DSI uitspraak
Geplaatst: 25 nov 2003 12:20
uitspraken KC en Beroep op KC
Uitspraak KCD nr. 159 d.d. 30-10-2003
Uitspraak Klachtencommissie DSI nr. 159 d.d. 30 oktober 2003
(prof.mr. M.R. Mok, voorzitter, G.G.J. Kuttschreuter RA en R.H.G. Mijné)
INHOUD VAN DE KLACHT
De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager heeft in juli 1997 op advies van verweerder een effectentenleasecontract X gesloten met een maandlast van ƒ 148,86. Effectenlease paste niet in klagers persoonlijke situatie, aangezien hij een per-soonlijke lening van ƒ 30.000 had afgesloten. Verweerder had er op moeten toezien dat klager over vol-doen-de middelen beschikte om aan zijn verplichtingen te voldoen; hij heeft dit nagelaten en daardoor in strijd met zijn zorgplicht gehandeld.
Klager heeft toentertijd gesproken met verweerder in verband met de persoonlijke lening. Volgens verweerder zou deze lening minder hoog zijn na afloop van vijf jaar, als klager een X-contract zou nemen. Hierbij is klager alleen op de positieve resultaten gewezen. Hij is niet gewezen op de risico’s; ook waren deze in de overeenkomst niet vermeld. Klager heeft nooit een brochure over X van ver-weerder ontvangen. Evenmin heeft verweerder ooit de mogelijkheid dat de inleg volledig verloren kon gaan of dat zelfs een schuld kon worden overgehouden genoemd. Bij een juiste en volledig in-for-matie had klager de effectenlease-overeenkomst nooit gesloten, althans niet onder dezelfde voor-waarden.
Verweerder had klager moeten waarschuwen zodra de contractswaarde negatief werd en hij had kla-ger op dat moment moeten verzoeken om zekerheden te stellen.
Op het moment van beëindigen van de overeenkomst heeft verweerder een bedrag van € 689,86 van klager geïncasseerd. Klager diende hiervoor weer een lening af te sluiten.
Klager eist door verweerder teruggebracht te worden in de situatie waarin hij verkeerde voordat de effectenlease-overeenkomst tot stand kwam. Hij vordert derhalve betaling van een bedrag ad
€ 4.675 van verweerder.
INHOUD VAN HET VERWEER
Het verweer houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager heeft in juli 1997 van verweerder informatie toegezonden gekregen onder begeleiding van een persoonlijke prognose, de brochure over het product X, de overeenkomst in tweevoud en de algemene voorwaarden van X. Klager heeft op 15 juli 1997 een effectenlease-overeenkomst met ver-weerder gesloten voor in beginsel een periode van vijftien jaar, maar hij kon deze na vijf en na tien jaar kosteloos beëindigen.
Verweerder heeft X in algemene zin bij klager aangeprezen, hij heeft klager niet persoonlijk aange-raden om dit product te kopen. Door de tussenkomst van verweerder is klager aangebracht bij een andere instel-ling voor het product X. Verweerder fungeerde daarbij als cliëntenremisier, waarop de Wet toezicht effectenverkeer 1995 niet van toepassing was. Verweerder heeft enkel klagers inte-resse voor X gewekt; na dit gesprek is verweerder niet meer betrokken geweest bij de investerings-beslissing en de totstandkoming van de overeenkomst en heeft klager op basis van de hem toege-stuurde docu-men-ta-tie zelf kunnen besluiten om de lease-overeenkomst al dan niet aan te gaan.
Klager heeft op het aanvraagformulier aangegeven in het belastingtarief van 50% te vallen; een jaar later was dit niet meer het geval. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst zat klager niet op een minimuminkomen. Klager kwam bovendien in aanmerking voor een lening van verweerder ter grootte van ƒ30.000, hetgeen zijn kredietwaardigheid bevestigde. Uit de ‘Persoonlijke Prognose’ blijkt de waardeontwikkeling bij verschillende beursscenario’s. Hierin is medegedeeld ‘de opbrengst van de aandelen is niet zeker’, en tevens is de standaardzin dat rendementen uit het verle-den geen garantie bieden voor de toekomst opgenomen. Ook de brochure maakt hiervan melding. Voorts heeft verweerder een BKR-toetsing verricht. Hij heeft klager erop gewezen dat een andere uitkomst moge-lijk was; dit dient voldoende te zijn om de belegger er op te wijzen dat er koersrisico’s zijn. Algemeen bekend is dat aan beleggen het risico is verbonden dat het ingelegde bedrag verloren zou kunnen gaan en dat aan beleggen met geleend geld aanvullende risico’s kleven. Klager heeft door onderte-ke-ning van het deelnameformulier aanvaard dat hij zich bewust is van de aan de beleggingen ver-bon-den risico’s.
Klager is tijdens de looptijd van de overeenkomst uitvoerig door X voorgelicht over de waarde van de aandelen. Tevens heeft hij jaaroverzichten ontvangen.
Op 18 december 2000 heeft X aan al zijn cliënten een brief gestuurd waarin dezen de mogelijkheid werd geboden 90% van de behaalde waarde vast te zetten en over te stappen op een ander rente-per-centage. Ook de voorwaarden van X bieden de mogelijkheid tot het vervroegd aflossen van de lening. Klager heeft geen van beide mogelijkheden gebruik gemaakt. X heeft klager tijdig de kans ge-boden een groot deel van de behaalde winst veilig te stellen. Klager kon lening vervroegd aflossen toen de aftrek van de rente na 2000 niet meer mogelijk was. Het had op de weg van klager gelegen ver-weerder in een eerder stadium aan te spreken, indien hij van mening was dat hij onjuist en onvol-ledig was voorgelicht over X.
Verweerder kan in ieder geval in zijn hoedanigheid van cliëntenremisier niet aansprakelijk worden gehouden voor de schade van klager. Klager houdt ten onrechte geen rekening met de door hem ont-vangen dividenden en zijn behaalde fiscaal voordeel. Voor zover verweerder gehouden zou zijn tot vergoeding van de schade, dient dit in aanmerking te worden genomen bij de schade-vast-stelling.
Gezien het voorgaande verzoekt verweerder de klacht af te wijzen, met veroordeling van klager in de kosten van deze procedure.
REACTIE OP HET VERWEER
Klager heeft niet uit eigen beweging informatie gevraagd over X. Verweerder heeft hem de gegevens persoonlijk overhandigd toen hij op kantoor kwam voor de ondertekening van zijn per-soon-lijke le-ning. Verweerder heeft wegens klagers persoonlijke situatie aangeraden X te kopen.
Klager betwist dat hij in het belastingtarief van 50% viel, hooguit voor een paar duizend gulden zat hij in schijf 2.
Dat klager in aanmerking kwam voor een lening had te maken met een vervroegde aflossing van een andere lening. Dit geschiedde op advies van verweerder.
Klager stond wel degelijk geregistreerd bij het BKR. Hij had immers nog een lening lopen die hij ver-vroegd afloste en op 11 juli 1997 had klager een overeenkomst van geldlening bij verweerder onder-tekend.
Klager had het volle vertrouwen in de positieve adviezen van verweerder. Als hij had geweten dat hij met schulden kon achterblijven, was hij er, gezien zijn financiële positie, nooit aan begonnen.
NADERE INFORMATIE
Op verzoek van de Commissie heeft verweerder nog enkele vragen beantwoord. Hieruit komt het volgende naar voren.
Verweerder was destijds bekend met de op 11 juli 1997 gesloten persoonlijke lening. Op 8 juli 1997 heeft klager een aanvraag ingediend voor een aandelenlease-overeenkomst met X. Op diezelfde dag heeft klager eveneens een aanvraag ingediend voor een persoonlijke lening bij verweerder voor een bedrag ad ƒ 30.000. Dit leidde niet tot de conclusie dat klager mede als gevolg van de uit deze per-soonlijke lening voortvloeiende maandelijkse aflossingsverplichting geen draagkrachtruimte meer zou bezitten om tevens een aandelenlease-overeenkomst met X te sluiten. Verweerder geeft een be-re--kening weer van de draagkrachtruimte van klager, zoals gehanteerd bij het aangaan van de lease-overeenkomst. Hieruit blijkt, na aftrek van alle vaste lasten waaronder de persoonlijke lening, als-me-de de maandlasten van X, dat voor klager een minimaal netto besteedbaar inkomen resteerde van
ƒ 595. Bovendien had klager een spaarrekening met een creditsaldo van ƒ 4.264,45.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Klager heeft in juli 1997 op advies van verweerder het product X bij een andere instelling gekocht. Dit deed hij nadat verweerder hem op het product attent had gemaakt. Klager is van mening dat ver-weerder hem dit product niet had mogen adviseren, aangezien hij de vooruitbetaling van rente met ge--leend geld financierde. Bovendien heeft verweerder hem niet goed geïnformeerd.
Verweerder, althans de rechtsvoorganger van verweerder om welke het hier gaat, is en was een effectenbemiddelaar. Hij handelde actief in effectenleasecontracten. Dat deze contracten waren ont-wikkeld en werden aangegaan door een andere (tot hetzelfde concern als verweerder behorende) vennootschap maakt verweerder niet tot remisier. Verweerder was op de hoogte van de risico’s die aan het product X verbonden wa-ren.
Gelet op de op verweerder rustende zorgplicht heeft ver-weerder in dit specifieke geval niet als een redelijk bekwaam en redelijk handelend effectendienstverlener gehandeld door klager te adviseren c.q. toe te staan met geleend geld het contract X aan te gaan, hetgeen immers inhield dat klager de rente op de aan het contract verbonden lening met anderszijds geleend geld voldeed. Klager heeft vol-doende aannemelijk gemaakt dat verweerder hem onvoldoende op de risico’s van het beleggen met geleend geld heeft gewezen.
Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat verweerder aan klager dient te vergoeden de door hem betaalde 60 leasetermijnen groot € 67,55, alsmede het negatieve resultaat volgens de eindafrekening ad € 622, tezamen zijnde € 4.675 doch verminderd met de voordelen die klager uit hoofde van de lease-overeenkomst heeft genoten. De Commissie stelt deze schadever-goe-ding met inachtneming van het belastingvoordeel over de betaalde rente en onder verrekening van de door klager ontvangen dividenden, naar redelijkheid en billijkheid vast op € 3.200.
Op grond van het bovenstaande bepaalt de Commissie dat verweerder aan klager dient te ver-goeden een bedrag van € 3.200 te vermeerderen met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf
1 januari 2000 tot aan de dag van de algehele voldoening.
UITSPRAAK
De Commissie stelt het bindend advies vast dat verweerder binnen de termijn van vier weken na verzending aan partijen van een afschrift van dit bindend advies aan klager vergoedt een bedrag groot € 3.200 te verhogen met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf 1 januari 2000 tot aan de dag van algehele voldoening.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitspraak KCD nr. 159 d.d. 30-10-2003
Uitspraak Klachtencommissie DSI nr. 159 d.d. 30 oktober 2003
(prof.mr. M.R. Mok, voorzitter, G.G.J. Kuttschreuter RA en R.H.G. Mijné)
INHOUD VAN DE KLACHT
De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager heeft in juli 1997 op advies van verweerder een effectentenleasecontract X gesloten met een maandlast van ƒ 148,86. Effectenlease paste niet in klagers persoonlijke situatie, aangezien hij een per-soonlijke lening van ƒ 30.000 had afgesloten. Verweerder had er op moeten toezien dat klager over vol-doen-de middelen beschikte om aan zijn verplichtingen te voldoen; hij heeft dit nagelaten en daardoor in strijd met zijn zorgplicht gehandeld.
Klager heeft toentertijd gesproken met verweerder in verband met de persoonlijke lening. Volgens verweerder zou deze lening minder hoog zijn na afloop van vijf jaar, als klager een X-contract zou nemen. Hierbij is klager alleen op de positieve resultaten gewezen. Hij is niet gewezen op de risico’s; ook waren deze in de overeenkomst niet vermeld. Klager heeft nooit een brochure over X van ver-weerder ontvangen. Evenmin heeft verweerder ooit de mogelijkheid dat de inleg volledig verloren kon gaan of dat zelfs een schuld kon worden overgehouden genoemd. Bij een juiste en volledig in-for-matie had klager de effectenlease-overeenkomst nooit gesloten, althans niet onder dezelfde voor-waarden.
Verweerder had klager moeten waarschuwen zodra de contractswaarde negatief werd en hij had kla-ger op dat moment moeten verzoeken om zekerheden te stellen.
Op het moment van beëindigen van de overeenkomst heeft verweerder een bedrag van € 689,86 van klager geïncasseerd. Klager diende hiervoor weer een lening af te sluiten.
Klager eist door verweerder teruggebracht te worden in de situatie waarin hij verkeerde voordat de effectenlease-overeenkomst tot stand kwam. Hij vordert derhalve betaling van een bedrag ad
€ 4.675 van verweerder.
INHOUD VAN HET VERWEER
Het verweer houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klager heeft in juli 1997 van verweerder informatie toegezonden gekregen onder begeleiding van een persoonlijke prognose, de brochure over het product X, de overeenkomst in tweevoud en de algemene voorwaarden van X. Klager heeft op 15 juli 1997 een effectenlease-overeenkomst met ver-weerder gesloten voor in beginsel een periode van vijftien jaar, maar hij kon deze na vijf en na tien jaar kosteloos beëindigen.
Verweerder heeft X in algemene zin bij klager aangeprezen, hij heeft klager niet persoonlijk aange-raden om dit product te kopen. Door de tussenkomst van verweerder is klager aangebracht bij een andere instel-ling voor het product X. Verweerder fungeerde daarbij als cliëntenremisier, waarop de Wet toezicht effectenverkeer 1995 niet van toepassing was. Verweerder heeft enkel klagers inte-resse voor X gewekt; na dit gesprek is verweerder niet meer betrokken geweest bij de investerings-beslissing en de totstandkoming van de overeenkomst en heeft klager op basis van de hem toege-stuurde docu-men-ta-tie zelf kunnen besluiten om de lease-overeenkomst al dan niet aan te gaan.
Klager heeft op het aanvraagformulier aangegeven in het belastingtarief van 50% te vallen; een jaar later was dit niet meer het geval. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst zat klager niet op een minimuminkomen. Klager kwam bovendien in aanmerking voor een lening van verweerder ter grootte van ƒ30.000, hetgeen zijn kredietwaardigheid bevestigde. Uit de ‘Persoonlijke Prognose’ blijkt de waardeontwikkeling bij verschillende beursscenario’s. Hierin is medegedeeld ‘de opbrengst van de aandelen is niet zeker’, en tevens is de standaardzin dat rendementen uit het verle-den geen garantie bieden voor de toekomst opgenomen. Ook de brochure maakt hiervan melding. Voorts heeft verweerder een BKR-toetsing verricht. Hij heeft klager erop gewezen dat een andere uitkomst moge-lijk was; dit dient voldoende te zijn om de belegger er op te wijzen dat er koersrisico’s zijn. Algemeen bekend is dat aan beleggen het risico is verbonden dat het ingelegde bedrag verloren zou kunnen gaan en dat aan beleggen met geleend geld aanvullende risico’s kleven. Klager heeft door onderte-ke-ning van het deelnameformulier aanvaard dat hij zich bewust is van de aan de beleggingen ver-bon-den risico’s.
Klager is tijdens de looptijd van de overeenkomst uitvoerig door X voorgelicht over de waarde van de aandelen. Tevens heeft hij jaaroverzichten ontvangen.
Op 18 december 2000 heeft X aan al zijn cliënten een brief gestuurd waarin dezen de mogelijkheid werd geboden 90% van de behaalde waarde vast te zetten en over te stappen op een ander rente-per-centage. Ook de voorwaarden van X bieden de mogelijkheid tot het vervroegd aflossen van de lening. Klager heeft geen van beide mogelijkheden gebruik gemaakt. X heeft klager tijdig de kans ge-boden een groot deel van de behaalde winst veilig te stellen. Klager kon lening vervroegd aflossen toen de aftrek van de rente na 2000 niet meer mogelijk was. Het had op de weg van klager gelegen ver-weerder in een eerder stadium aan te spreken, indien hij van mening was dat hij onjuist en onvol-ledig was voorgelicht over X.
Verweerder kan in ieder geval in zijn hoedanigheid van cliëntenremisier niet aansprakelijk worden gehouden voor de schade van klager. Klager houdt ten onrechte geen rekening met de door hem ont-vangen dividenden en zijn behaalde fiscaal voordeel. Voor zover verweerder gehouden zou zijn tot vergoeding van de schade, dient dit in aanmerking te worden genomen bij de schade-vast-stelling.
Gezien het voorgaande verzoekt verweerder de klacht af te wijzen, met veroordeling van klager in de kosten van deze procedure.
REACTIE OP HET VERWEER
Klager heeft niet uit eigen beweging informatie gevraagd over X. Verweerder heeft hem de gegevens persoonlijk overhandigd toen hij op kantoor kwam voor de ondertekening van zijn per-soon-lijke le-ning. Verweerder heeft wegens klagers persoonlijke situatie aangeraden X te kopen.
Klager betwist dat hij in het belastingtarief van 50% viel, hooguit voor een paar duizend gulden zat hij in schijf 2.
Dat klager in aanmerking kwam voor een lening had te maken met een vervroegde aflossing van een andere lening. Dit geschiedde op advies van verweerder.
Klager stond wel degelijk geregistreerd bij het BKR. Hij had immers nog een lening lopen die hij ver-vroegd afloste en op 11 juli 1997 had klager een overeenkomst van geldlening bij verweerder onder-tekend.
Klager had het volle vertrouwen in de positieve adviezen van verweerder. Als hij had geweten dat hij met schulden kon achterblijven, was hij er, gezien zijn financiële positie, nooit aan begonnen.
NADERE INFORMATIE
Op verzoek van de Commissie heeft verweerder nog enkele vragen beantwoord. Hieruit komt het volgende naar voren.
Verweerder was destijds bekend met de op 11 juli 1997 gesloten persoonlijke lening. Op 8 juli 1997 heeft klager een aanvraag ingediend voor een aandelenlease-overeenkomst met X. Op diezelfde dag heeft klager eveneens een aanvraag ingediend voor een persoonlijke lening bij verweerder voor een bedrag ad ƒ 30.000. Dit leidde niet tot de conclusie dat klager mede als gevolg van de uit deze per-soonlijke lening voortvloeiende maandelijkse aflossingsverplichting geen draagkrachtruimte meer zou bezitten om tevens een aandelenlease-overeenkomst met X te sluiten. Verweerder geeft een be-re--kening weer van de draagkrachtruimte van klager, zoals gehanteerd bij het aangaan van de lease-overeenkomst. Hieruit blijkt, na aftrek van alle vaste lasten waaronder de persoonlijke lening, als-me-de de maandlasten van X, dat voor klager een minimaal netto besteedbaar inkomen resteerde van
ƒ 595. Bovendien had klager een spaarrekening met een creditsaldo van ƒ 4.264,45.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Klager heeft in juli 1997 op advies van verweerder het product X bij een andere instelling gekocht. Dit deed hij nadat verweerder hem op het product attent had gemaakt. Klager is van mening dat ver-weerder hem dit product niet had mogen adviseren, aangezien hij de vooruitbetaling van rente met ge--leend geld financierde. Bovendien heeft verweerder hem niet goed geïnformeerd.
Verweerder, althans de rechtsvoorganger van verweerder om welke het hier gaat, is en was een effectenbemiddelaar. Hij handelde actief in effectenleasecontracten. Dat deze contracten waren ont-wikkeld en werden aangegaan door een andere (tot hetzelfde concern als verweerder behorende) vennootschap maakt verweerder niet tot remisier. Verweerder was op de hoogte van de risico’s die aan het product X verbonden wa-ren.
Gelet op de op verweerder rustende zorgplicht heeft ver-weerder in dit specifieke geval niet als een redelijk bekwaam en redelijk handelend effectendienstverlener gehandeld door klager te adviseren c.q. toe te staan met geleend geld het contract X aan te gaan, hetgeen immers inhield dat klager de rente op de aan het contract verbonden lening met anderszijds geleend geld voldeed. Klager heeft vol-doende aannemelijk gemaakt dat verweerder hem onvoldoende op de risico’s van het beleggen met geleend geld heeft gewezen.
Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat verweerder aan klager dient te vergoeden de door hem betaalde 60 leasetermijnen groot € 67,55, alsmede het negatieve resultaat volgens de eindafrekening ad € 622, tezamen zijnde € 4.675 doch verminderd met de voordelen die klager uit hoofde van de lease-overeenkomst heeft genoten. De Commissie stelt deze schadever-goe-ding met inachtneming van het belastingvoordeel over de betaalde rente en onder verrekening van de door klager ontvangen dividenden, naar redelijkheid en billijkheid vast op € 3.200.
Op grond van het bovenstaande bepaalt de Commissie dat verweerder aan klager dient te ver-goeden een bedrag van € 3.200 te vermeerderen met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf
1 januari 2000 tot aan de dag van de algehele voldoening.
UITSPRAAK
De Commissie stelt het bindend advies vast dat verweerder binnen de termijn van vier weken na verzending aan partijen van een afschrift van dit bindend advies aan klager vergoedt een bedrag groot € 3.200 te verhogen met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf 1 januari 2000 tot aan de dag van algehele voldoening.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.