Wordt voor iedere dexia gedupeerde de restschuld nu kwijt gescholden? En de inleg ook?? En is dat per direct?? Of wordt het een proces van jaren en jaren.
Maar kan iemand me nu in het kort vertellen hoe het nu zit??
Wordt voor iedere dexia gedupeerde de restschuld nu kwijt gescholden? En de inleg ook?? En is dat per direct?? Of wordt het een proces van jaren en jaren.
-
robin opree
Re: RTL Z met DSI uitspraken op TV
Aanbieders aandelenlease moeten schade vergoeden
AMSTERDAM (ANP) - Kopers van beleggingsproducten in aandelenlease kunnen in veel gevallen rekenen op een schadevergoeding. Bedrijven die de beleggingen aan de man brachten, hebben vaak niet voldoende gekeken of de kopers de financiële risico’s die aandelenlease met zich brengt, wel konden dragen.
Dat blijkt uit uitspraken die het klachteninstituut voor de effectenhandel DSI donderdag heeft gepubliceerd. De klachtencommissie keek naar tien vergelijkbare zaken en concludeerde in veruit de meeste gevallen dat de beleggers het overgrote deel van hun schuld niet terug hoeven te betalen. Deze uitspraken zijn bindend.
De conclusies van DSI zijn belangrijk, omdat een geschillencommissie die zoekt naar een oplossing voor de problemen met aandelenlease, de uitspraken zal gebruiken. Een commissie onder aanvoering van oud-ombudsman M. Oosting probeert mede aan de hand van de DSI-uitspraken een schikking te treffen tussen de beleggers in aandelenlease en de aanbieders van deze producten.
Beleggers die in aandelenlease zijn gestapt, kijken in veel gevallen tegen een schuld aan. Ze zijn met geleend geld de beursvloer opgegaan, vaak midden in de aandelenhype. Door de koersdalingen van de afgelopen jaren kunnen de beleggers hun lening niet terugbetalen.
De DSI heeft ook geconcludeerd dat de reclames voor de beleggingen van Legiolease niet misleidend waren. Eerder velde de beurstoezichthouder AFM een hard oordeel over sommige reclames voor de omstreden beleggingen.
AMSTERDAM (ANP) - Kopers van beleggingsproducten in aandelenlease kunnen in veel gevallen rekenen op een schadevergoeding. Bedrijven die de beleggingen aan de man brachten, hebben vaak niet voldoende gekeken of de kopers de financiële risico’s die aandelenlease met zich brengt, wel konden dragen.
Dat blijkt uit uitspraken die het klachteninstituut voor de effectenhandel DSI donderdag heeft gepubliceerd. De klachtencommissie keek naar tien vergelijkbare zaken en concludeerde in veruit de meeste gevallen dat de beleggers het overgrote deel van hun schuld niet terug hoeven te betalen. Deze uitspraken zijn bindend.
De conclusies van DSI zijn belangrijk, omdat een geschillencommissie die zoekt naar een oplossing voor de problemen met aandelenlease, de uitspraken zal gebruiken. Een commissie onder aanvoering van oud-ombudsman M. Oosting probeert mede aan de hand van de DSI-uitspraken een schikking te treffen tussen de beleggers in aandelenlease en de aanbieders van deze producten.
Beleggers die in aandelenlease zijn gestapt, kijken in veel gevallen tegen een schuld aan. Ze zijn met geleend geld de beursvloer opgegaan, vaak midden in de aandelenhype. Door de koersdalingen van de afgelopen jaren kunnen de beleggers hun lening niet terugbetalen.
De DSI heeft ook geconcludeerd dat de reclames voor de beleggingen van Legiolease niet misleidend waren. Eerder velde de beurstoezichthouder AFM een hard oordeel over sommige reclames voor de omstreden beleggingen.
Re: RTL Z met DSI uitspraken op TV
Amsterdam, 5 februari 2004 - De Klachtencommissie DSI heeft op 5 februari 2004 een aantal uitspraken gepubliceerd inzake individuele klachten over Legioleasecontracten. In een aantal van die zaken is beslist dat klagers het overgrote deel van de restschuld niet hoeven te voldoen.
Korte samenvatting van een aantal uitspraken
Sommige zaken hebben gemeenschappelijke kenmerken. Van die beslissingen volgt hier een korte samenvatting. In de meeste zaken stonden twee vragen centraal. Heeft de klager het contract gesloten omdat hij door het informatiemateriaal van Legiolease is misleid? Had Legiolease tevoren moeten onderzoeken of de klager een eventuele restschuld zou kunnen voldoen?
Misleiding
De klacht over misleidende reclame behandelt de Klachtencommissie alleen als de klager niet is aangesloten bij de Stichting Leaseverlies of een soortgelijke instelling, die dezelfde klacht aan de rechter voorlegt.
In verschillende uitspraken heeft de Klachtencommissie geoordeeld dat er geen sprake was van misleiding in de zin van desbetreffende wettelijke bepalingen. Dat hangt samen van de inhoud van het door Legiolease verspreide informatiemateriaal. Daarin is weliswaar sterk benadrukt dat aan-delenbeleggingen aanhoudend gunstige rendementen zouden opleveren, maar in de behan-delde gevallen zijn de klagers niet uitsluitend afgegaan op informatiemateriaal waarin geen enkele waarschu-wing voor de aan aandelenbeleggingen verbonden risico's is gegeven. Van consumenten moet nu eenmaal worden verlangd dat zij informatie betreffende een product voldoende nauwkeurig lezen. Dat is op het gebied van aandelenbeleggingen niet anders. Sommige klagers stellen dat zij in de waan zijn gebracht dat het om een vorm van sparen ging. De inhoud van het door Legiolease, in de zaken waarin de Commissie thans beslist heeft, verspreide informatiemateriaal rechtvaardigt die stelling niet. In de nu beoordeelde overeenkomsten is uitdrukkelijk het bedrag van de "(totale) lease-som" vermeld en de daarover berekende rente. Ook is in de overeenkomsten te vinden dat Legiolease voor een bepaald bedrag aandelen aankoopt, die aan de klager geleverd worden onder voorwaarde dat deze aan al zijn betalingsverplichtingen zal hebben voldaan, waarbij het restant van de hoofdsom verrekend kan worden met de opbrengst van de aandelen.
In de meeste gevallen is daarom de vordering dat het contract volledig ongedaan wordt gemaakt niet gehonoreerd. Waar de Commissie anders geoordeeld heeft, waren bijzondere omstandigheden aanwezig.
Zorgplicht
In verschillende uitspraken heeft de Klachtencommissie beslist dat de deelnemer aansprakelijk is omdat Legiolease niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. De effectenleasecontracten zijn aan een breed publiek aangeboden, en doorgaans via tussenpersonen afgesloten. Daardoor heeft Legiolease het zichzelf onmogelijk gemaakt om na te gaan of er in individuele gevallen een wanverhouding bestond tussen de betalingsverplichting die de wederpartij op zich nam en diens inkomens- en vermogenspositie. Ook indien iemand verschillende contracten wilde afsluiten, waarmee in totaal een (zeer) groot bedrag gemoeid was, werd niet nagegaan of hij het risico zou kunnen dragen.
Zodoende heeft Legiolease met betrekking tot de redelijkerwijs te verwachten bestedingsruimte on-voldoende zorg betracht. Als professionele aanbieder van beleggingsproducten had Legiolease er rekening mee moeten houden dat de aandelenkoersen een langdurige en belangrijke daling konden vertonen. Legiolease had de klagers een voorziening moeten aanbieden om zo'n negatieve koers-ontwikkeling, waardoor de klagers na afloop van de contracten met een soms zeer grote restschuld konden blijven zitten, af te dekken.
Bij het aanbieden van de effectenleaseconstructie is zo'n voorziening achterwege gelaten en daarvoor is de Deelnemer aan DSI, waarvan Legiolease deel uitmaakt aansprakelijk gehouden. Zo'n verzekering zou kosten meegebracht hebben. Daarom heeft de Commissie de schade die deze Deelnemer moet dragen naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld op een bedrag gelijk aan de restschuld, verminderd met een percentage van de aankoopwaarde van de aandelen. Afhankelijk van aanvangstijdstip en duur van de overeenkomst is dit percentage vastgesteld op doorgaans vijftien of twintig procent, zijnde de begrote gemiddelde kosten van zo een verzekering. De restschuld die de klagers moeten betalen heeft de Klachtencommissie derhalve beperkt tot ten hoogste het toepasselijke percentage (15% of 20%) van de aankoopwaarde van de aandelen. Indien die klagers al méér dan dit bedrag aan restschuld hebben betaald, moet het meerdere worden terugbetaald.
Maandtermijnen betaald uit effectendepot
Sommige klagers hebben gebruik gemaakt van een constructie waarbij geld werd gestort, dat is omgezet in een ef-fectendepot uit welk depot de verschuldigde termijnen voldaan moesten worden. Door koersdalingen bleek het in het depot geïnvesteerde bedrag in sommige zaken onvol-doende om die ter-mijnen te betalen. Deze con-structie had een redelijk bekwaam en redelijk handelend effectenadviseur volgens de Klachtencommissie niet mogen aanbieden omdat daardoor koersrisico's zijn gelopen die onverenigbaar zijn met het in tijd en omvang vaststaande doel van de investering. De door deze depotconstructie geleden schade moet in voorkomend geval ook worden vergoed.
De Klachtencommissie DSI is voornemens binnen afzienbare tijd nog een aantal uitspraken over dit soort zaken vast te stellen en bekend te maken.
Volledige tekst van de uitspraken
De uitspraken met jaartal: 2004, nrs. 8 t/m 17 zijn te vinden op de website www.dsi.nl via 'Zoeken in uitspraken' gevolgd door 'Uitspraken KC'. Ook andere uitspraken van de Klachtencommissie DSI over leasecontracten zijn daar te vinden.
Dutch Securities Institute
PB 3861, 1001 AR Amsterdam
Raadhuisstraat 20, Amsterdam
Telefoon 020-5309854
Korte samenvatting van een aantal uitspraken
Sommige zaken hebben gemeenschappelijke kenmerken. Van die beslissingen volgt hier een korte samenvatting. In de meeste zaken stonden twee vragen centraal. Heeft de klager het contract gesloten omdat hij door het informatiemateriaal van Legiolease is misleid? Had Legiolease tevoren moeten onderzoeken of de klager een eventuele restschuld zou kunnen voldoen?
Misleiding
De klacht over misleidende reclame behandelt de Klachtencommissie alleen als de klager niet is aangesloten bij de Stichting Leaseverlies of een soortgelijke instelling, die dezelfde klacht aan de rechter voorlegt.
In verschillende uitspraken heeft de Klachtencommissie geoordeeld dat er geen sprake was van misleiding in de zin van desbetreffende wettelijke bepalingen. Dat hangt samen van de inhoud van het door Legiolease verspreide informatiemateriaal. Daarin is weliswaar sterk benadrukt dat aan-delenbeleggingen aanhoudend gunstige rendementen zouden opleveren, maar in de behan-delde gevallen zijn de klagers niet uitsluitend afgegaan op informatiemateriaal waarin geen enkele waarschu-wing voor de aan aandelenbeleggingen verbonden risico's is gegeven. Van consumenten moet nu eenmaal worden verlangd dat zij informatie betreffende een product voldoende nauwkeurig lezen. Dat is op het gebied van aandelenbeleggingen niet anders. Sommige klagers stellen dat zij in de waan zijn gebracht dat het om een vorm van sparen ging. De inhoud van het door Legiolease, in de zaken waarin de Commissie thans beslist heeft, verspreide informatiemateriaal rechtvaardigt die stelling niet. In de nu beoordeelde overeenkomsten is uitdrukkelijk het bedrag van de "(totale) lease-som" vermeld en de daarover berekende rente. Ook is in de overeenkomsten te vinden dat Legiolease voor een bepaald bedrag aandelen aankoopt, die aan de klager geleverd worden onder voorwaarde dat deze aan al zijn betalingsverplichtingen zal hebben voldaan, waarbij het restant van de hoofdsom verrekend kan worden met de opbrengst van de aandelen.
In de meeste gevallen is daarom de vordering dat het contract volledig ongedaan wordt gemaakt niet gehonoreerd. Waar de Commissie anders geoordeeld heeft, waren bijzondere omstandigheden aanwezig.
Zorgplicht
In verschillende uitspraken heeft de Klachtencommissie beslist dat de deelnemer aansprakelijk is omdat Legiolease niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. De effectenleasecontracten zijn aan een breed publiek aangeboden, en doorgaans via tussenpersonen afgesloten. Daardoor heeft Legiolease het zichzelf onmogelijk gemaakt om na te gaan of er in individuele gevallen een wanverhouding bestond tussen de betalingsverplichting die de wederpartij op zich nam en diens inkomens- en vermogenspositie. Ook indien iemand verschillende contracten wilde afsluiten, waarmee in totaal een (zeer) groot bedrag gemoeid was, werd niet nagegaan of hij het risico zou kunnen dragen.
Zodoende heeft Legiolease met betrekking tot de redelijkerwijs te verwachten bestedingsruimte on-voldoende zorg betracht. Als professionele aanbieder van beleggingsproducten had Legiolease er rekening mee moeten houden dat de aandelenkoersen een langdurige en belangrijke daling konden vertonen. Legiolease had de klagers een voorziening moeten aanbieden om zo'n negatieve koers-ontwikkeling, waardoor de klagers na afloop van de contracten met een soms zeer grote restschuld konden blijven zitten, af te dekken.
Bij het aanbieden van de effectenleaseconstructie is zo'n voorziening achterwege gelaten en daarvoor is de Deelnemer aan DSI, waarvan Legiolease deel uitmaakt aansprakelijk gehouden. Zo'n verzekering zou kosten meegebracht hebben. Daarom heeft de Commissie de schade die deze Deelnemer moet dragen naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld op een bedrag gelijk aan de restschuld, verminderd met een percentage van de aankoopwaarde van de aandelen. Afhankelijk van aanvangstijdstip en duur van de overeenkomst is dit percentage vastgesteld op doorgaans vijftien of twintig procent, zijnde de begrote gemiddelde kosten van zo een verzekering. De restschuld die de klagers moeten betalen heeft de Klachtencommissie derhalve beperkt tot ten hoogste het toepasselijke percentage (15% of 20%) van de aankoopwaarde van de aandelen. Indien die klagers al méér dan dit bedrag aan restschuld hebben betaald, moet het meerdere worden terugbetaald.
Maandtermijnen betaald uit effectendepot
Sommige klagers hebben gebruik gemaakt van een constructie waarbij geld werd gestort, dat is omgezet in een ef-fectendepot uit welk depot de verschuldigde termijnen voldaan moesten worden. Door koersdalingen bleek het in het depot geïnvesteerde bedrag in sommige zaken onvol-doende om die ter-mijnen te betalen. Deze con-structie had een redelijk bekwaam en redelijk handelend effectenadviseur volgens de Klachtencommissie niet mogen aanbieden omdat daardoor koersrisico's zijn gelopen die onverenigbaar zijn met het in tijd en omvang vaststaande doel van de investering. De door deze depotconstructie geleden schade moet in voorkomend geval ook worden vergoed.
De Klachtencommissie DSI is voornemens binnen afzienbare tijd nog een aantal uitspraken over dit soort zaken vast te stellen en bekend te maken.
Volledige tekst van de uitspraken
De uitspraken met jaartal: 2004, nrs. 8 t/m 17 zijn te vinden op de website www.dsi.nl via 'Zoeken in uitspraken' gevolgd door 'Uitspraken KC'. Ook andere uitspraken van de Klachtencommissie DSI over leasecontracten zijn daar te vinden.
Dutch Securities Institute
PB 3861, 1001 AR Amsterdam
Raadhuisstraat 20, Amsterdam
Telefoon 020-5309854
Re: RTL Z met DSI uitspraken op TV
Uitspraak KCD nr. 11 d.d. 05-02-2004
Uitspraak Klachtencommissie DSI nr. 11 d.d. 28 november 2003 (website d.d. 4 februari 2004)
(prof.mr. M.R. Mok, voorzitter, prof.drs. A.D. Bac RA, R.H.G. Mijné, G.J.P. Okkema en
mr. W.A.M. van Schendel)
INHOUD VAN DE KLACHT
De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager is op 3 januari 2001 met verweerder vijf aandelenlease-overeenkomsten voor de duur van drie jaar aange-gaan. Op grond van elk van deze overeenkomsten heeft verweerder voor klager drie pakketten aandelen aangekocht: het eerste pakket direct bij aanvang, het tweede aan het begin van het tweede contractjaar en het derde aan het begin van het derde contractjaar. Elk van de drie pak-ket-ten per overeenkomst had- dezelfde samenstelling en werd voor dezelfde prijs aangekocht. Klager dient op grond van twee van de overeenkomsten gedurende de looptijd van het contract maandelijk-se rentetermijnen van respectievelijk € 113,45 en € 112,50 te voldoen. De rente die hij op grond van de overige drie overeenkomsten was verschuldigd, respectievelijk € 7.371,00, € 7.349,76 en
€ 2.224,44, heeft hij bij vooruitbetaling voldaan. Na afloop van de contracten zal verweerder de aan-gekochte aandelen verkopen en zal klager hiervan de opbrengsten ontvangen. Klager zal het nadeli-ge verschil tussen de aankoop en de verkoop van deze aandelen aan verweerder moeten voldoen.
Klager stelt omtrent de totstandkoming van de overeenkomsten het volgende. Op 19 december 2000 heeft een adviseur van verweerder klager bezocht. Deze adviseur heeft enige uitleg gegeven over het product, waarbij hij naar klager stelt slechts over de winstmogelijkheden heeft gesproken. Eventueel verlies bracht hij niet ter sprake. In het slechtste geval zou klager geen winst maken op het contract; de maandelijkse inleg zou hij in ieder geval retour ontvangen. Klager stelt met deze ad-vi-seur te zijn overeengekomen dat zijn geld veilig zou worden belegd, mede gezien het feit dat het spaar-geld voor de kinderen betrof. De adviseur heeft hem medegedeeld dat het product veilig was en dat hij niet bang hoefde te zijn alles kwijt te raken. Klager besloot hierop tot het aangaan van de overeenkomsten.
Klager stelt dat, naar hem nu duidelijk is geworden, niet veilig is belegd. Hij wijst op het feit dat ver-weerder het tweede pakket aandelen telkens voor dezelfde prijs heeft aangekocht als het eerste, ter-wijl de koersen op dat moment lager stonden. Hierdoor heeft klager reeds bij aankoop van dit twee-de pakket een verlies geleden. Hij stelt dat verweerder hem onjuist heeft voorgelicht en wil op grond hiervan de overeenkomsten ongedaan maken. Klager verwijst hierbij naar een media-uitzending waar-in het desbetreffende leaseproduct aan de orde kwam.
Klager verzoekt de Commissie te bepalen dat hij gecompenseerd wordt voor het verlies dat hij op zijn overeenkomsten heeft geleden, door hem ten tijde van het indienen van de klacht begroot op
€ 25.078,40, alsmede dat de overeenkomsten ongedaan dienen te worden gemaakt.
INHOUD VAN HET VERWEER
Het verweer houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Met betrekking tot de twee overeenkomsten op grond waarvan klager maandelijks rente verschul-digd is, werpt verweerder de vraag op of klager voor dat deel van zijn klacht ontvangen kan worden. Klager heeft zich met betrekking tot deze klachten niet, overeenkomstig artikel 6.2 derde gedachte-streepje van het Reglement Klachtencommissie DSI, gewend tot verweerder alvorens zijn klacht aan de Commissie voor te leggen. Aanvankelijk heeft klager verweerder namelijk bericht deze twee over-eenkomsten te willen voortzetten, en klager heeft geen argumenten gegeven, anders dan de om-stan-dig-heid dat hij nadien voornoemde media-uitzending heeft gezien, waarom ook deze twee over-eenkomsten niet geldig zouden zijn. Daarom meent verweerder zich tegen dit onderdeel van de klacht niet te kunnen verweren.
Verweerder voert tegen het in behandeling nemen van de klacht nog als tweede bezwaar aan dat de overeenkomsten waarop de klacht betrekking heeft nog niet zijn geëindigd. Het is niet te voorspellen tot welk resultaat deze voor klager zullen leiden.
Niet is uitgesloten dat klager geen koersverlies zal leiden. Verweerder is van opvatting dat de Commissie daarom de klacht niet in behandeling kan nemen.
Met betrekking tot de inhoud van de klacht stelt verweerder het volgende. Verweerder heeft, bij mon-de van de voor hem werkzame adviseur, klager op 19 december 2000 tijdens een gesprek bij deze thuis uitgebreid voorgelicht over de risico’s die aan de verschillende leaseproducten zijn verbonden. Tijdens dit gesprek heeft verweerder ook gewezen op de risico’s die aan het onderhavige product zijn verbonden. Dit product heeft ten opzichte van andere door verweerder aangeboden leasepro-duc--ten een korte looptijd. Verweerder betwist dat zijn adviseur heeft gezegd dat het product altijd vei--lig zou zijn en dat daaraan geen risico’s zouden zijn verbonden. Naar aanleiding van klagers op-mer--king dat zijn investering spaargeld voor de kinderen betrof, merkt verweerder op dat klager dit tij-dens het gesprek niet kenbaar heeft gemaakt. Voorts heeft verweerder klager tijdens dit bezoek in-for-matiemateriaal betreffende het leaseproduct ter hand gesteld, waaronder een brochure. Klager heeft vervolgens, alvorens de overeenkomsten getekend retour te zenden, in alle rust kennis kunnen nemen van de inhoud ervan. Verweerder wijst op de van toepassing zijnde Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease die op de achterkant van de contracten zijn afgedrukt.
Verweerder is van mening klager voldoende te hebben voorgelicht over de werking en risico’s van de overeenkomsten. Hij wijst hierbij onder andere op de volgende passages uit de brochure. Onder het kopje “Einde en uitbetaling” in de brochure van het onderhavige leaseproduct staat vermeld dat de belegger de volledige opbrengst van de aandelen ontvangt, “slechts onder aftrek van de nog niet afgeloste hoofdsom”. Daarbij vermeldt de brochure onder het kopje “verlengingsgarantie” dat indien de aandelen onverhoopt minder opbrengen dan de verkoopprijs, het verschil dient te worden bijbe-taald. Onder het kopje “Let op” wordt voorts uitdrukkelijk gewezen op de financiële risico’s die zijn ver---bonden aan beleggen met geleend geld, de mogelijkheid van fluctuaties in de waarde van de be-leg-ging, het feit dat de gehanteerde rendementen zijn gebaseerd op rendementen uit het verle-den, welke geen garantie voor de toekomst bieden en op het feit dat de gehanteerde bedragen uit-sluitend als rekenvoorbeeld zijn bedoeld. Naar het oordeel van verweerder bevat de brochure vol-doende in-for-matie. Verweerder verwijst hierbij naar een eerdere uitspraak van de Commissie van 6 juni 2002, nr. 01-210; JOR 2002, 163 en een recente uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam. Tevens mag het risico van het kopen van aandelen met geleend geld algemeen be-kend worden verondersteld, waarbij verweerder verwijst naar een vonnis van de rechtbank te
‘s-Gravenhage, 30 juli 2003.
Verweerder stelt voorts dat niet alleen de brochure, maar ook de contracten zelf informatie over het aandelenleaseproduct bevatten. Hierin staat onder andere vermeld wat de totale leasesom is en waar-uit dit bedrag is opgebouwd. Tevens blijkt uit de contracten dat verweerder de geleende hoofd-som aan het einde van de looptijd in principe verrekent met de opbrengst van de waarden en dat het tweede pakket aandelen tegen dezelfde prijs wordt aangekocht als het eerste.
Resumerend is verweerder van mening dat hij klager via de brochure en de contracten tezamen in vol-doende mate heeft voorgelicht over de risico’s die zijn verbonden aan aandelenlease-overeen-komsten. Zoals klager ook stelt in zijn brieven, was hij op de hoogte van het feit dat de leasecontrac-ten, op grond waarvan maandelijks rente was verschuldigd, risico’s meebrachten. Hieruit volgt dat kla-ger ook op de hoogte moet zijn geweest van de risico’s die zijn verbonden aan de overeen-koms-ten waarbij hij de rentetermijnen vooruit heeft betaald. Alle lease-overeenkomsten die door klager zijn afgesloten zijn immers wat risico betreft gelijk, alleen de wijze van betalen verschilt.
Na op adequate wijze door verweerder te zijn voorgelicht over de risico’s heeft klager er welbewust voor gekozen de lease-overeenkomsten aan te gaan. Met deze overeenkomsten loopt hij zowel de goede kans op winst als de kwade kans op verlies. Het gaat niet aan nu de kwade kans op verweer-der af te wentelen.
Geheel subsidiair beroept verweerder zich op het in de overeenkomst opgenomen exoneratiebeding.
REACTIE OP HET VERWEER
In reactie op het verweer heeft klager zijn stellingen gehandhaafd en nader toegelicht voor zover hierna weergegeven.
Ten aanzien van de stelling van verweerder dat hij voldoende gelegenheid heeft gekregen de con-trac-ten en het bijbehorende informatiemateriaal te bestuderen, merkt klager het volgende op. Tijdens het bezoek van de adviseur van verweerder heeft hij direct aanvraagformulieren ondertekend. Hij be-schouwde deze aanvraagformulieren als voorlopige contracten. Het informatiemateriaal waarover hij op dat moment beschikte bestond slechts uit een folder die hij in zijn brievenbus had ontvangen.
Voorts heeft klager zijn klacht reeds ingediend vóórdat de media aandacht besteedden aan effecten-lease, zodat naar zijn mening het verwijt van verweerder dat hij slechts naar aanleiding hiervan klaagt ongegrond is. Hij heeft zich eerst later gerealiseerd dat aan de drie contracten waarbij hij de rente bij vooruitbetaling heeft voldaan hetzelfde risico verbonden is als aan de twee waarover hij de rente maandelijks voldoet. Zijn klacht richt zich tegen alle vijf de overeenkomsten.
Klager merkt op dat de adviseur van verweerder op vier van de vijf aanvraagformulieren de geboor-te-data van klagers minderjarige kinderen heeft ingevuld en de aanvragen op naam van de kinderen heeft ge-daan, zodat het verweerder niet ontgaan kan zijn dat die contracten betrekking hadden op spaargeld dat voor die kinderen was bestemd.
BEHANDELING TER ZITTING
Klager deelt mee dat hij is aangesloten bij X.
Het bezoek van de adviseur van verweerder heeft slechts een uur heeft geduurd. Dit bezoek vond plaats op verzoek van klager, naar aanleiding van een folder die klager per post had ont--vangen. Klager heeft de adviseur meegedeeld dat hij informatie wenste over de spaarvorm die naar zijn me-ning in de folder werd aangeprezen. De adviseur heeft bij deze gelegenheid enige uitleg gegeven over het product, waarbij hij geen aandacht besteedde aan het feit dat de beurskoersen op dat mo-ment reeds daalden. Klager stelt dat hij bij deze gelegenheid uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt een leek op het gebied van beleggen te zijn en onder geen beding een risicovolle belegging te willen doen. De adviseur heeft hem hierop geantwoord dat het product een volkomen veilige belegging was en klager desgevraagd nadrukkelijk verzekerd dat het enige risico dat klager liep was dat hij geen winst zou maken. De adviseur heeft desge-vraagd gezegd dat klager zonder meer zijn inleg zou te-rug--ontvangen. Een dergelijk minimumscena-rio achtte de adviseur echter zeer onwaarschijnlijk om-dat gezien de te verwachten stijging van de aande-len-koersen een rendement van ca. zestien procent was te verwachten. In dit verband heeft de advi-seur opgemerkt dat klager een dief van zijn eigen por--temonnee zou zijn indien hij de contracten niet zou sluiten en het geld op een gewone spaarreke-ning liet staan. Over de mogelijkheid van een restschuld is in het geheel niet gesproken. De adviseur heeft geen brochures of ander voorlichtings-materiaal ter hand gesteld. Hij heeft klager ook niet in de gelegenheid gesteld aan de hand van zulk materiaal nog eens na te denken over het aangaan van contracten, maar integendeel na het gesprek alle documentatie, ook de brochure, weer meegeno-men. Klager deelt mee dat de aanvra-gen voor de vijf contracten direct tijdens dit bezoek zijn onderte-kend, één ten name van hemzelf en door hem ondertekend en vier die door de adviseur op naam wer--den gesteld van zijn kinderen. De adviseur van verweerder heeft de kinderen bij deze gelegen-heid gesproken en geïnformeerd naar hun geboortedatum. De destijds zestienjarige dochter heeft de op haar naam gestelde aanvraag zelf ondertekend; voor de jongere kinderen tekende klager deze for--mulieren. Klager ontving naar aan-leiding van deze aanvragen vijf contracten; één op zijn eigen naam en vier op naam van zijn kinde-ren. Deze contracten heeft klager alle zelf ondertekend. Het be-trof echter spaargeld van de destijds zestienjarige dochter zelf en hetgeen klager en zijn echtgenote hadden gespaard voor de kinderen.
Klager wijst op het feit dat de totale opbrengst van de aandelen naar de huidige schatting ca.
€ 124.000 minder zal bedragen dan het bedrag dat hij ter financiering van de aankoop van verweer-der heeft geleend, zodat een schuld gelijk aan dit bedrag zal resteren. Klager stelt dit bedrag onmo-ge--lijk te kunnen betalen. Gezien de nog korte looptijd van de overeenkomsten ligt een (veel) minder ongunstige opbrengst niet in de lijn der verwachting. Klagers echtgenote wijst er nog op dat klager en zijzelf slechts een beperkte schoolopleiding hebben genoten en daarop afgestemde, relatief laag betaalde, werkkringen hebben vervuld.
Op een vraag uit de Commissie deelt verweerder mee dat de bedoelde adviseur destijds als werk-nemer bij hem in dienst was. Inmiddels is dat echter niet meer het geval, zodat het voor verweerder onmogelijk was het onderhavige geschil met deze te bespreken. Bij gebrek aan wetenschap betwist verweerder het-geen klager stelt omtrent de gang van zaken tijdens het huisbezoek.
Verweerder herhaalt zijn stelling dat de informatie zoals hij die in de brochure heeft verstrekt vol-doen--de duidelijk is over de kenmerken en risico’s van het product. Hij wijst op het feit dat klager stelt slechts een folder per post te hebben ontvangen, maar in eerdere correspondentie refereert aan een brochure. Mocht klager de brochure niet hebben gelezen, dan verliest hij naar de mening van ver-weer-der het recht erover te klagen dat hij niet wist dat hij met geleend geld heeft belegd. Verweerder wijst voorts op het feit dat de aanvraagformulieren op zich geen verplichtingen in het leven roepen. Eerst bij ondertekening van de contracten komt een overeenkomst tot stand. Het feit dat verweerder de aandelen reeds ten tijde van het opmaken van het contract aankoopt, doet hieraan niet af. Ten slotte merkt verweerder op dat de klacht hem lijkt ingegeven door de gedaalde beurskoersen. Dit risi---co dient echter voor rekening van klager te komen, hetgeen ook duidelijk in de brochure vermeld staat.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Op 19 december 2000 heeft een medewerker van verweerder klager op diens verzoek, naar aanlei-ding van een per post ontvangen folder, thuis bezocht, waarbij, naar verweerder niet heeft weerspro-ken, de desbetreffende aanvraagformulieren zijn ingevuld en ondertekend. Klager stelt dat deze ad-vi-seur hem toen heeft medegedeeld dat de onderhavige aandelenlease een veilige belegging was, dat het enige risico dat klager liep was dat hij geen winst zou maken, dat hij in ieder geval zijn inleg zou terugontvangen en dat te verwachten was dat de contracten een rendement van circa zestien pro-cent zouden ople-veren. Volgens klager heeft de adviseur geen brochure of nader voorlichtings-ma-teriaal ter hand gesteld en hem niet gewezen op de risico's die het product meebracht.
Op 3 januari 2001 heeft klager met verweerder vijf aandelenlease-overeenkomsten gesloten. Deze overeenkomsten zijn te kwalificeren als strekkende tot huurkoop van aandelen. Van deze transacties is telkenmale een akte opgemaakt overeenkomstig artikel 7A:1576i BW die voldoet aan de vereisten van artikel 7A:1576j BW. Op grond van deze vijf - afgezien van de wijze van rentebetaling en de be-dra-gen waarvoor zij zijn gesloten - gelijksoortige overeenkomsten werden, met tussenpozen van één jaar, driemaal aandelen gekocht tegen de koers van de eerste aankoop.
De Commissie overweegt als volgt. Zij verwerpt de verweren, inhoudende dat zij de klacht geheel of gedeeltelijk niet in behandeling kan nemen. Het moet verweerder duidelijk zijn geweest dat klager wil--de klagen over alle vijf contracten. Dat zulks niet duidelijk bleek uit de brief waarin klager verweer-der aansprakelijk heeft gesteld, heeft verweerder niet in zijn verweermogelijkheden beperkt. Dat de contracten nog niet zijn geëindigd en niet te voorspellen is tot welk resultaat deze voor klager zullen leiden, staat evenmin aan behandeling van de klacht in de weg. Die stelling kan hooguit raken aan de bepaling van de schadeomvang, maar niet aan de bevoegdheid van de Commissie om de klacht in behandeling te nemen en evenmin aan de ontvankelijkheid van klager. Daarenboven heeft klager ‘ongedaanmaking’ gevorderd, hetgeen ook tijdens de looptijd mogelijk is.
Tegenover de gedetailleerde weergave van hetgeen volgens klager de adviseur van verweerder tij-dens het huisbezoek aan klager heeft meegedeeld, heeft ver-weerder slechts doen weten dat hij de geschetste gang van zaken bij gebrek aan wetenschap be-twist. Verweerder moet echter in staat wor-den geacht aan de hand van aan zijn medewerker gegeven instructies of door deze gemaakte aante-keningen op zijn minst globaal inzicht te verschaf-fen in hetgeen door de medewerker is of pleegt te worden meegedeeld tijdens huisbezoeken als het onderhavige. Doordat verweerder zulks heeft nagelaten, heeft hij onvoldoende gemotiveerd weerspro-ken hetgeen klager over de inhoud van dit gesprek heeft aangevoerd, zodat de Commissie zal uit-gaan van de lezing die klager gegeven heeft.
Met die concrete feitelijke gang van zaken tot uitgangspunt is in het onderhavige geval niet aanne-me-lijk geworden dat verweerder, die gebruik heeft gemaakt van een agressieve verkoopmethode en geen rekening heeft gehouden met klagers persoonlijke omstandigheden, bij het totstandkomen van de vijf overeenkomsten in voldoende mate de belangen van klager in het oog heeft gehouden. Zo heeft verweerder klager voorgespiegeld dat deze in ieder geval zijn inleg zou terugontvangen en hem slechts gewezen op de te realiseren winst, zonder dat klager op het koersrisico is gewezen. Als verweerder klager op het risico van koersdalingen had gewezen, had klager zich daarover zelf een oordeel kunnen vormen, of om (nader) advies kunnen vragen.
Onvoldoende is gebleken dat verweerder klager heeft voorgelicht over de bijzondere risico’s die wa-ren verbonden aan de huurkoopovereenkomsten zoals verweerder die klager heeft aange-boden, met name op het risico dat een schuld zou resteren. Van de constructie van deze overeenkomsten maakten immers twee termijncontracten tot aankoop van effecten deel uit, waarbij niet alleen de even---tuele winst, maar ook eventueel verlies vermenigvuldigd zou worden. Verweerder heeft welis-waar in de brochure met betrekking tot de huurkoopovereenkomsten - al aangenomen dat de door verweerder overgelegde brochure de folder is die door klager per post is ontvangen - de termijncon-structie uiteengezet, maar daarbij heeft hij de nadruk gelegd op de winst die ermee te beha-len valt. Over het verliesrisico heeft hij slechts in algemene termen gestelde waarschuwingen opge-no-men. De door de adviseur in dit geval gegeven informatie heeft deze waarschuwingen, zo zij op zichzelf al voldoende duidelijk waren, tenietgedaan. Verweerder heeft klager over het spe-ci-fieke verliesrisico van de betrokken overeenkomst dan ook onvoldoende voorge-licht. De ten dienste van de aanvragen gegeven onvolledige en daardoor misleidende informatie als hiervoor weergege-ven was van dien aard, dat klager redelijkerwijs niet erop bedacht behoefde te zijn dat de tekst van de voorwaarden bij de nadien ter tekening ontvangen contracten niet in overeenstemming zou zijn met het geschetste veel te rooskleurige beeld van de risico’s. Omdat het hier om individuele monde-linge voorlichting gaat, is niet van belang dat klager is aangesloten bij X. De door deze X bij de rechtbank te Amsterdam tegen verweerder ingestelde collectieve actie heeft betrek-king op misleiding door algemene (schriftelijke) voorlichting.
Het voorgaande brengt de Commissie tot de slotsom dat gezien de omstandigheden van dit geval verweerder in zijn verhouding tot klager bij de totstandkoming van de huurkoopovereenkomsten dermate is tekortgeschoten, dat hij klager niet aan deze overeenkomsten mag houden. De Commissie stelt als bindend advies vast dat zij de vijf op 3 januari 2001 tussen partijen gesloten huurkoopovereenkomsten overeenkomstig artikel 6:228 BW op grond van dwaling als vernietigd beschouwt, zodat verweerder jegens klager aan deze overeen-kom-sten geen rechten kan ontlenen, ook niet aan de exoneratieclausule, wat daarvan overigens zij, waarop verweerder zich subsidiair heeft beroepen. Tevens stelt de Commissie vast dat verweerder de termijnen die klager reeds heeft betaald moet terugbetalen, met rente gelijk aan de wettelijke rente daarover van-af de datum dat kla-ger deze aan verweerder heeft betaald, tot aan de dag van de terugbetaling.
UITSPRAAK
De Commissie stelt het bindend advies vast dat zij de vijf op 3 januari 2001 tussen partijen gesloten huurkoopovereenkomsten overeenkomstig artikel 6:228 BW als vernietigd beschouwd op grond van dwaling, zodat verweerder jegens klager geen rechten kan ontlenen aan deze huurkoopovereen-komsten, en dat verweerder binnen de tijd van één maand na verzending aan partijen van een af-schrift van dit bindend advies aan klager terugbetaalt al hetgeen klager op grond van genoemde over--eenkomsten aan verweerder heeft betaald, met rente gelijk aan de wettelijke rente over de bedragen die klager heeft betaald, per betaald bedrag te berekenen vanaf de dag dat klager dit bedrag aan verweerder heeft voldaan, tot aan de dag van terugbetaling door verweerder.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitspraak KCD nr. 8 d.d. 05-02-2004
Uitspraak Klachtencommissie DSI nr. 8 d.d. 4 februari 2004
prof. mr. M.R. Mok, voorzitter, prof. drs. A.D. Bac RA, G.G.J. Kuttschreuter RA,
mr. W.A.M. van Schendel en mr J. Wortel
INHOUD VAN DE KLACHT
De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager is met verweerder een aandelenlease-overeenkomst aangegaan voor de duur van drie jaar, waarbij hij de over die periode verschuldigde rente bij vooruitbetaling heeft voldaan. Met betrekking tot de gang van zaken rond de totstandkoming van deze overeenkomst stelt klager het volgende.
Klager is begin december 2000 benaderd door een tussenpersoon die optrad als cliëntenremisier voor verweerder en werd door deze geattendeerd op het desbetreffende aandelenleaseproduct. Nadat klager met deze tussenpersoon had gesproken, heeft verweerder de overeenkomst aan klager toegezonden met het verzoek deze getekend retour te zenden. In de overeenkomst stonden de koersen vermeld waartegen de aandelen op grond van de lease-overeenkomst zouden worden aangekocht. Klager heeft de overeenkomst op 9 december 2000 ondertekend. Direct na deze ondertekening daalden de koersen van enkele van de in de overeenkomst opgenomen aandelen sterk. Zo daalde de koers van het aandeel KPN tot ca. € 14,00, terwijl de in de overeenkomst opgenomen aankoopkoers € 15,80 bedroeg. Het aandeel Aegon zou op grond van de overeenkomst worden aangekocht tegen een koers van € 48,80, terwijl de koers op het moment van ondertekenen ca. € 38,00 was. Deze koersval baarde klager zorgen en hij heeft, alvorens de getekende overeenkomst retour te zenden, contact opgenomen met zowel zijn tussenpersoon als met verweerder. Klager is vervolgens door beiden gerustgesteld met de mededeling dat alles wel goed zou komen. Begin januari heeft klager de reeds getekende overeenkomst, via zijn tussenpersoon, aan verweerder retour gezonden. Op 4 januari 2001 heeft verweerder de overeenkomst ontvangen.
Klager stelt dat hij zowel door verweerder als door diens tussenpersoon onjuist is voorgelicht. Dezen hadden hem, mede gelet op de inmiddels gedaalde koersen, niet gerust mogen stellen. Klager merkt hierbij op dat zowel verweerder als diens tussenpersoon op het moment van afsluiten van het contract had moeten weten van de problemen bij genoemde bedrijven en de gevolgen die deze problemen zouden hebben voor de koersontwikkelingen van de op grond van de overeenkomst aangekochte aandelen. Meer in het algemeen stelt klager dat hij reeds vóór ondertekening van het contract is misleid en dat misbruik is gemaakt van zijn onervarenheid op het gebied van beleggen.
Klager verzoekt de commissie te bepalen dat hij gecompenseerd wordt voor het door hem geleden verlies, door hem begroot op € 8.168,--, en dat de overeenkomst geroyeerd wordt.
INHOUD VAN HET VERWEER
Het verweer houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Verweerder stelt dat voor zover klager met zijn verzoek tot royement doelt op vernietiging, er geen sprake is van een hiervoor vereiste vernietigingsgrond. Voor zover klagers verzoek moet worden opgevat als een verzoek tot ontbinding, is verweerder van mening dat hieraan niet kan worden voldaan nu geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van zijn kant. Klager heeft met verweerder een bindende overeenkomst gesloten en zal moeten voldoen aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen.
Met betrekking tot de in de toegezonden overeenkomst opgenomen koersen en de daling van deze koersen nog voor retourzending door klager, stelt verweerder het volgende. Deze koersen zijn in de overeenkomst opgenomen zodat de cliënt weet waarvoor hij tekent en wat de aankoopprijs van de effecten is. Zou verweerder de aankoopkoersen pas fixeren op het moment dat het contract getekend retour is ontvangen, dan zou de cliënt een soort bestens-order afgeven voor de onderliggende effecten, aangezien de koers hiervan in de periode tussen ondertekening van het contract en ontvangst hiervan door verweerder kan stijgen en dalen. In de opvatting van verweerder zou de onzekerheid die dit met zich brengt niet in het belang van de cliënt zijn. Verweerder koopt op het moment van het opmaken van het contract de betreffende effecten aan. Indien het aanvraagformulier niet ondertekend wordt geretourneerd, neemt hij het eventuele verlies voor eigen rekening. Indien klager van mening was dat de in zijn contract vermelde koersen te hoog waren ten opzichte van de beurskoersen, had hij er voor kunnen kiezen het contract niet te tekenen of een nieuw contract kunnen aanvragen.
Verweerder is voorts van opvatting dat voor zover sprake is geweest van geruststellende opmerkingen van de tussenpersoon aangaande de waarde van de onderliggende effecten, hij hiervoor niet verantwoordelijk is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder hiervoor wel aansprakelijk zou zijn is in de onderhavige zaak geen sprake.
Ten aanzien van het verwijt dat niet alleen de tussenpersoon, maar ook verweerder zelf klager zou hebben gerustgesteld, stelt verweerder het volgende. Verweerder houdt zogenaamde logs bij die aangeven dat een telefoongesprek met een bepaalde klant heeft plaatsgevonden. Hierbij wordt tevens aantekening gemaakt van het onderwerp van dat gesprek. Over de periode december 2000 en januari 2001 heeft verweerder geen logs aangetroffen die betrekking hebben op de onderhavige zaak. Derhalve acht hij het niet aannemelijk dat een dergelijk gesprek heeft plaatsgevonden. Tot slot benadrukt verweerder dat eerst door ontvangst van de getekende overeenkomst een bindende overeenkomst tot stand is gekomen. Klager had thuis voldoende tijd het contract en de brochure te bestuderen, te meer daar verweerder klager de overeenkomst reeds op 7 december 2000 heeft toegezonden en hij deze eerst op 4 januari 2001 retour heeft ontvangen.
REACTIE OP HET VERWEER
In reactie op het verweer handhaaft klager zijn stellingen en licht die nader toe zoals hierna vermeld. Klager verzoekt om royement van de overeenkomst nu hij op grond van een verkeerde voorstelling van zaken en onjuiste informatie is verleid tot het accepteren van het contract, ondanks de dalende koersen. Naar zijn mening is sprake geweest van dwaling. Hierbij merkt hij op ten tijde van het aangaan van de overeenkomst een absolute leek op het gebied van beleggen te zijn geweest. Klager herhaalt nadrukkelijk zijn stelling dat hij naar aanleiding van de gedaalde koersen heeft getelefoneerd met verweerder. Tijdens dit gesprek werd hij gerustgesteld met de mededeling dat een koersdaling wel vaker voorkomt aan het eind van het jaar. Klager voelt zich door deze mededeling op het verkeerde been gezet. Met betrekking tot de periode tussen ontvangst van de overeenkomst en retourzending hiervan aan verweerder, stelt klager deze te hebben benut voor overleg met zijn tussenpersoon.
AANVULLEND VERWEER
In aanvulling op zijn eerdere verweer en naar aanleiding van de reactie hierop van klager, licht verweerder zijn stellingen omtrent de aansprakelijkheid voor de tussenpersoon en de gevolgen van het eventueel toewijzen van de eis als volgt toe.
Verweerder herhaalt zijn stelling dat hij niet aansprakelijk is voor de gedragingen van zijn tussenpersoon. Deze tussenpersoon is onafhankelijk en geen vertegenwoordiger van verweerder. Verweerder verwijst hierbij naar eerdere uitspraken van de Commissie (KCD 01-140, 28 juni 2001, KCD 00-124, 26 oktober 2001) en de Geschillencommissie Bankzaken (BAN-D01/0703, 15 augustus 2002). Tevens wijst verweerder op een ongepubliceerde uitspraak van de rechtbank te Utrecht
(7 mei 2003, zaaknr./rolnr. 141282/HAZA 02-264) en een gepubliceerde uitspraak van dezelfde rechtbank (7 mei 2003, JOR 2003, 151). In deze zaken neemt de rechtbank een eigen verantwoordelijkheid van de tussenpersoon aan die uitsluitend tot diens aansprakelijkheid leidt, ongeacht de verhouding tussen belegger en diens contractspartij. Verweerder wijst voorts op het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam van 24 juli 2003, waarin wordt overwogen dat de bank in beginsel niet aansprakelijk is voor adviezen van haar tussenpersoon, en op een uitspraak van de rechtbank te Den Haag van 30 juli 2003 onder nr. 02.3563, waarin de tussenpersoon als zelfstandig adviseur optrad en diens nalaten niet aan de bank wordt toegerekend.
Voorts stelt verweerder met betrekking tot de gevolgen van een eventuele ontbinding of vernietiging van de lease-overeenkomst dat klager hierbij geen belang heeft. Verweerder wijst hierbij op artikel 6:278 BW, waaruit naar zijn opvatting voortvloeit dat klager, bij ongedaanmaking van de overeenkomst, de opgetreden waardedaling van de aandelen aan verweerder zal dienen te vergoeden. Nu het doel van dit artikel is een speculatief gebruik van een bestaande vernietigings- of ontbindingsmogelijkheid tegen te gaan, zal klager bij vernietiging dan wel ontbinding van de lease-overeenkomst aan verweerder het bedrag verschuldigd zijn waarmee de aandelen in waarde zijn gedaald. Daarom heeft klager bij een dergelijke ongedaanmaking geen belang. Verweerder wijst er hierbij op dat aannemelijk is dat wijziging in de waardeverhouding van de over en weer te leveren prestaties de reden van het beroep op de vernietigingsmogelijkheid is.
REACTIE OP HET AANVULLEND VERWEER
Bij schrijven van 5 september 2003 heeft de advocaat van klager namens deze de klacht aangevuld met de volgende stellingen. De effectenlease-overeenkomst zoals klager die is aangegaan, past niet in de financiële situatie van klager, die slechts een modaal inkomen geniet. Als gevolg van het contract is klager in een benarde financiële situatie geraakt. Hij is genoodzaakt zijn huis te verkopen. Verweerder had moeten nagaan of klager een lening in de omvang waarin die is gesloten wel had kunnen aflossen. Door zulks na te laten is verweerder in zijn zorgplicht tekortgeschoten.
Voorts had verweerder, toen tijdens het telefoongesprek bleek dat klager niet goed geïnformeerd was omtrent het product, moeten zorgdragen voor het alsnog verstrekken van volledige en juiste informatie.
Ten aanzien van de ‘logs’ die verweerder bijhoudt van telefoongesprekken met cliënten, stelt klager het volgende. De authenticiteit van een bij het verweerschrift gevoegde ‘log’ is voor klager niet te verifiëren. Klager meent dat deze ‘log’ slechts kan uitwijzen dat er tussen 6 december 2000 en 5 april 2001 hetzij geen telefoongesprekken zijn gevoerd, hetzij telefoongesprekken niet zijn geregistreerd. Volgens klager toont de ‘log’ slechts aan dat klager op 5 april 2001 met verweerder heeft gebeld, en blijkt daaruit niet dat klager in december 2000 of januari 2001 geen telefonisch contact met verweerder heeft opgenomen. Klager meent dat aan de log geen bewijswaarde toekomt.
Met betrekking tot de stelling van verweerder dat deze niet aansprakelijk is voor uitlatingen van de tussenpersoon, behoudens bijzondere omstandigheden, merkt klager het volgende op. Zijns inziens doen dergelijke omstandigheden zich hier voor. Bij brief van 5 januari 2001 bedankte verweerder zijn cliënten voor het in hem en de tussenpersoon gestelde vertrouwen. Voorts heeft verweerder klager, nadat deze diverse malen om uitleg heeft gevraagd, doorverwezen naar de tussenpersoon. Daarom wijst verweerder, door zich thans van de tussenpersoon te distantiëren, ten onrechte aansprakelijkheid voor diens gedragingen en uitlatingen af.
Op verweerders stelling dat klager in verband met het in art. 6:278 BW bepaalde geen belang heeft bij de gevorderde ontbinding van de overeenkomst, reageert klager dat hij een leek op juridisch gebied is. De door hemzelf opgestelde klacht dient aldus verstaan te worden – en in zoverre wordt de vordering gewijzigd – dat klager primair op de voet van art. 6:103 BW vordert dat verweerder hem terugbrengt in de positie waarin hij verkeerde vóór hij het contract sloot. Dat houdt in dat verweerder al hetgeen klager hem heeft betaald dient terug te betalen en de lening, c.q. overeenkomst moet worden beëindigd. In subsidiaire zin vordert klager dat verweerder hem een door de Commissie passend geachte schadevergoeding betaalt.
Voorts verzoekt klager de Commissie te bepalen dat verweerder een bijdrage aan de door klager gemaakte kosten voor rechtsbijstand zal betalen.
BEHANDELING TER ZITTING
Desgevraagd verklaart klager niet te zijn aangesloten bij X.
Partijen volharden, overeenkomstig door hun raadslieden overgelegde pleitaantekeningen, in alle opzichten in hun standpunten, en merken nog het navolgende op.
Verweerder stelt dat de Commissie de klacht niet in behandeling kan nemen aangezien de overeenkomst nog niet is geëindigd.
Ten aanzien van de inhoud van de klacht merkt verweerder op dat zij in wezen gericht lijkt te zijn tegen de selectie van fondsen (Koninklijke Olie, KPN en Aegon) in de overeenkomst. De koersontwikkeling van deze fondsen, zeker de dramatische daling in de periode dat klager de overeenkomst wel reeds had ontvangen maar nog niet had geretourneerd, heeft ook verweerder niet kunnen voorzien.
Verweerder zet de gang van zaken bij het sluiten van een contract uiteen. Cliënten geven op het aanvraagformulier aan wat het gewenste maandbedrag is. Op grond daarvan bepaalt verweerder wat de hoofdsom is. Vervolgens wordt aan de hand van de aandelenkoersen op het moment van opmaken van het contract bekeken hoeveel aandelen er van ieder fonds in het mandje komen. Op diezelfde dag worden die aandelen ook daadwerkelijk gekocht, maar de cliënt heeft dan nog geen afnameverplichting. Verweerder loopt dus koersrisico op de aandelen, mocht de cliënt het contract niet ondertekenen. Vervolgens wordt het contract aan de cliënt verzonden, met het verzoek dit getekend te retourneren. Het is dan aan de cliënt om te beslissen of hij dit wenst te doen. De aankoopkoersen zijn duidelijk kenbaar. Op de cliënt rust geen enkele druk de overeenkomst te tekenen.
Het had klager derhalve vrijgestaan de overeenkomst, gezien de koersontwikkeling, niet te tekenen.
Verweerder betwist dat hij klager heeft medegedeeld ‘dat het allemaal wel goed zou komen’. Verweerder weerspreekt ook dat hij er bij klager op heeft aangedrongen de overeenkomst te tekenen. Uit de logs die verweerder van telefoongesprekken met cliënten bijhoudt, blijkt hiervan niet.
Voorts merkt verweerder op dat klagers advocaat eerst in een laat stadium van de schriftelijke voorbereiding van de behandeling de klacht heeft uitgebreid met de stelling dat de overeenkomst niet bij de financiële situatie van klager paste, en verweerder daaromtrent een verwijt valt te maken. In de oorspronkelijke klacht was dit geen punt van kritiek. Verweerder betwist dat hij tot een onderzoek naar klagers financiële omstandigheden gehouden was. Klager heeft overigens niet hardgemaakt dat de stelling juist is. Gelet op de aard van de dienstverlening behoefde verweerder geen beleggers- of risicoprofiel op te maken.
Verweerder herhaalt dat uit art. 6:278 BW voortvloeit dat klager het verlies op de aandelen zelf dient te dragen, nu hij zonder de opgetreden waardedaling geen ‘stoot tot ongedaanmaking’ zou hebben gegeven.
Verweerder benadrukt dat het aanbieden van de effectenleaseconstructie als vorm van dienstverlening nog minder inhoudt dan een ‘execution only-relatie’, zodat zijn zorgplicht niet overeenkomt met hetgeen bij een dergelijke relatie van een effecteninstelling gevergd kan worden.
De Commissie merkt op dat verweerder blijkens de stukken een zogenaamde ‘BKR-toets’ heeft uitgevoerd, en verzoekt verweerder uiteen te zetten hoe die vorm van onderzoek zich verhoudt tot verweerders stelling dat hij in verband met de aard van het aangeboden effectenleaseproduct op geen enkele wijze verplicht was zich van de financiële omstandigheden van de wederpartij te vergewissen.
Verweerder antwoordt daarop dat de ‘BKR-toets’ alleen wordt uitgevoerd in verweerders eigen belang, teneinde het debiteurenrisico te beperken dat verweerder loopt omdat hij de belegging financiert. In gevallen waarin met de overeenkomst een te financieren bedrag van ƒ 100.000 of hoger was gemoeid, verzocht verweerder het BKR een kredietwaardigheidstoets te verrichten. Indien de overeenkomst een lager bedrag betrof heeft hij alleen navraag naar betalingsachterstanden gedaan. Verweerder stelt nadrukkelijk dat in het uitvoeren van de ‘BKR-toets’ niet de erkenning besloten ligt dat verweerder een verantwoordelijkheid draagt voor de bestedingsruimte van zijn wederpartij.
De Commissie vraagt verweerder voorts toe te lichten hoe zijn stelling dat de klacht niet in behandeling genomen kan worden omdat de overeenkomst nog loopt, zich verhoudt tot zijn stelling dat klager bij ontbinding van de overeenkomst hoe dan ook het koersverlies op de aandelen zal moeten dragen in verband met het bepaalde in art. 6:278 BW.
Verweerder meent dat die stellingen niet onverenigbaar zijn, daar art. 6:278 BW ook toepasselijk is op een nog lopende overeenkomst indien de in deze bepaling bedoelde wederprestatie reeds is geleverd.
Klager merkt, naar aanleiding van verweerders betoog dat klager bedenktijd heeft gekregen en ook genomen alvorens hij de overeenkomst getekend retourneerde, en dat het klager vrijstond om de overeenkomst niet te tekenen, op dat in het hem toegezonden contract slechts summier is aangeduid dat hij ervan af kon zien door het stuk niet binnen dertig dagen ondertekend terug te sturen. Klager voelde zich verplicht door de mededeling dat de aandelen reeds waren aangekocht. Uit het contract heeft klager niet kunnen opmaken dat verweerder eventueel, indien klager de overeenkomst niet binnen de gestelde termijn ondertekend terug zou zenden, de kosten van aankoop van de aandelen voor zijn rekening zou nemen.
Klager verklaart dat hij, in verband met de koersdaling van het fonds Aegon, op 7 december 2000 een informatienummer heeft gebeld omdat zijn tussenpersoon niet bereikbaar was. Dat informatienummer was vermeld in een brief die verweerder bij de aan klager toegezonden overeenkomst had gevoegd. In dat telefoongesprek is klager verzekerd dat een koersdaling tegen het einde van het jaar normaal was en dat het in het nieuwe jaar weer goed zou komen.
Klager stelt dat het feit dat verweerder tijdens het telefoongesprek heeft verwezen naar informatie van de tussenpersoon een bijzondere omstandigheid vormt, op grond waarvan de informatieverstrekking van deze tussenpersoon wél aan verweerder kan worden toegerekend.
Verder stelt klager dat hem pas nadat hij de overeenkomst ondertekend had geretourneerd een folder en een brochure betreffende de effectenleaseconstructie is toegestuurd.
Klager blijft erbij dat verweerder zijn belangen onvoldoende in het oog heeft gehouden en daarmee de op verweerder rustende zorgplicht heeft verzaakt, zowel bij het aangaan van de overeenkomst als tijdens de looptijd ervan. Verweerder was op grond van art. 28 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 gehouden informatie in te winnen omtrent de financiële positie van cliënten. Het (wat verweerder noemt) ‘kant en klare’ karakter van het aangeboden product doet hieraan volgens klager niet af. Gezien klagers financiële situatie had het product hem niet mogen worden aangeboden.
ONTVANKELIJKHEID VAN DE KLACHT
Het ter zitting gevoerde verweer dat de klacht niet in behandeling genomen kan worden omdat de overeenkomst (ten tijde van het indienen van de klacht) nog liep, en niet met zekerheid kan worden vastgesteld tot welk bedrag klager bij het beëindigen van de overeenkomst verlies zal leiden, gaat niet op. Die stelling kan hooguit raken aan de bepaling van de schadeomvang, maar niet aan de bevoegdheid van de Commissie om de klacht, zoals zij thans is ingediend, in behandeling te nemen, en (behoudens ingeval zou blijken dat de schade niet tenminste € 250 bedraagt) evenmin aan de ontvankelijkheid van klager.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
1.1. De klacht houdt in de eerste plaats in dat verweerder zodanig tekortschietende informatie heeft verschaft ten aanzien van de aard en de risico’s van het aangeboden effectenleaseproduct, dat het klager bij het aangaan van de overeenkomst niet duidelijk was dat de kans bestond dat hij na ommekomst van de leasetermijn niet alleen de inleg kwijt zou zijn, maar bovendien een aanzienlijke (rest)schuld aan verweerder zou blijken te hebben.
Daaraan heeft klager de gevolgtrekking verbonden dat hij de lease-overeenkomst niet zou zijn aangegaan indien verweerder hem adequaat zou hebben ingelicht.
1.2. Voorts berust de klacht op de stelling dat verweerder verwijtbaar heeft nagelaten zich ervan te vergewissen of het effectenleaseproduct, in de toegepaste omvang, gelet op klagers bestedingsruimte of financiële omstandigheden voor deze een geschikte vorm van beleggen vormde.
1.3. Met betrekking tot laatstgenoemde stelling heeft klager ter zitting aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met art. 28 van de Nadere Regeling toezicht effecten-verkeer 1999 (thans art. 28 van de Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002), nu verweerder zowel bij het aangaan van de overeenkomst als gedurende de looptijd daarvan heeft nagelaten zich te vergewissen van klagers bestedingsruimte.
2.1. In het gevoerde verweer staat centraal dat de zorgvuldigheidseisen die in het algemeen gelden bij het aanbieden of verrichten van effectendienstverlening volgens verweerder niet toepasselijk zijn in verband met het aangeboden effectenleaseproduct. Dat leidt verweerder af uit de omstandigheid dat de aangeboden effectenleaseconstructie een ‘kant en klaar product’ is, waarmee verweerder wil zeggen dat de aangeboden constructie een overeenkomst vormt waarin de rechten en verplichtingen van partijen volledig zijn vastgelegd. Omdat de cliënt vóór het einde van de overeenkomst geen enkele nadere beleggingsbeslissing behoeft te nemen, en advisering ten aanzien van beleggingshandelingen dus ook niet aan de orde kan zijn, vloeien uit de overeenkomst, aldus verweerder, voor hem nog minder verplichtingen voort dan uit een zogenaamde ‘execution only’ beleggingsrelatie. Naar de mening van verweerder moet derhalve met name het bepaalde in art. 28 Nadere Regeling buiten toepassing blijven.
2.2. Ten aanzien van de informatie die over het onderhavige effectenleaseproduct is gegeven stelt verweerder dat het door hem uitgegeven documentatiemateriaal, waarover klager kon beschikken, in voldoende mate duidelijk maakt welke de aard van het product en de daaraan verbonden risico’s zijn. Het materiaal heeft in het bijzonder voldoende informatie verschaft waaruit blijkt dat het gaat om een lening en dat de afnemer van het product, afhankelijk van het koersverloop, een schuld aan verweerder kan overhouden. Dit nadelige verschil tussen de aan- en verkoopwaarde van de aandelen wordt hierna aangeduid als restschuld.
Verweerder heeft voorts gesteld dat hij slechts verantwoordelijk gehouden kan worden voor de inhoud van door hemzelf uitgegeven documentatiemateriaal, en niet voor uitlatingen die een tussenpersoon jegens klager zou hebben gedaan.
3.1. Bij de beoordeling van de klacht dient te worden vooropgesteld dat de door verweerder aangeboden effectenleaseconstructie impliceert dat verweerder op kosten van de wederpartij aandelen aankoopt, terwijl voor de wederpartij het resultaat van de constructie afhankelijk is van het rendement van die belegging in aandelen. Daarom moet worden aangenomen dat verweerder bij het aanbieden en uitvoeren van de overeenkomst is opgetreden als effectenbemiddelaar in de zin van art. 1, b, 1o Wte 1995. Hieruit vloeit voort dat verweerder jegens zijn wederpartijen de bijzondere zorg dient te betrachten waartoe een effecteninstelling als professionele en op het terrein van de effectenhandel bij uitstek deskundig te achten dienstverlener in het algemeen gehouden is.
3.2. Met betrekking tot de verschafte schriftelijke informatie omtrent het aangeboden effectenleasepro-duct heeft het volgende te gelden.
3.2.1. De onderhavige effectenleaseconstructie vormt een samengestelde overeenkomst die voor het brede publiek waarop verweerder zich kennelijk richtte niet eenvoudig te doorgronden is. Het aangeboden product kent bovendien een bijzonder risico, voortvloeiend uit het onzekere koersverloop van de aan te kopen effecten tot aan het moment waarop die effecten door verweerder verkocht, dan wel aan de cliënt overgedragen zullen worden. Na ommekomst van de termijn waarvoor de overeenkomst is aangegaan, resteert een schuld indien de te verkopen of aan de cliënt over te dragen aandelen minder waard zullen zijn dan het bedrag waarvoor de aandelen zijn aangekocht, welk bedrag klager van verweerder heeft geleend. De kans dat de aandelen die op grond van de overeenkomst zijn aangekocht in de periode waarvoor deze is gesloten in waarde zouden dalen, is immers geenszins denkbeeldig. De omvang van deze (rest)schuld kan onder omstandigheden zelfs gelijk zijn aan dit bedrag, aangezien niet valt uit te sluiten dat de onderliggende aandelen op de einddatum van de overeenkomst waardeloos zullen zijn geworden.
Een en ander brengt mee dat verweerder behoorde toe te zien op een adequate voorlichting van potentiële afnemers van het effectenleaseproduct.
Dat wordt niet anders doordat verweerder het effectenleaseproduct veelal via tussenpersonen op de markt heeft gebracht. Juist de omstandigheid dat verweerder zich ten aanzien van de voorlichting aan potentiële wederpartijen in belangrijke mate afhankelijk heeft gemaakt van tussenpersonen brengt naar het oordeel van de Commissie mee dat verweerder de door hemzelf beschikbaar gestelde informatie zodanig diende in te richten dat de voorlichting aan potentiële wederpartijen juist en volledig is, en dat daarin voldoende duidelijk wordt gewezen op de mogelijkheid dat niet alleen de inleg – het totaal aan (eventueel bij vooruitbetaling voldane) rentebetalingen – verloren kon gaan, maar daarenboven bij het einde van de overeenkomst een schuld aan verweerder kon resteren.
3.2.2. Van een belegger als klager die van de aanprijzing van het effectenleaseproduct kennis heeft genomen dient gevergd te worden dat hij het beschikbaar gestelde materiaal met de nodige nauwlettendheid bestudeerde. Maatstaf daarbij is de verwachting van een niet ter zake deskundige, doch aandachtige en oplettende consument. Deze maatstaf dient ook aangelegd te worden ten aanzien van de voorlichting over een tamelijk complexe beleggingsconstructie, aangezien de beslissing om een bedrag – dat bezien tegen de achtergrond van inkomens- en vermogenspositie van de betrokkene veelal niet onaanzienlijk is – in effecten te beleggen een eigen verantwoordelijkheid voor de belegger meebrengt. Van klager mag dus worden verwacht dat deze met de nodige aandacht en oplettendheid kennis heeft genomen van de schriftelijke stukken en zich rekenschap heeft gegeven van de inhoud daarvan.
3.2.3. Blijkens de aan de Commissie overgelegde stukken was het de bedoeling van verweerder dat klager, alvorens deze het contract ondertekende, heeft beschikt over een door verweerder ter beschikking gestelde brochure, welke bedoeling overigens niet steeds is gerealiseerd.
Klager heeft onweersproken gesteld dat hij eerst na het retourneren van de ondertekende overeenkomst een folder en een brochure van verweerder heeft ontvangen. Partijen hebben de tekst van die folder en die brochure niet aan de Commissie voorgelegd.
Het is de Commissie bekend dat in het informatiemateriaal betreffende het onderhavige effectenleaseproduct dat verweerder placht te verstrekken sterk de nadruk wordt gelegd op een verwachting van aanhoudend gunstige rendementen op aandelenbeleggingen.
Naar het oordeel van de Commissie kan niet worden gezegd dat, op het moment waarop verweerder deze informatie beschikbaar stelde, in deskundige kring de stellige verwachting bestond dat de aandelenkoersen een aanhoudende en min of meer belangrijke stijging zouden blijven vertonen. De suggestie van bestendige koersstijgingen tot het moment waarop de effectenleaseconstructie tot uitkering zou moeten komen, zoals in de door verweerder beschikbaar gestelde informatie wordt gedaan, weerspiegelt een grotere zekerheid dan verantwoord is. Van een effectendeskundige moet immers worden verwacht dat hij ook rekening houdt met langdurige en ingrijpende koersdalingen. Dit klemt te meer omdat de door verweerder uitgegeven informatie wel buitengewoon nauwgezet bestudeerd en nagerekend moet worden om te beseffen dat alleen al om de kosten van de geldlening te evenaren tamelijk grote koersstijgingen vereist zouden zijn. Daar staat tegenover dat deze informatie duidelijk de waarschuwing inhield dat in het verleden behaalde rendementen geen garantie voor de toekomst bieden en dat de waarde van beleggingen in aandelen kan fluctueren; dusdoende is erop gewezen dat het beleggen in aandelen risico’s meebrengt en een garantie van koersstijgingen niet gegeven kon worden, waardoor de suggestie van bestendige koersstijgingen tot op zekere hoogte wordt gerelativeerd.
3.2.4. De Commissie heeft vastgesteld dat in de door klager ondertekende overeenkomst, waarvan klager tevoren kennis heeft kunnen nemen, uitdrukkelijk is vermeld welk bedrag de “(totale) lease-som” beslaat, bestaande uit een hoofdsom en daarover verschuldigde rente, door klager in beginsel te voldoen door maandelijkse betalingen. Ook is in die overeenkomst ondubbelzinnig te vinden dat verweerder voor het bedrag van de hoofdsom aandelen zal verwerven die aan klager geleverd worden onder de voorwaarde dat klager aan al de verplichtingen jegens verweerder zal hebben voldaan en dat het restant van de hoofdsom zal worden verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden.
Naar het oordeel van de Commissie heeft klager uit de tekst van de voorwaarden van deze overeenkomst redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat de ‘lease-som’ een geldlening betreft, die geheel – hoofdsom plus rente – aan verweerder (terug)betaald moet worden, waarbij de door verweerder aangekochte en voorwaardelijk aan klager geleverde aandelen op het overeengekomen tijdstip aangewend konden worden om het nog resterende bedrag van de schuld te voldoen.
3.2.5. Dit alles overziende, is de Commissie van oordeel dat de klacht, voor zover deze ertoe strekt dat klager in die mate onjuist is voorgelicht dat zich een wilsgebrek voordoet ten gevolge waarvan de overeenkomst vernietigbaar is, geen doel treft. Gelet op de inhoud van de overeenkomst en de daarbij gevoegde “Bijzondere Voorwaarden Effectenlease” waarover klager bij het aangaan van de lease-overeenkomst kon beschikken en in aanmerking genomen, enerzijds, de eisen die daaromtrent uit een oogpunt van informatieverschaffing aan verweerder moeten worden gesteld en, anderzijds, de mate van onderzoek die van klager mocht worden verwacht, kan niet met vrucht worden volgehouden dat klager in dwaling is gebracht of is misleid.
3.3. Voor zover de klacht inhoudt dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de financiële omstandigheden en de beleggingsdoeleinden van klager, geldt het volgende.
3.3.1. Verweerder heeft gesteld dat het aanbieden van het ‘kant en klare’ beleggingsproduct, waarin de wederzijdse verplichtingen volledig zijn vastgelegd, meebrengt dat de cliënt (tot aan het einde van de contractsduur) geen verdere beslissingen omtrent effectentransacties meer behoeft te nemen, zodat het ‘know your customer’ beginsel dat effecteninstellingen bij hun dienstverlening in het algemeen in acht moeten nemen, hier geheel buiten toepassing moet blijven.
De Commissie heeft hierboven reeds overwogen dat zij verweerder niet volgt in diens standpunt dat de zorgvuldigheidseisen die in het algemeen aan de dienstverlening van een effecteninstelling worden gesteld in het geheel niet toepasselijk zijn op het aanbieden van het onderhavige effectenleaseproduct. In het hiernavolgende zal de Commissie uiteenzetten waartoe de toepassing van die zorgvuldigheidseisen in dit geval moet leiden.
3.3.2. Uit de aard van de effectenleaseconstructie, zoals die is aangeboden, vloeit voort dat de potentiële belegger in belangrijke mate kon beoordelen of die constructie in beginsel geschikt was om aan zijn beleggingsoogmerk te voldoen. Het bedrag waarvoor in effecten wordt geïnvesteerd, de aard van die effecten en de duur van de investering zijn immers voor de belegger op voorhand volledig kenbaar. Dat neemt niet weg dat verweerder zich tenminste rekenschap behoorde te geven van de vraag of zijn potentiële wederpartij naar redelijke verwachting over voldoende bestedingsruimte zou beschikken om aan de uit het contract voortvloeiende verplichtingen te voldoen.
3.3.3. Derhalve heeft verweerder naar het oordeel van de Commissie in ieder geval ten aanzien van de bij zijn wederpartij redelijkerwijs te verwachten bestedingsruimte ontoereikende zorg betracht. In dat verband overweegt de Commissie het volgende.
De omvang van de op een effecteninstelling rustende zorgplicht wordt bepaald door hetgeen de eisen van de redelijkheid en billijkheid, naar de aard van de contractuele en feitelijke verhoudingen tussen de effecteninstelling en haar cliënt, meebrengen.
Ten aanzien van de feitelijke verhouding tussen verweerder en zijn cliënten stelt de Commissie in algemene zin vast dat de aard van de effectenleaseconstructie en de wijze waarop die aan het brede publiek is aangeboden meebrengen dat verweerder erop bedacht diende te zijn dat tot zijn wederpartijen personen zouden behoren die niet over voldoende belangstelling voor, en inzicht in, beleggen beschikken om zich zelfstandig in effectentransacties te begeven. Weliswaar heeft de Commissie in het voorgaande vastgesteld dat klager uit de tekst van de door hem ondertekende overeenkomst en de daarbij gevoegde “Bijzondere Voorwaarden Effectenlease” redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat, afhankelijk van de waarde van de aandelen bij het expireren van de overeenkomst, een restschuld kon overblijven, doch verweerder had er rekening mee behoren te houden dat zijn wederpartij in het algemeen niet besefte en behoefde te beseffen in welke mate koersfluctuaties kunnen optreden.
Verweerder daarentegen had zich, als professionele en op dit terrein bij uitstek deskundig te achten dienstverlener, rekenschap moeten geven van de geenszins denkbeeldige kans dat zich ook langdurige koersdalingen zouden voordoen in de omvang waarin deze zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. Bovendien vloeit uit de wijze waarop verweerder de effectenlease-overeenkomst tot stand heeft doen komen voort dat hij zich in de onmogelijkheid heeft gebracht om na te gaan of er in individuele gevallen geen wanverhouding zou ontstaan tussen de betalingsverplichting die zijn wederpartij op zich nam en diens inkomens- en vermogenspositie. Dat is niet in overeenstemming met de zorgvuldigheid die van verweerder als effecteninstelling gevergd diende te worden, mede omdat verweerder zich bij het aanbieden van het effectenleaseproduct heeft gericht tot een breed publiek en verweerder bij het sluiten van de overeenkomsten geen enkele beperking heeft aangebracht ten aanzien van de omvang van de betalingsverplichtingen die zijn wederpartijen op zich konden nemen.
3.3.4. Het voorgaande in aanmerking genomen is de Commissie van oordeel dat verweerder uit hoofde van de op hem rustende zorgplicht gehouden was, teneinde te voorkomen dat de wederpartij bij het einde van de overeenkomst zou worden geconfronteerd met een restschuld waarvan de omvang bij de aanvang niet is beseft, zodanige voorzieningen te treffen dat ook in het geval waarin de aandelenkoersen een langdurige en belangrijke daling zouden blijken te vertonen de voldoening van de restschuld verzekerd zou zijn. Een dergelijke voorziening zou getroffen kunnen zijn door hetzij de wederpartij een vorm van verzekering als bedoeld in art. 246 WvK aan te bieden, hetzij door het potentiële koersverlies af te dekken door middel van put-opties met een looptijd gelijk aan die van de overeenkomst met als uitoefenprijs de aankoopprijs van de aandelen.
Verweerders gehoudenheid een dergelijke voorziening aan te bieden, kan niet worden weggenomen door de overweging dat het aangeboden product daardoor minder aantrekkelijk gepresenteerd had kunnen worden. De omvang van het aan de effectenleaseconstructie verbonden risico, en de zorgvuldigheid die verweerder met het oog daarop diende te betrachten, brengen dat mee. Een zodanige voorziening is praktisch ook alleszins realiseerbaar; het is de Commissie bekend dat een andere aanbieder van effectenleaseconstructies inderdaad een zodanige verzekering tegen het resteren van een schuld heeft aangeboden, tegen betaling bij aanvang van het contract van de daarmee gepaard gaande kosten.
3.3.5. Verweerder heeft, in strijd met de op hem rustende zorgplicht, het aanbieden van een dergelijke voorziening achterwege gelaten. Dientengevolge is klager bij het aangaan van de overeenkomst niet in de gelegenheid gesteld maatregelen te treffen teneinde zich er van te verzekeren dat een restschuld –waarvan de omvang voor klager redelijkerwijs niet voorzienbaar was– voldaan zou kunnen worden. Daarvoor is verweerder aansprakelijk te houden.
3.3.6. Gezien het voorgaande kan de klacht voor zover deze is gestoeld op het door verweerder handelen in strijd met artikel 28 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer verder buiten beschouwing blijven.
Nu de Commissie klagers primaire vordering dat de overeenkomst zal worden vernietigd of ontbonden niet toewijst behoeft ook verweerders stelling dat klager in verband met het bepaalde in art. 6:278 BW daarbij geen belang kan hebben geen bespreking.
3.3.7. Rekening houdend met de omstandigheid dat een voorziening ter verzekering van de voldoening van de restschuld - zijnde het verschil tussen het bedrag waarvoor ter uitvoering van de overeenkomst aandelen zijn aangekocht en het bedrag dat die aandelen bij het beëindigen van de overeenkomst hebben opgebracht - kosten meegebracht zou hebben, stelt de Commissie de aan verweerder toe te rekenen schade naar redelijkheid en billijkheid - in het bijzonder gelet op de looptijd van het contract en de destijds geldende gemiddelde optieprijzen - vast op een bedrag gelijk aan het verlies dat klager bij beëindiging van de overeenkomst op de aandelen heeft geleden, verminderd met 15% van de aankoopwaarde van de aandelen (15% van € 43.115 is € 6.467).
4. Het voorgaande brengt mee dat het bedrag dat klager na het beëindigen van de overeenkomst ter zake van restschuld aan verweerder moet voldoen ten hoogste € 6.467 is.
Voor zover klager alsdan een groter bedrag aan restschuld aan verweerder heeft voldaan, dient verweerder het door klager méér betaalde te restitueren, te vermeerderen met rente gelijk aan de wettelijke rente, vanaf de dag waarop klager méér dan € 6.467 heeft betaald tot aan de dag van restitutie van dat meerdere.
Voorts dient verweerder ter zake van de door klager gemaakte kosten van rechtsbijstand aan hem te betalen een bedrag van € 2.500.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
UITSPRAAK
De Commissie stelt het bindend advies vast dat:
- klager na beëindiging van de overeenkomst ter zake van restschuld aan verweerder niet méér verschuldigd is dan € 6.467;
- voor zover klager een groter bedrag aan restschuld heeft voldaan, verweerder het méér betaalde
restitueert, dit bedrag te vermeerderen met rente gelijk aan de wettelijke rente, vanaf de dag waarop
klager méér dan € 6.467 heeft betaald tot aan de dag van restitutie van dat meerdere;
- verweerder ter zake van kosten van rechtsbijstand € 2.500 vergoedt.
Vorenstaande betalingen dient verweerder te verrichten binnen één maand na verzending van een afschrift van dit bindend advies aan partijen.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitspraak Klachtencommissie DSI nr. 11 d.d. 28 november 2003 (website d.d. 4 februari 2004)
(prof.mr. M.R. Mok, voorzitter, prof.drs. A.D. Bac RA, R.H.G. Mijné, G.J.P. Okkema en
mr. W.A.M. van Schendel)
INHOUD VAN DE KLACHT
De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager is op 3 januari 2001 met verweerder vijf aandelenlease-overeenkomsten voor de duur van drie jaar aange-gaan. Op grond van elk van deze overeenkomsten heeft verweerder voor klager drie pakketten aandelen aangekocht: het eerste pakket direct bij aanvang, het tweede aan het begin van het tweede contractjaar en het derde aan het begin van het derde contractjaar. Elk van de drie pak-ket-ten per overeenkomst had- dezelfde samenstelling en werd voor dezelfde prijs aangekocht. Klager dient op grond van twee van de overeenkomsten gedurende de looptijd van het contract maandelijk-se rentetermijnen van respectievelijk € 113,45 en € 112,50 te voldoen. De rente die hij op grond van de overige drie overeenkomsten was verschuldigd, respectievelijk € 7.371,00, € 7.349,76 en
€ 2.224,44, heeft hij bij vooruitbetaling voldaan. Na afloop van de contracten zal verweerder de aan-gekochte aandelen verkopen en zal klager hiervan de opbrengsten ontvangen. Klager zal het nadeli-ge verschil tussen de aankoop en de verkoop van deze aandelen aan verweerder moeten voldoen.
Klager stelt omtrent de totstandkoming van de overeenkomsten het volgende. Op 19 december 2000 heeft een adviseur van verweerder klager bezocht. Deze adviseur heeft enige uitleg gegeven over het product, waarbij hij naar klager stelt slechts over de winstmogelijkheden heeft gesproken. Eventueel verlies bracht hij niet ter sprake. In het slechtste geval zou klager geen winst maken op het contract; de maandelijkse inleg zou hij in ieder geval retour ontvangen. Klager stelt met deze ad-vi-seur te zijn overeengekomen dat zijn geld veilig zou worden belegd, mede gezien het feit dat het spaar-geld voor de kinderen betrof. De adviseur heeft hem medegedeeld dat het product veilig was en dat hij niet bang hoefde te zijn alles kwijt te raken. Klager besloot hierop tot het aangaan van de overeenkomsten.
Klager stelt dat, naar hem nu duidelijk is geworden, niet veilig is belegd. Hij wijst op het feit dat ver-weerder het tweede pakket aandelen telkens voor dezelfde prijs heeft aangekocht als het eerste, ter-wijl de koersen op dat moment lager stonden. Hierdoor heeft klager reeds bij aankoop van dit twee-de pakket een verlies geleden. Hij stelt dat verweerder hem onjuist heeft voorgelicht en wil op grond hiervan de overeenkomsten ongedaan maken. Klager verwijst hierbij naar een media-uitzending waar-in het desbetreffende leaseproduct aan de orde kwam.
Klager verzoekt de Commissie te bepalen dat hij gecompenseerd wordt voor het verlies dat hij op zijn overeenkomsten heeft geleden, door hem ten tijde van het indienen van de klacht begroot op
€ 25.078,40, alsmede dat de overeenkomsten ongedaan dienen te worden gemaakt.
INHOUD VAN HET VERWEER
Het verweer houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Met betrekking tot de twee overeenkomsten op grond waarvan klager maandelijks rente verschul-digd is, werpt verweerder de vraag op of klager voor dat deel van zijn klacht ontvangen kan worden. Klager heeft zich met betrekking tot deze klachten niet, overeenkomstig artikel 6.2 derde gedachte-streepje van het Reglement Klachtencommissie DSI, gewend tot verweerder alvorens zijn klacht aan de Commissie voor te leggen. Aanvankelijk heeft klager verweerder namelijk bericht deze twee over-eenkomsten te willen voortzetten, en klager heeft geen argumenten gegeven, anders dan de om-stan-dig-heid dat hij nadien voornoemde media-uitzending heeft gezien, waarom ook deze twee over-eenkomsten niet geldig zouden zijn. Daarom meent verweerder zich tegen dit onderdeel van de klacht niet te kunnen verweren.
Verweerder voert tegen het in behandeling nemen van de klacht nog als tweede bezwaar aan dat de overeenkomsten waarop de klacht betrekking heeft nog niet zijn geëindigd. Het is niet te voorspellen tot welk resultaat deze voor klager zullen leiden.
Niet is uitgesloten dat klager geen koersverlies zal leiden. Verweerder is van opvatting dat de Commissie daarom de klacht niet in behandeling kan nemen.
Met betrekking tot de inhoud van de klacht stelt verweerder het volgende. Verweerder heeft, bij mon-de van de voor hem werkzame adviseur, klager op 19 december 2000 tijdens een gesprek bij deze thuis uitgebreid voorgelicht over de risico’s die aan de verschillende leaseproducten zijn verbonden. Tijdens dit gesprek heeft verweerder ook gewezen op de risico’s die aan het onderhavige product zijn verbonden. Dit product heeft ten opzichte van andere door verweerder aangeboden leasepro-duc--ten een korte looptijd. Verweerder betwist dat zijn adviseur heeft gezegd dat het product altijd vei--lig zou zijn en dat daaraan geen risico’s zouden zijn verbonden. Naar aanleiding van klagers op-mer--king dat zijn investering spaargeld voor de kinderen betrof, merkt verweerder op dat klager dit tij-dens het gesprek niet kenbaar heeft gemaakt. Voorts heeft verweerder klager tijdens dit bezoek in-for-matiemateriaal betreffende het leaseproduct ter hand gesteld, waaronder een brochure. Klager heeft vervolgens, alvorens de overeenkomsten getekend retour te zenden, in alle rust kennis kunnen nemen van de inhoud ervan. Verweerder wijst op de van toepassing zijnde Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease die op de achterkant van de contracten zijn afgedrukt.
Verweerder is van mening klager voldoende te hebben voorgelicht over de werking en risico’s van de overeenkomsten. Hij wijst hierbij onder andere op de volgende passages uit de brochure. Onder het kopje “Einde en uitbetaling” in de brochure van het onderhavige leaseproduct staat vermeld dat de belegger de volledige opbrengst van de aandelen ontvangt, “slechts onder aftrek van de nog niet afgeloste hoofdsom”. Daarbij vermeldt de brochure onder het kopje “verlengingsgarantie” dat indien de aandelen onverhoopt minder opbrengen dan de verkoopprijs, het verschil dient te worden bijbe-taald. Onder het kopje “Let op” wordt voorts uitdrukkelijk gewezen op de financiële risico’s die zijn ver---bonden aan beleggen met geleend geld, de mogelijkheid van fluctuaties in de waarde van de be-leg-ging, het feit dat de gehanteerde rendementen zijn gebaseerd op rendementen uit het verle-den, welke geen garantie voor de toekomst bieden en op het feit dat de gehanteerde bedragen uit-sluitend als rekenvoorbeeld zijn bedoeld. Naar het oordeel van verweerder bevat de brochure vol-doende in-for-matie. Verweerder verwijst hierbij naar een eerdere uitspraak van de Commissie van 6 juni 2002, nr. 01-210; JOR 2002, 163 en een recente uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam. Tevens mag het risico van het kopen van aandelen met geleend geld algemeen be-kend worden verondersteld, waarbij verweerder verwijst naar een vonnis van de rechtbank te
‘s-Gravenhage, 30 juli 2003.
Verweerder stelt voorts dat niet alleen de brochure, maar ook de contracten zelf informatie over het aandelenleaseproduct bevatten. Hierin staat onder andere vermeld wat de totale leasesom is en waar-uit dit bedrag is opgebouwd. Tevens blijkt uit de contracten dat verweerder de geleende hoofd-som aan het einde van de looptijd in principe verrekent met de opbrengst van de waarden en dat het tweede pakket aandelen tegen dezelfde prijs wordt aangekocht als het eerste.
Resumerend is verweerder van mening dat hij klager via de brochure en de contracten tezamen in vol-doende mate heeft voorgelicht over de risico’s die zijn verbonden aan aandelenlease-overeen-komsten. Zoals klager ook stelt in zijn brieven, was hij op de hoogte van het feit dat de leasecontrac-ten, op grond waarvan maandelijks rente was verschuldigd, risico’s meebrachten. Hieruit volgt dat kla-ger ook op de hoogte moet zijn geweest van de risico’s die zijn verbonden aan de overeen-koms-ten waarbij hij de rentetermijnen vooruit heeft betaald. Alle lease-overeenkomsten die door klager zijn afgesloten zijn immers wat risico betreft gelijk, alleen de wijze van betalen verschilt.
Na op adequate wijze door verweerder te zijn voorgelicht over de risico’s heeft klager er welbewust voor gekozen de lease-overeenkomsten aan te gaan. Met deze overeenkomsten loopt hij zowel de goede kans op winst als de kwade kans op verlies. Het gaat niet aan nu de kwade kans op verweer-der af te wentelen.
Geheel subsidiair beroept verweerder zich op het in de overeenkomst opgenomen exoneratiebeding.
REACTIE OP HET VERWEER
In reactie op het verweer heeft klager zijn stellingen gehandhaafd en nader toegelicht voor zover hierna weergegeven.
Ten aanzien van de stelling van verweerder dat hij voldoende gelegenheid heeft gekregen de con-trac-ten en het bijbehorende informatiemateriaal te bestuderen, merkt klager het volgende op. Tijdens het bezoek van de adviseur van verweerder heeft hij direct aanvraagformulieren ondertekend. Hij be-schouwde deze aanvraagformulieren als voorlopige contracten. Het informatiemateriaal waarover hij op dat moment beschikte bestond slechts uit een folder die hij in zijn brievenbus had ontvangen.
Voorts heeft klager zijn klacht reeds ingediend vóórdat de media aandacht besteedden aan effecten-lease, zodat naar zijn mening het verwijt van verweerder dat hij slechts naar aanleiding hiervan klaagt ongegrond is. Hij heeft zich eerst later gerealiseerd dat aan de drie contracten waarbij hij de rente bij vooruitbetaling heeft voldaan hetzelfde risico verbonden is als aan de twee waarover hij de rente maandelijks voldoet. Zijn klacht richt zich tegen alle vijf de overeenkomsten.
Klager merkt op dat de adviseur van verweerder op vier van de vijf aanvraagformulieren de geboor-te-data van klagers minderjarige kinderen heeft ingevuld en de aanvragen op naam van de kinderen heeft ge-daan, zodat het verweerder niet ontgaan kan zijn dat die contracten betrekking hadden op spaargeld dat voor die kinderen was bestemd.
BEHANDELING TER ZITTING
Klager deelt mee dat hij is aangesloten bij X.
Het bezoek van de adviseur van verweerder heeft slechts een uur heeft geduurd. Dit bezoek vond plaats op verzoek van klager, naar aanleiding van een folder die klager per post had ont--vangen. Klager heeft de adviseur meegedeeld dat hij informatie wenste over de spaarvorm die naar zijn me-ning in de folder werd aangeprezen. De adviseur heeft bij deze gelegenheid enige uitleg gegeven over het product, waarbij hij geen aandacht besteedde aan het feit dat de beurskoersen op dat mo-ment reeds daalden. Klager stelt dat hij bij deze gelegenheid uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt een leek op het gebied van beleggen te zijn en onder geen beding een risicovolle belegging te willen doen. De adviseur heeft hem hierop geantwoord dat het product een volkomen veilige belegging was en klager desgevraagd nadrukkelijk verzekerd dat het enige risico dat klager liep was dat hij geen winst zou maken. De adviseur heeft desge-vraagd gezegd dat klager zonder meer zijn inleg zou te-rug--ontvangen. Een dergelijk minimumscena-rio achtte de adviseur echter zeer onwaarschijnlijk om-dat gezien de te verwachten stijging van de aande-len-koersen een rendement van ca. zestien procent was te verwachten. In dit verband heeft de advi-seur opgemerkt dat klager een dief van zijn eigen por--temonnee zou zijn indien hij de contracten niet zou sluiten en het geld op een gewone spaarreke-ning liet staan. Over de mogelijkheid van een restschuld is in het geheel niet gesproken. De adviseur heeft geen brochures of ander voorlichtings-materiaal ter hand gesteld. Hij heeft klager ook niet in de gelegenheid gesteld aan de hand van zulk materiaal nog eens na te denken over het aangaan van contracten, maar integendeel na het gesprek alle documentatie, ook de brochure, weer meegeno-men. Klager deelt mee dat de aanvra-gen voor de vijf contracten direct tijdens dit bezoek zijn onderte-kend, één ten name van hemzelf en door hem ondertekend en vier die door de adviseur op naam wer--den gesteld van zijn kinderen. De adviseur van verweerder heeft de kinderen bij deze gelegen-heid gesproken en geïnformeerd naar hun geboortedatum. De destijds zestienjarige dochter heeft de op haar naam gestelde aanvraag zelf ondertekend; voor de jongere kinderen tekende klager deze for--mulieren. Klager ontving naar aan-leiding van deze aanvragen vijf contracten; één op zijn eigen naam en vier op naam van zijn kinde-ren. Deze contracten heeft klager alle zelf ondertekend. Het be-trof echter spaargeld van de destijds zestienjarige dochter zelf en hetgeen klager en zijn echtgenote hadden gespaard voor de kinderen.
Klager wijst op het feit dat de totale opbrengst van de aandelen naar de huidige schatting ca.
€ 124.000 minder zal bedragen dan het bedrag dat hij ter financiering van de aankoop van verweer-der heeft geleend, zodat een schuld gelijk aan dit bedrag zal resteren. Klager stelt dit bedrag onmo-ge--lijk te kunnen betalen. Gezien de nog korte looptijd van de overeenkomsten ligt een (veel) minder ongunstige opbrengst niet in de lijn der verwachting. Klagers echtgenote wijst er nog op dat klager en zijzelf slechts een beperkte schoolopleiding hebben genoten en daarop afgestemde, relatief laag betaalde, werkkringen hebben vervuld.
Op een vraag uit de Commissie deelt verweerder mee dat de bedoelde adviseur destijds als werk-nemer bij hem in dienst was. Inmiddels is dat echter niet meer het geval, zodat het voor verweerder onmogelijk was het onderhavige geschil met deze te bespreken. Bij gebrek aan wetenschap betwist verweerder het-geen klager stelt omtrent de gang van zaken tijdens het huisbezoek.
Verweerder herhaalt zijn stelling dat de informatie zoals hij die in de brochure heeft verstrekt vol-doen--de duidelijk is over de kenmerken en risico’s van het product. Hij wijst op het feit dat klager stelt slechts een folder per post te hebben ontvangen, maar in eerdere correspondentie refereert aan een brochure. Mocht klager de brochure niet hebben gelezen, dan verliest hij naar de mening van ver-weer-der het recht erover te klagen dat hij niet wist dat hij met geleend geld heeft belegd. Verweerder wijst voorts op het feit dat de aanvraagformulieren op zich geen verplichtingen in het leven roepen. Eerst bij ondertekening van de contracten komt een overeenkomst tot stand. Het feit dat verweerder de aandelen reeds ten tijde van het opmaken van het contract aankoopt, doet hieraan niet af. Ten slotte merkt verweerder op dat de klacht hem lijkt ingegeven door de gedaalde beurskoersen. Dit risi---co dient echter voor rekening van klager te komen, hetgeen ook duidelijk in de brochure vermeld staat.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Op 19 december 2000 heeft een medewerker van verweerder klager op diens verzoek, naar aanlei-ding van een per post ontvangen folder, thuis bezocht, waarbij, naar verweerder niet heeft weerspro-ken, de desbetreffende aanvraagformulieren zijn ingevuld en ondertekend. Klager stelt dat deze ad-vi-seur hem toen heeft medegedeeld dat de onderhavige aandelenlease een veilige belegging was, dat het enige risico dat klager liep was dat hij geen winst zou maken, dat hij in ieder geval zijn inleg zou terugontvangen en dat te verwachten was dat de contracten een rendement van circa zestien pro-cent zouden ople-veren. Volgens klager heeft de adviseur geen brochure of nader voorlichtings-ma-teriaal ter hand gesteld en hem niet gewezen op de risico's die het product meebracht.
Op 3 januari 2001 heeft klager met verweerder vijf aandelenlease-overeenkomsten gesloten. Deze overeenkomsten zijn te kwalificeren als strekkende tot huurkoop van aandelen. Van deze transacties is telkenmale een akte opgemaakt overeenkomstig artikel 7A:1576i BW die voldoet aan de vereisten van artikel 7A:1576j BW. Op grond van deze vijf - afgezien van de wijze van rentebetaling en de be-dra-gen waarvoor zij zijn gesloten - gelijksoortige overeenkomsten werden, met tussenpozen van één jaar, driemaal aandelen gekocht tegen de koers van de eerste aankoop.
De Commissie overweegt als volgt. Zij verwerpt de verweren, inhoudende dat zij de klacht geheel of gedeeltelijk niet in behandeling kan nemen. Het moet verweerder duidelijk zijn geweest dat klager wil--de klagen over alle vijf contracten. Dat zulks niet duidelijk bleek uit de brief waarin klager verweer-der aansprakelijk heeft gesteld, heeft verweerder niet in zijn verweermogelijkheden beperkt. Dat de contracten nog niet zijn geëindigd en niet te voorspellen is tot welk resultaat deze voor klager zullen leiden, staat evenmin aan behandeling van de klacht in de weg. Die stelling kan hooguit raken aan de bepaling van de schadeomvang, maar niet aan de bevoegdheid van de Commissie om de klacht in behandeling te nemen en evenmin aan de ontvankelijkheid van klager. Daarenboven heeft klager ‘ongedaanmaking’ gevorderd, hetgeen ook tijdens de looptijd mogelijk is.
Tegenover de gedetailleerde weergave van hetgeen volgens klager de adviseur van verweerder tij-dens het huisbezoek aan klager heeft meegedeeld, heeft ver-weerder slechts doen weten dat hij de geschetste gang van zaken bij gebrek aan wetenschap be-twist. Verweerder moet echter in staat wor-den geacht aan de hand van aan zijn medewerker gegeven instructies of door deze gemaakte aante-keningen op zijn minst globaal inzicht te verschaf-fen in hetgeen door de medewerker is of pleegt te worden meegedeeld tijdens huisbezoeken als het onderhavige. Doordat verweerder zulks heeft nagelaten, heeft hij onvoldoende gemotiveerd weerspro-ken hetgeen klager over de inhoud van dit gesprek heeft aangevoerd, zodat de Commissie zal uit-gaan van de lezing die klager gegeven heeft.
Met die concrete feitelijke gang van zaken tot uitgangspunt is in het onderhavige geval niet aanne-me-lijk geworden dat verweerder, die gebruik heeft gemaakt van een agressieve verkoopmethode en geen rekening heeft gehouden met klagers persoonlijke omstandigheden, bij het totstandkomen van de vijf overeenkomsten in voldoende mate de belangen van klager in het oog heeft gehouden. Zo heeft verweerder klager voorgespiegeld dat deze in ieder geval zijn inleg zou terugontvangen en hem slechts gewezen op de te realiseren winst, zonder dat klager op het koersrisico is gewezen. Als verweerder klager op het risico van koersdalingen had gewezen, had klager zich daarover zelf een oordeel kunnen vormen, of om (nader) advies kunnen vragen.
Onvoldoende is gebleken dat verweerder klager heeft voorgelicht over de bijzondere risico’s die wa-ren verbonden aan de huurkoopovereenkomsten zoals verweerder die klager heeft aange-boden, met name op het risico dat een schuld zou resteren. Van de constructie van deze overeenkomsten maakten immers twee termijncontracten tot aankoop van effecten deel uit, waarbij niet alleen de even---tuele winst, maar ook eventueel verlies vermenigvuldigd zou worden. Verweerder heeft welis-waar in de brochure met betrekking tot de huurkoopovereenkomsten - al aangenomen dat de door verweerder overgelegde brochure de folder is die door klager per post is ontvangen - de termijncon-structie uiteengezet, maar daarbij heeft hij de nadruk gelegd op de winst die ermee te beha-len valt. Over het verliesrisico heeft hij slechts in algemene termen gestelde waarschuwingen opge-no-men. De door de adviseur in dit geval gegeven informatie heeft deze waarschuwingen, zo zij op zichzelf al voldoende duidelijk waren, tenietgedaan. Verweerder heeft klager over het spe-ci-fieke verliesrisico van de betrokken overeenkomst dan ook onvoldoende voorge-licht. De ten dienste van de aanvragen gegeven onvolledige en daardoor misleidende informatie als hiervoor weergege-ven was van dien aard, dat klager redelijkerwijs niet erop bedacht behoefde te zijn dat de tekst van de voorwaarden bij de nadien ter tekening ontvangen contracten niet in overeenstemming zou zijn met het geschetste veel te rooskleurige beeld van de risico’s. Omdat het hier om individuele monde-linge voorlichting gaat, is niet van belang dat klager is aangesloten bij X. De door deze X bij de rechtbank te Amsterdam tegen verweerder ingestelde collectieve actie heeft betrek-king op misleiding door algemene (schriftelijke) voorlichting.
Het voorgaande brengt de Commissie tot de slotsom dat gezien de omstandigheden van dit geval verweerder in zijn verhouding tot klager bij de totstandkoming van de huurkoopovereenkomsten dermate is tekortgeschoten, dat hij klager niet aan deze overeenkomsten mag houden. De Commissie stelt als bindend advies vast dat zij de vijf op 3 januari 2001 tussen partijen gesloten huurkoopovereenkomsten overeenkomstig artikel 6:228 BW op grond van dwaling als vernietigd beschouwt, zodat verweerder jegens klager aan deze overeen-kom-sten geen rechten kan ontlenen, ook niet aan de exoneratieclausule, wat daarvan overigens zij, waarop verweerder zich subsidiair heeft beroepen. Tevens stelt de Commissie vast dat verweerder de termijnen die klager reeds heeft betaald moet terugbetalen, met rente gelijk aan de wettelijke rente daarover van-af de datum dat kla-ger deze aan verweerder heeft betaald, tot aan de dag van de terugbetaling.
UITSPRAAK
De Commissie stelt het bindend advies vast dat zij de vijf op 3 januari 2001 tussen partijen gesloten huurkoopovereenkomsten overeenkomstig artikel 6:228 BW als vernietigd beschouwd op grond van dwaling, zodat verweerder jegens klager geen rechten kan ontlenen aan deze huurkoopovereen-komsten, en dat verweerder binnen de tijd van één maand na verzending aan partijen van een af-schrift van dit bindend advies aan klager terugbetaalt al hetgeen klager op grond van genoemde over--eenkomsten aan verweerder heeft betaald, met rente gelijk aan de wettelijke rente over de bedragen die klager heeft betaald, per betaald bedrag te berekenen vanaf de dag dat klager dit bedrag aan verweerder heeft voldaan, tot aan de dag van terugbetaling door verweerder.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitspraak KCD nr. 8 d.d. 05-02-2004
Uitspraak Klachtencommissie DSI nr. 8 d.d. 4 februari 2004
prof. mr. M.R. Mok, voorzitter, prof. drs. A.D. Bac RA, G.G.J. Kuttschreuter RA,
mr. W.A.M. van Schendel en mr J. Wortel
INHOUD VAN DE KLACHT
De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager is met verweerder een aandelenlease-overeenkomst aangegaan voor de duur van drie jaar, waarbij hij de over die periode verschuldigde rente bij vooruitbetaling heeft voldaan. Met betrekking tot de gang van zaken rond de totstandkoming van deze overeenkomst stelt klager het volgende.
Klager is begin december 2000 benaderd door een tussenpersoon die optrad als cliëntenremisier voor verweerder en werd door deze geattendeerd op het desbetreffende aandelenleaseproduct. Nadat klager met deze tussenpersoon had gesproken, heeft verweerder de overeenkomst aan klager toegezonden met het verzoek deze getekend retour te zenden. In de overeenkomst stonden de koersen vermeld waartegen de aandelen op grond van de lease-overeenkomst zouden worden aangekocht. Klager heeft de overeenkomst op 9 december 2000 ondertekend. Direct na deze ondertekening daalden de koersen van enkele van de in de overeenkomst opgenomen aandelen sterk. Zo daalde de koers van het aandeel KPN tot ca. € 14,00, terwijl de in de overeenkomst opgenomen aankoopkoers € 15,80 bedroeg. Het aandeel Aegon zou op grond van de overeenkomst worden aangekocht tegen een koers van € 48,80, terwijl de koers op het moment van ondertekenen ca. € 38,00 was. Deze koersval baarde klager zorgen en hij heeft, alvorens de getekende overeenkomst retour te zenden, contact opgenomen met zowel zijn tussenpersoon als met verweerder. Klager is vervolgens door beiden gerustgesteld met de mededeling dat alles wel goed zou komen. Begin januari heeft klager de reeds getekende overeenkomst, via zijn tussenpersoon, aan verweerder retour gezonden. Op 4 januari 2001 heeft verweerder de overeenkomst ontvangen.
Klager stelt dat hij zowel door verweerder als door diens tussenpersoon onjuist is voorgelicht. Dezen hadden hem, mede gelet op de inmiddels gedaalde koersen, niet gerust mogen stellen. Klager merkt hierbij op dat zowel verweerder als diens tussenpersoon op het moment van afsluiten van het contract had moeten weten van de problemen bij genoemde bedrijven en de gevolgen die deze problemen zouden hebben voor de koersontwikkelingen van de op grond van de overeenkomst aangekochte aandelen. Meer in het algemeen stelt klager dat hij reeds vóór ondertekening van het contract is misleid en dat misbruik is gemaakt van zijn onervarenheid op het gebied van beleggen.
Klager verzoekt de commissie te bepalen dat hij gecompenseerd wordt voor het door hem geleden verlies, door hem begroot op € 8.168,--, en dat de overeenkomst geroyeerd wordt.
INHOUD VAN HET VERWEER
Het verweer houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Verweerder stelt dat voor zover klager met zijn verzoek tot royement doelt op vernietiging, er geen sprake is van een hiervoor vereiste vernietigingsgrond. Voor zover klagers verzoek moet worden opgevat als een verzoek tot ontbinding, is verweerder van mening dat hieraan niet kan worden voldaan nu geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van zijn kant. Klager heeft met verweerder een bindende overeenkomst gesloten en zal moeten voldoen aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen.
Met betrekking tot de in de toegezonden overeenkomst opgenomen koersen en de daling van deze koersen nog voor retourzending door klager, stelt verweerder het volgende. Deze koersen zijn in de overeenkomst opgenomen zodat de cliënt weet waarvoor hij tekent en wat de aankoopprijs van de effecten is. Zou verweerder de aankoopkoersen pas fixeren op het moment dat het contract getekend retour is ontvangen, dan zou de cliënt een soort bestens-order afgeven voor de onderliggende effecten, aangezien de koers hiervan in de periode tussen ondertekening van het contract en ontvangst hiervan door verweerder kan stijgen en dalen. In de opvatting van verweerder zou de onzekerheid die dit met zich brengt niet in het belang van de cliënt zijn. Verweerder koopt op het moment van het opmaken van het contract de betreffende effecten aan. Indien het aanvraagformulier niet ondertekend wordt geretourneerd, neemt hij het eventuele verlies voor eigen rekening. Indien klager van mening was dat de in zijn contract vermelde koersen te hoog waren ten opzichte van de beurskoersen, had hij er voor kunnen kiezen het contract niet te tekenen of een nieuw contract kunnen aanvragen.
Verweerder is voorts van opvatting dat voor zover sprake is geweest van geruststellende opmerkingen van de tussenpersoon aangaande de waarde van de onderliggende effecten, hij hiervoor niet verantwoordelijk is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder hiervoor wel aansprakelijk zou zijn is in de onderhavige zaak geen sprake.
Ten aanzien van het verwijt dat niet alleen de tussenpersoon, maar ook verweerder zelf klager zou hebben gerustgesteld, stelt verweerder het volgende. Verweerder houdt zogenaamde logs bij die aangeven dat een telefoongesprek met een bepaalde klant heeft plaatsgevonden. Hierbij wordt tevens aantekening gemaakt van het onderwerp van dat gesprek. Over de periode december 2000 en januari 2001 heeft verweerder geen logs aangetroffen die betrekking hebben op de onderhavige zaak. Derhalve acht hij het niet aannemelijk dat een dergelijk gesprek heeft plaatsgevonden. Tot slot benadrukt verweerder dat eerst door ontvangst van de getekende overeenkomst een bindende overeenkomst tot stand is gekomen. Klager had thuis voldoende tijd het contract en de brochure te bestuderen, te meer daar verweerder klager de overeenkomst reeds op 7 december 2000 heeft toegezonden en hij deze eerst op 4 januari 2001 retour heeft ontvangen.
REACTIE OP HET VERWEER
In reactie op het verweer handhaaft klager zijn stellingen en licht die nader toe zoals hierna vermeld. Klager verzoekt om royement van de overeenkomst nu hij op grond van een verkeerde voorstelling van zaken en onjuiste informatie is verleid tot het accepteren van het contract, ondanks de dalende koersen. Naar zijn mening is sprake geweest van dwaling. Hierbij merkt hij op ten tijde van het aangaan van de overeenkomst een absolute leek op het gebied van beleggen te zijn geweest. Klager herhaalt nadrukkelijk zijn stelling dat hij naar aanleiding van de gedaalde koersen heeft getelefoneerd met verweerder. Tijdens dit gesprek werd hij gerustgesteld met de mededeling dat een koersdaling wel vaker voorkomt aan het eind van het jaar. Klager voelt zich door deze mededeling op het verkeerde been gezet. Met betrekking tot de periode tussen ontvangst van de overeenkomst en retourzending hiervan aan verweerder, stelt klager deze te hebben benut voor overleg met zijn tussenpersoon.
AANVULLEND VERWEER
In aanvulling op zijn eerdere verweer en naar aanleiding van de reactie hierop van klager, licht verweerder zijn stellingen omtrent de aansprakelijkheid voor de tussenpersoon en de gevolgen van het eventueel toewijzen van de eis als volgt toe.
Verweerder herhaalt zijn stelling dat hij niet aansprakelijk is voor de gedragingen van zijn tussenpersoon. Deze tussenpersoon is onafhankelijk en geen vertegenwoordiger van verweerder. Verweerder verwijst hierbij naar eerdere uitspraken van de Commissie (KCD 01-140, 28 juni 2001, KCD 00-124, 26 oktober 2001) en de Geschillencommissie Bankzaken (BAN-D01/0703, 15 augustus 2002). Tevens wijst verweerder op een ongepubliceerde uitspraak van de rechtbank te Utrecht
(7 mei 2003, zaaknr./rolnr. 141282/HAZA 02-264) en een gepubliceerde uitspraak van dezelfde rechtbank (7 mei 2003, JOR 2003, 151). In deze zaken neemt de rechtbank een eigen verantwoordelijkheid van de tussenpersoon aan die uitsluitend tot diens aansprakelijkheid leidt, ongeacht de verhouding tussen belegger en diens contractspartij. Verweerder wijst voorts op het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam van 24 juli 2003, waarin wordt overwogen dat de bank in beginsel niet aansprakelijk is voor adviezen van haar tussenpersoon, en op een uitspraak van de rechtbank te Den Haag van 30 juli 2003 onder nr. 02.3563, waarin de tussenpersoon als zelfstandig adviseur optrad en diens nalaten niet aan de bank wordt toegerekend.
Voorts stelt verweerder met betrekking tot de gevolgen van een eventuele ontbinding of vernietiging van de lease-overeenkomst dat klager hierbij geen belang heeft. Verweerder wijst hierbij op artikel 6:278 BW, waaruit naar zijn opvatting voortvloeit dat klager, bij ongedaanmaking van de overeenkomst, de opgetreden waardedaling van de aandelen aan verweerder zal dienen te vergoeden. Nu het doel van dit artikel is een speculatief gebruik van een bestaande vernietigings- of ontbindingsmogelijkheid tegen te gaan, zal klager bij vernietiging dan wel ontbinding van de lease-overeenkomst aan verweerder het bedrag verschuldigd zijn waarmee de aandelen in waarde zijn gedaald. Daarom heeft klager bij een dergelijke ongedaanmaking geen belang. Verweerder wijst er hierbij op dat aannemelijk is dat wijziging in de waardeverhouding van de over en weer te leveren prestaties de reden van het beroep op de vernietigingsmogelijkheid is.
REACTIE OP HET AANVULLEND VERWEER
Bij schrijven van 5 september 2003 heeft de advocaat van klager namens deze de klacht aangevuld met de volgende stellingen. De effectenlease-overeenkomst zoals klager die is aangegaan, past niet in de financiële situatie van klager, die slechts een modaal inkomen geniet. Als gevolg van het contract is klager in een benarde financiële situatie geraakt. Hij is genoodzaakt zijn huis te verkopen. Verweerder had moeten nagaan of klager een lening in de omvang waarin die is gesloten wel had kunnen aflossen. Door zulks na te laten is verweerder in zijn zorgplicht tekortgeschoten.
Voorts had verweerder, toen tijdens het telefoongesprek bleek dat klager niet goed geïnformeerd was omtrent het product, moeten zorgdragen voor het alsnog verstrekken van volledige en juiste informatie.
Ten aanzien van de ‘logs’ die verweerder bijhoudt van telefoongesprekken met cliënten, stelt klager het volgende. De authenticiteit van een bij het verweerschrift gevoegde ‘log’ is voor klager niet te verifiëren. Klager meent dat deze ‘log’ slechts kan uitwijzen dat er tussen 6 december 2000 en 5 april 2001 hetzij geen telefoongesprekken zijn gevoerd, hetzij telefoongesprekken niet zijn geregistreerd. Volgens klager toont de ‘log’ slechts aan dat klager op 5 april 2001 met verweerder heeft gebeld, en blijkt daaruit niet dat klager in december 2000 of januari 2001 geen telefonisch contact met verweerder heeft opgenomen. Klager meent dat aan de log geen bewijswaarde toekomt.
Met betrekking tot de stelling van verweerder dat deze niet aansprakelijk is voor uitlatingen van de tussenpersoon, behoudens bijzondere omstandigheden, merkt klager het volgende op. Zijns inziens doen dergelijke omstandigheden zich hier voor. Bij brief van 5 januari 2001 bedankte verweerder zijn cliënten voor het in hem en de tussenpersoon gestelde vertrouwen. Voorts heeft verweerder klager, nadat deze diverse malen om uitleg heeft gevraagd, doorverwezen naar de tussenpersoon. Daarom wijst verweerder, door zich thans van de tussenpersoon te distantiëren, ten onrechte aansprakelijkheid voor diens gedragingen en uitlatingen af.
Op verweerders stelling dat klager in verband met het in art. 6:278 BW bepaalde geen belang heeft bij de gevorderde ontbinding van de overeenkomst, reageert klager dat hij een leek op juridisch gebied is. De door hemzelf opgestelde klacht dient aldus verstaan te worden – en in zoverre wordt de vordering gewijzigd – dat klager primair op de voet van art. 6:103 BW vordert dat verweerder hem terugbrengt in de positie waarin hij verkeerde vóór hij het contract sloot. Dat houdt in dat verweerder al hetgeen klager hem heeft betaald dient terug te betalen en de lening, c.q. overeenkomst moet worden beëindigd. In subsidiaire zin vordert klager dat verweerder hem een door de Commissie passend geachte schadevergoeding betaalt.
Voorts verzoekt klager de Commissie te bepalen dat verweerder een bijdrage aan de door klager gemaakte kosten voor rechtsbijstand zal betalen.
BEHANDELING TER ZITTING
Desgevraagd verklaart klager niet te zijn aangesloten bij X.
Partijen volharden, overeenkomstig door hun raadslieden overgelegde pleitaantekeningen, in alle opzichten in hun standpunten, en merken nog het navolgende op.
Verweerder stelt dat de Commissie de klacht niet in behandeling kan nemen aangezien de overeenkomst nog niet is geëindigd.
Ten aanzien van de inhoud van de klacht merkt verweerder op dat zij in wezen gericht lijkt te zijn tegen de selectie van fondsen (Koninklijke Olie, KPN en Aegon) in de overeenkomst. De koersontwikkeling van deze fondsen, zeker de dramatische daling in de periode dat klager de overeenkomst wel reeds had ontvangen maar nog niet had geretourneerd, heeft ook verweerder niet kunnen voorzien.
Verweerder zet de gang van zaken bij het sluiten van een contract uiteen. Cliënten geven op het aanvraagformulier aan wat het gewenste maandbedrag is. Op grond daarvan bepaalt verweerder wat de hoofdsom is. Vervolgens wordt aan de hand van de aandelenkoersen op het moment van opmaken van het contract bekeken hoeveel aandelen er van ieder fonds in het mandje komen. Op diezelfde dag worden die aandelen ook daadwerkelijk gekocht, maar de cliënt heeft dan nog geen afnameverplichting. Verweerder loopt dus koersrisico op de aandelen, mocht de cliënt het contract niet ondertekenen. Vervolgens wordt het contract aan de cliënt verzonden, met het verzoek dit getekend te retourneren. Het is dan aan de cliënt om te beslissen of hij dit wenst te doen. De aankoopkoersen zijn duidelijk kenbaar. Op de cliënt rust geen enkele druk de overeenkomst te tekenen.
Het had klager derhalve vrijgestaan de overeenkomst, gezien de koersontwikkeling, niet te tekenen.
Verweerder betwist dat hij klager heeft medegedeeld ‘dat het allemaal wel goed zou komen’. Verweerder weerspreekt ook dat hij er bij klager op heeft aangedrongen de overeenkomst te tekenen. Uit de logs die verweerder van telefoongesprekken met cliënten bijhoudt, blijkt hiervan niet.
Voorts merkt verweerder op dat klagers advocaat eerst in een laat stadium van de schriftelijke voorbereiding van de behandeling de klacht heeft uitgebreid met de stelling dat de overeenkomst niet bij de financiële situatie van klager paste, en verweerder daaromtrent een verwijt valt te maken. In de oorspronkelijke klacht was dit geen punt van kritiek. Verweerder betwist dat hij tot een onderzoek naar klagers financiële omstandigheden gehouden was. Klager heeft overigens niet hardgemaakt dat de stelling juist is. Gelet op de aard van de dienstverlening behoefde verweerder geen beleggers- of risicoprofiel op te maken.
Verweerder herhaalt dat uit art. 6:278 BW voortvloeit dat klager het verlies op de aandelen zelf dient te dragen, nu hij zonder de opgetreden waardedaling geen ‘stoot tot ongedaanmaking’ zou hebben gegeven.
Verweerder benadrukt dat het aanbieden van de effectenleaseconstructie als vorm van dienstverlening nog minder inhoudt dan een ‘execution only-relatie’, zodat zijn zorgplicht niet overeenkomt met hetgeen bij een dergelijke relatie van een effecteninstelling gevergd kan worden.
De Commissie merkt op dat verweerder blijkens de stukken een zogenaamde ‘BKR-toets’ heeft uitgevoerd, en verzoekt verweerder uiteen te zetten hoe die vorm van onderzoek zich verhoudt tot verweerders stelling dat hij in verband met de aard van het aangeboden effectenleaseproduct op geen enkele wijze verplicht was zich van de financiële omstandigheden van de wederpartij te vergewissen.
Verweerder antwoordt daarop dat de ‘BKR-toets’ alleen wordt uitgevoerd in verweerders eigen belang, teneinde het debiteurenrisico te beperken dat verweerder loopt omdat hij de belegging financiert. In gevallen waarin met de overeenkomst een te financieren bedrag van ƒ 100.000 of hoger was gemoeid, verzocht verweerder het BKR een kredietwaardigheidstoets te verrichten. Indien de overeenkomst een lager bedrag betrof heeft hij alleen navraag naar betalingsachterstanden gedaan. Verweerder stelt nadrukkelijk dat in het uitvoeren van de ‘BKR-toets’ niet de erkenning besloten ligt dat verweerder een verantwoordelijkheid draagt voor de bestedingsruimte van zijn wederpartij.
De Commissie vraagt verweerder voorts toe te lichten hoe zijn stelling dat de klacht niet in behandeling genomen kan worden omdat de overeenkomst nog loopt, zich verhoudt tot zijn stelling dat klager bij ontbinding van de overeenkomst hoe dan ook het koersverlies op de aandelen zal moeten dragen in verband met het bepaalde in art. 6:278 BW.
Verweerder meent dat die stellingen niet onverenigbaar zijn, daar art. 6:278 BW ook toepasselijk is op een nog lopende overeenkomst indien de in deze bepaling bedoelde wederprestatie reeds is geleverd.
Klager merkt, naar aanleiding van verweerders betoog dat klager bedenktijd heeft gekregen en ook genomen alvorens hij de overeenkomst getekend retourneerde, en dat het klager vrijstond om de overeenkomst niet te tekenen, op dat in het hem toegezonden contract slechts summier is aangeduid dat hij ervan af kon zien door het stuk niet binnen dertig dagen ondertekend terug te sturen. Klager voelde zich verplicht door de mededeling dat de aandelen reeds waren aangekocht. Uit het contract heeft klager niet kunnen opmaken dat verweerder eventueel, indien klager de overeenkomst niet binnen de gestelde termijn ondertekend terug zou zenden, de kosten van aankoop van de aandelen voor zijn rekening zou nemen.
Klager verklaart dat hij, in verband met de koersdaling van het fonds Aegon, op 7 december 2000 een informatienummer heeft gebeld omdat zijn tussenpersoon niet bereikbaar was. Dat informatienummer was vermeld in een brief die verweerder bij de aan klager toegezonden overeenkomst had gevoegd. In dat telefoongesprek is klager verzekerd dat een koersdaling tegen het einde van het jaar normaal was en dat het in het nieuwe jaar weer goed zou komen.
Klager stelt dat het feit dat verweerder tijdens het telefoongesprek heeft verwezen naar informatie van de tussenpersoon een bijzondere omstandigheid vormt, op grond waarvan de informatieverstrekking van deze tussenpersoon wél aan verweerder kan worden toegerekend.
Verder stelt klager dat hem pas nadat hij de overeenkomst ondertekend had geretourneerd een folder en een brochure betreffende de effectenleaseconstructie is toegestuurd.
Klager blijft erbij dat verweerder zijn belangen onvoldoende in het oog heeft gehouden en daarmee de op verweerder rustende zorgplicht heeft verzaakt, zowel bij het aangaan van de overeenkomst als tijdens de looptijd ervan. Verweerder was op grond van art. 28 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 gehouden informatie in te winnen omtrent de financiële positie van cliënten. Het (wat verweerder noemt) ‘kant en klare’ karakter van het aangeboden product doet hieraan volgens klager niet af. Gezien klagers financiële situatie had het product hem niet mogen worden aangeboden.
ONTVANKELIJKHEID VAN DE KLACHT
Het ter zitting gevoerde verweer dat de klacht niet in behandeling genomen kan worden omdat de overeenkomst (ten tijde van het indienen van de klacht) nog liep, en niet met zekerheid kan worden vastgesteld tot welk bedrag klager bij het beëindigen van de overeenkomst verlies zal leiden, gaat niet op. Die stelling kan hooguit raken aan de bepaling van de schadeomvang, maar niet aan de bevoegdheid van de Commissie om de klacht, zoals zij thans is ingediend, in behandeling te nemen, en (behoudens ingeval zou blijken dat de schade niet tenminste € 250 bedraagt) evenmin aan de ontvankelijkheid van klager.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
1.1. De klacht houdt in de eerste plaats in dat verweerder zodanig tekortschietende informatie heeft verschaft ten aanzien van de aard en de risico’s van het aangeboden effectenleaseproduct, dat het klager bij het aangaan van de overeenkomst niet duidelijk was dat de kans bestond dat hij na ommekomst van de leasetermijn niet alleen de inleg kwijt zou zijn, maar bovendien een aanzienlijke (rest)schuld aan verweerder zou blijken te hebben.
Daaraan heeft klager de gevolgtrekking verbonden dat hij de lease-overeenkomst niet zou zijn aangegaan indien verweerder hem adequaat zou hebben ingelicht.
1.2. Voorts berust de klacht op de stelling dat verweerder verwijtbaar heeft nagelaten zich ervan te vergewissen of het effectenleaseproduct, in de toegepaste omvang, gelet op klagers bestedingsruimte of financiële omstandigheden voor deze een geschikte vorm van beleggen vormde.
1.3. Met betrekking tot laatstgenoemde stelling heeft klager ter zitting aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met art. 28 van de Nadere Regeling toezicht effecten-verkeer 1999 (thans art. 28 van de Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002), nu verweerder zowel bij het aangaan van de overeenkomst als gedurende de looptijd daarvan heeft nagelaten zich te vergewissen van klagers bestedingsruimte.
2.1. In het gevoerde verweer staat centraal dat de zorgvuldigheidseisen die in het algemeen gelden bij het aanbieden of verrichten van effectendienstverlening volgens verweerder niet toepasselijk zijn in verband met het aangeboden effectenleaseproduct. Dat leidt verweerder af uit de omstandigheid dat de aangeboden effectenleaseconstructie een ‘kant en klaar product’ is, waarmee verweerder wil zeggen dat de aangeboden constructie een overeenkomst vormt waarin de rechten en verplichtingen van partijen volledig zijn vastgelegd. Omdat de cliënt vóór het einde van de overeenkomst geen enkele nadere beleggingsbeslissing behoeft te nemen, en advisering ten aanzien van beleggingshandelingen dus ook niet aan de orde kan zijn, vloeien uit de overeenkomst, aldus verweerder, voor hem nog minder verplichtingen voort dan uit een zogenaamde ‘execution only’ beleggingsrelatie. Naar de mening van verweerder moet derhalve met name het bepaalde in art. 28 Nadere Regeling buiten toepassing blijven.
2.2. Ten aanzien van de informatie die over het onderhavige effectenleaseproduct is gegeven stelt verweerder dat het door hem uitgegeven documentatiemateriaal, waarover klager kon beschikken, in voldoende mate duidelijk maakt welke de aard van het product en de daaraan verbonden risico’s zijn. Het materiaal heeft in het bijzonder voldoende informatie verschaft waaruit blijkt dat het gaat om een lening en dat de afnemer van het product, afhankelijk van het koersverloop, een schuld aan verweerder kan overhouden. Dit nadelige verschil tussen de aan- en verkoopwaarde van de aandelen wordt hierna aangeduid als restschuld.
Verweerder heeft voorts gesteld dat hij slechts verantwoordelijk gehouden kan worden voor de inhoud van door hemzelf uitgegeven documentatiemateriaal, en niet voor uitlatingen die een tussenpersoon jegens klager zou hebben gedaan.
3.1. Bij de beoordeling van de klacht dient te worden vooropgesteld dat de door verweerder aangeboden effectenleaseconstructie impliceert dat verweerder op kosten van de wederpartij aandelen aankoopt, terwijl voor de wederpartij het resultaat van de constructie afhankelijk is van het rendement van die belegging in aandelen. Daarom moet worden aangenomen dat verweerder bij het aanbieden en uitvoeren van de overeenkomst is opgetreden als effectenbemiddelaar in de zin van art. 1, b, 1o Wte 1995. Hieruit vloeit voort dat verweerder jegens zijn wederpartijen de bijzondere zorg dient te betrachten waartoe een effecteninstelling als professionele en op het terrein van de effectenhandel bij uitstek deskundig te achten dienstverlener in het algemeen gehouden is.
3.2. Met betrekking tot de verschafte schriftelijke informatie omtrent het aangeboden effectenleasepro-duct heeft het volgende te gelden.
3.2.1. De onderhavige effectenleaseconstructie vormt een samengestelde overeenkomst die voor het brede publiek waarop verweerder zich kennelijk richtte niet eenvoudig te doorgronden is. Het aangeboden product kent bovendien een bijzonder risico, voortvloeiend uit het onzekere koersverloop van de aan te kopen effecten tot aan het moment waarop die effecten door verweerder verkocht, dan wel aan de cliënt overgedragen zullen worden. Na ommekomst van de termijn waarvoor de overeenkomst is aangegaan, resteert een schuld indien de te verkopen of aan de cliënt over te dragen aandelen minder waard zullen zijn dan het bedrag waarvoor de aandelen zijn aangekocht, welk bedrag klager van verweerder heeft geleend. De kans dat de aandelen die op grond van de overeenkomst zijn aangekocht in de periode waarvoor deze is gesloten in waarde zouden dalen, is immers geenszins denkbeeldig. De omvang van deze (rest)schuld kan onder omstandigheden zelfs gelijk zijn aan dit bedrag, aangezien niet valt uit te sluiten dat de onderliggende aandelen op de einddatum van de overeenkomst waardeloos zullen zijn geworden.
Een en ander brengt mee dat verweerder behoorde toe te zien op een adequate voorlichting van potentiële afnemers van het effectenleaseproduct.
Dat wordt niet anders doordat verweerder het effectenleaseproduct veelal via tussenpersonen op de markt heeft gebracht. Juist de omstandigheid dat verweerder zich ten aanzien van de voorlichting aan potentiële wederpartijen in belangrijke mate afhankelijk heeft gemaakt van tussenpersonen brengt naar het oordeel van de Commissie mee dat verweerder de door hemzelf beschikbaar gestelde informatie zodanig diende in te richten dat de voorlichting aan potentiële wederpartijen juist en volledig is, en dat daarin voldoende duidelijk wordt gewezen op de mogelijkheid dat niet alleen de inleg – het totaal aan (eventueel bij vooruitbetaling voldane) rentebetalingen – verloren kon gaan, maar daarenboven bij het einde van de overeenkomst een schuld aan verweerder kon resteren.
3.2.2. Van een belegger als klager die van de aanprijzing van het effectenleaseproduct kennis heeft genomen dient gevergd te worden dat hij het beschikbaar gestelde materiaal met de nodige nauwlettendheid bestudeerde. Maatstaf daarbij is de verwachting van een niet ter zake deskundige, doch aandachtige en oplettende consument. Deze maatstaf dient ook aangelegd te worden ten aanzien van de voorlichting over een tamelijk complexe beleggingsconstructie, aangezien de beslissing om een bedrag – dat bezien tegen de achtergrond van inkomens- en vermogenspositie van de betrokkene veelal niet onaanzienlijk is – in effecten te beleggen een eigen verantwoordelijkheid voor de belegger meebrengt. Van klager mag dus worden verwacht dat deze met de nodige aandacht en oplettendheid kennis heeft genomen van de schriftelijke stukken en zich rekenschap heeft gegeven van de inhoud daarvan.
3.2.3. Blijkens de aan de Commissie overgelegde stukken was het de bedoeling van verweerder dat klager, alvorens deze het contract ondertekende, heeft beschikt over een door verweerder ter beschikking gestelde brochure, welke bedoeling overigens niet steeds is gerealiseerd.
Klager heeft onweersproken gesteld dat hij eerst na het retourneren van de ondertekende overeenkomst een folder en een brochure van verweerder heeft ontvangen. Partijen hebben de tekst van die folder en die brochure niet aan de Commissie voorgelegd.
Het is de Commissie bekend dat in het informatiemateriaal betreffende het onderhavige effectenleaseproduct dat verweerder placht te verstrekken sterk de nadruk wordt gelegd op een verwachting van aanhoudend gunstige rendementen op aandelenbeleggingen.
Naar het oordeel van de Commissie kan niet worden gezegd dat, op het moment waarop verweerder deze informatie beschikbaar stelde, in deskundige kring de stellige verwachting bestond dat de aandelenkoersen een aanhoudende en min of meer belangrijke stijging zouden blijven vertonen. De suggestie van bestendige koersstijgingen tot het moment waarop de effectenleaseconstructie tot uitkering zou moeten komen, zoals in de door verweerder beschikbaar gestelde informatie wordt gedaan, weerspiegelt een grotere zekerheid dan verantwoord is. Van een effectendeskundige moet immers worden verwacht dat hij ook rekening houdt met langdurige en ingrijpende koersdalingen. Dit klemt te meer omdat de door verweerder uitgegeven informatie wel buitengewoon nauwgezet bestudeerd en nagerekend moet worden om te beseffen dat alleen al om de kosten van de geldlening te evenaren tamelijk grote koersstijgingen vereist zouden zijn. Daar staat tegenover dat deze informatie duidelijk de waarschuwing inhield dat in het verleden behaalde rendementen geen garantie voor de toekomst bieden en dat de waarde van beleggingen in aandelen kan fluctueren; dusdoende is erop gewezen dat het beleggen in aandelen risico’s meebrengt en een garantie van koersstijgingen niet gegeven kon worden, waardoor de suggestie van bestendige koersstijgingen tot op zekere hoogte wordt gerelativeerd.
3.2.4. De Commissie heeft vastgesteld dat in de door klager ondertekende overeenkomst, waarvan klager tevoren kennis heeft kunnen nemen, uitdrukkelijk is vermeld welk bedrag de “(totale) lease-som” beslaat, bestaande uit een hoofdsom en daarover verschuldigde rente, door klager in beginsel te voldoen door maandelijkse betalingen. Ook is in die overeenkomst ondubbelzinnig te vinden dat verweerder voor het bedrag van de hoofdsom aandelen zal verwerven die aan klager geleverd worden onder de voorwaarde dat klager aan al de verplichtingen jegens verweerder zal hebben voldaan en dat het restant van de hoofdsom zal worden verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden.
Naar het oordeel van de Commissie heeft klager uit de tekst van de voorwaarden van deze overeenkomst redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat de ‘lease-som’ een geldlening betreft, die geheel – hoofdsom plus rente – aan verweerder (terug)betaald moet worden, waarbij de door verweerder aangekochte en voorwaardelijk aan klager geleverde aandelen op het overeengekomen tijdstip aangewend konden worden om het nog resterende bedrag van de schuld te voldoen.
3.2.5. Dit alles overziende, is de Commissie van oordeel dat de klacht, voor zover deze ertoe strekt dat klager in die mate onjuist is voorgelicht dat zich een wilsgebrek voordoet ten gevolge waarvan de overeenkomst vernietigbaar is, geen doel treft. Gelet op de inhoud van de overeenkomst en de daarbij gevoegde “Bijzondere Voorwaarden Effectenlease” waarover klager bij het aangaan van de lease-overeenkomst kon beschikken en in aanmerking genomen, enerzijds, de eisen die daaromtrent uit een oogpunt van informatieverschaffing aan verweerder moeten worden gesteld en, anderzijds, de mate van onderzoek die van klager mocht worden verwacht, kan niet met vrucht worden volgehouden dat klager in dwaling is gebracht of is misleid.
3.3. Voor zover de klacht inhoudt dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de financiële omstandigheden en de beleggingsdoeleinden van klager, geldt het volgende.
3.3.1. Verweerder heeft gesteld dat het aanbieden van het ‘kant en klare’ beleggingsproduct, waarin de wederzijdse verplichtingen volledig zijn vastgelegd, meebrengt dat de cliënt (tot aan het einde van de contractsduur) geen verdere beslissingen omtrent effectentransacties meer behoeft te nemen, zodat het ‘know your customer’ beginsel dat effecteninstellingen bij hun dienstverlening in het algemeen in acht moeten nemen, hier geheel buiten toepassing moet blijven.
De Commissie heeft hierboven reeds overwogen dat zij verweerder niet volgt in diens standpunt dat de zorgvuldigheidseisen die in het algemeen aan de dienstverlening van een effecteninstelling worden gesteld in het geheel niet toepasselijk zijn op het aanbieden van het onderhavige effectenleaseproduct. In het hiernavolgende zal de Commissie uiteenzetten waartoe de toepassing van die zorgvuldigheidseisen in dit geval moet leiden.
3.3.2. Uit de aard van de effectenleaseconstructie, zoals die is aangeboden, vloeit voort dat de potentiële belegger in belangrijke mate kon beoordelen of die constructie in beginsel geschikt was om aan zijn beleggingsoogmerk te voldoen. Het bedrag waarvoor in effecten wordt geïnvesteerd, de aard van die effecten en de duur van de investering zijn immers voor de belegger op voorhand volledig kenbaar. Dat neemt niet weg dat verweerder zich tenminste rekenschap behoorde te geven van de vraag of zijn potentiële wederpartij naar redelijke verwachting over voldoende bestedingsruimte zou beschikken om aan de uit het contract voortvloeiende verplichtingen te voldoen.
3.3.3. Derhalve heeft verweerder naar het oordeel van de Commissie in ieder geval ten aanzien van de bij zijn wederpartij redelijkerwijs te verwachten bestedingsruimte ontoereikende zorg betracht. In dat verband overweegt de Commissie het volgende.
De omvang van de op een effecteninstelling rustende zorgplicht wordt bepaald door hetgeen de eisen van de redelijkheid en billijkheid, naar de aard van de contractuele en feitelijke verhoudingen tussen de effecteninstelling en haar cliënt, meebrengen.
Ten aanzien van de feitelijke verhouding tussen verweerder en zijn cliënten stelt de Commissie in algemene zin vast dat de aard van de effectenleaseconstructie en de wijze waarop die aan het brede publiek is aangeboden meebrengen dat verweerder erop bedacht diende te zijn dat tot zijn wederpartijen personen zouden behoren die niet over voldoende belangstelling voor, en inzicht in, beleggen beschikken om zich zelfstandig in effectentransacties te begeven. Weliswaar heeft de Commissie in het voorgaande vastgesteld dat klager uit de tekst van de door hem ondertekende overeenkomst en de daarbij gevoegde “Bijzondere Voorwaarden Effectenlease” redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat, afhankelijk van de waarde van de aandelen bij het expireren van de overeenkomst, een restschuld kon overblijven, doch verweerder had er rekening mee behoren te houden dat zijn wederpartij in het algemeen niet besefte en behoefde te beseffen in welke mate koersfluctuaties kunnen optreden.
Verweerder daarentegen had zich, als professionele en op dit terrein bij uitstek deskundig te achten dienstverlener, rekenschap moeten geven van de geenszins denkbeeldige kans dat zich ook langdurige koersdalingen zouden voordoen in de omvang waarin deze zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. Bovendien vloeit uit de wijze waarop verweerder de effectenlease-overeenkomst tot stand heeft doen komen voort dat hij zich in de onmogelijkheid heeft gebracht om na te gaan of er in individuele gevallen geen wanverhouding zou ontstaan tussen de betalingsverplichting die zijn wederpartij op zich nam en diens inkomens- en vermogenspositie. Dat is niet in overeenstemming met de zorgvuldigheid die van verweerder als effecteninstelling gevergd diende te worden, mede omdat verweerder zich bij het aanbieden van het effectenleaseproduct heeft gericht tot een breed publiek en verweerder bij het sluiten van de overeenkomsten geen enkele beperking heeft aangebracht ten aanzien van de omvang van de betalingsverplichtingen die zijn wederpartijen op zich konden nemen.
3.3.4. Het voorgaande in aanmerking genomen is de Commissie van oordeel dat verweerder uit hoofde van de op hem rustende zorgplicht gehouden was, teneinde te voorkomen dat de wederpartij bij het einde van de overeenkomst zou worden geconfronteerd met een restschuld waarvan de omvang bij de aanvang niet is beseft, zodanige voorzieningen te treffen dat ook in het geval waarin de aandelenkoersen een langdurige en belangrijke daling zouden blijken te vertonen de voldoening van de restschuld verzekerd zou zijn. Een dergelijke voorziening zou getroffen kunnen zijn door hetzij de wederpartij een vorm van verzekering als bedoeld in art. 246 WvK aan te bieden, hetzij door het potentiële koersverlies af te dekken door middel van put-opties met een looptijd gelijk aan die van de overeenkomst met als uitoefenprijs de aankoopprijs van de aandelen.
Verweerders gehoudenheid een dergelijke voorziening aan te bieden, kan niet worden weggenomen door de overweging dat het aangeboden product daardoor minder aantrekkelijk gepresenteerd had kunnen worden. De omvang van het aan de effectenleaseconstructie verbonden risico, en de zorgvuldigheid die verweerder met het oog daarop diende te betrachten, brengen dat mee. Een zodanige voorziening is praktisch ook alleszins realiseerbaar; het is de Commissie bekend dat een andere aanbieder van effectenleaseconstructies inderdaad een zodanige verzekering tegen het resteren van een schuld heeft aangeboden, tegen betaling bij aanvang van het contract van de daarmee gepaard gaande kosten.
3.3.5. Verweerder heeft, in strijd met de op hem rustende zorgplicht, het aanbieden van een dergelijke voorziening achterwege gelaten. Dientengevolge is klager bij het aangaan van de overeenkomst niet in de gelegenheid gesteld maatregelen te treffen teneinde zich er van te verzekeren dat een restschuld –waarvan de omvang voor klager redelijkerwijs niet voorzienbaar was– voldaan zou kunnen worden. Daarvoor is verweerder aansprakelijk te houden.
3.3.6. Gezien het voorgaande kan de klacht voor zover deze is gestoeld op het door verweerder handelen in strijd met artikel 28 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer verder buiten beschouwing blijven.
Nu de Commissie klagers primaire vordering dat de overeenkomst zal worden vernietigd of ontbonden niet toewijst behoeft ook verweerders stelling dat klager in verband met het bepaalde in art. 6:278 BW daarbij geen belang kan hebben geen bespreking.
3.3.7. Rekening houdend met de omstandigheid dat een voorziening ter verzekering van de voldoening van de restschuld - zijnde het verschil tussen het bedrag waarvoor ter uitvoering van de overeenkomst aandelen zijn aangekocht en het bedrag dat die aandelen bij het beëindigen van de overeenkomst hebben opgebracht - kosten meegebracht zou hebben, stelt de Commissie de aan verweerder toe te rekenen schade naar redelijkheid en billijkheid - in het bijzonder gelet op de looptijd van het contract en de destijds geldende gemiddelde optieprijzen - vast op een bedrag gelijk aan het verlies dat klager bij beëindiging van de overeenkomst op de aandelen heeft geleden, verminderd met 15% van de aankoopwaarde van de aandelen (15% van € 43.115 is € 6.467).
4. Het voorgaande brengt mee dat het bedrag dat klager na het beëindigen van de overeenkomst ter zake van restschuld aan verweerder moet voldoen ten hoogste € 6.467 is.
Voor zover klager alsdan een groter bedrag aan restschuld aan verweerder heeft voldaan, dient verweerder het door klager méér betaalde te restitueren, te vermeerderen met rente gelijk aan de wettelijke rente, vanaf de dag waarop klager méér dan € 6.467 heeft betaald tot aan de dag van restitutie van dat meerdere.
Voorts dient verweerder ter zake van de door klager gemaakte kosten van rechtsbijstand aan hem te betalen een bedrag van € 2.500.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
UITSPRAAK
De Commissie stelt het bindend advies vast dat:
- klager na beëindiging van de overeenkomst ter zake van restschuld aan verweerder niet méér verschuldigd is dan € 6.467;
- voor zover klager een groter bedrag aan restschuld heeft voldaan, verweerder het méér betaalde
restitueert, dit bedrag te vermeerderen met rente gelijk aan de wettelijke rente, vanaf de dag waarop
klager méér dan € 6.467 heeft betaald tot aan de dag van restitutie van dat meerdere;
- verweerder ter zake van kosten van rechtsbijstand € 2.500 vergoedt.
Vorenstaande betalingen dient verweerder te verrichten binnen één maand na verzending van een afschrift van dit bindend advies aan partijen.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Re: RTL Z met DSI uitspraken op TV
Dat was even scrollen!
Kijken :
Om 19.30 uur in het RTL4 en RTL5 nieuws een interview met een van de gedupeerden van dexia én DSI !
De rechtbank in Amsterdam geeft Triple Effect gedupeerde volledig gelijk, de DSI laat Triple Effect gedupeerde bijna 4000 euro betalen !!!
Hier is het laatste woord nog niet over gesproken.
Komende week maandag: TROS RADAR op TV met o.a. als onderwerp de uitspraken van de DSI.
Pas had ik het over de stilte voor de storm......
De stilte hebben we gehad, de storm komt langzaam op gang.
Groeten,
Piet
Kijken :
Om 19.30 uur in het RTL4 en RTL5 nieuws een interview met een van de gedupeerden van dexia én DSI !
De rechtbank in Amsterdam geeft Triple Effect gedupeerde volledig gelijk, de DSI laat Triple Effect gedupeerde bijna 4000 euro betalen !!!
Hier is het laatste woord nog niet over gesproken.
Komende week maandag: TROS RADAR op TV met o.a. als onderwerp de uitspraken van de DSI.
Pas had ik het over de stilte voor de storm......
De stilte hebben we gehad, de storm komt langzaam op gang.
Groeten,
Piet
Re: RTL Z met DSI uitspraken op TV
Ja Piet,
Op dat stukje van stilte voor de storm van jou had ik nog gereageerd.
Ik was het met je eens, maar dat het zo vlug zou gaan....
Overigens ben ik het met je eens dat het maar een klein stapje in de goede richting is.
We gaan gewoon door dacht ik zo....... Groet........Dirk-1
Op dat stukje van stilte voor de storm van jou had ik nog gereageerd.
Ik was het met je eens, maar dat het zo vlug zou gaan....
Overigens ben ik het met je eens dat het maar een klein stapje in de goede richting is.
We gaan gewoon door dacht ik zo....... Groet........Dirk-1
