Kamervragen lid De Haan over Legio Lease (31-03-2003)
Geplaatst: 26 mei 2003 10:37
Kamervragen lid De Haan over Legio Lease
Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het kamerlid De Haan die mij werden toegezonden bij brief van 31 maart 2003 onder nummer 2020309540.
1.Hoe beoordeelt u de opstelling van de Autoriteit Financiële Markten (Autoriteit FM) in de ontwikkelingen rondom Legio Lease?
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt toezicht op de naleving van de effectenregelgeving in den brede en de door financiële instellingen in acht te nemen zorgplicht en informatieplicht in het bijzonder. In eerste instantie is de naleving van deze wettelijke verplichtingen de verantwoordelijkheid van de onder toezicht staande instellingen zelf. Het toezicht op deze instellingen kan nooit garanderen dat alle financiële instellingen zich altijd aan alle regels houden. Het toezicht is er wel op gericht om de kans dat regels worden overtreden zo beperkt mogelijk te houden.
De AFM heeft in het voorjaar van 2001 gewaarschuwd voor het gebruik van aandelenleaseproducten. Tijdens de presentatie van het jaarverslag heeft de toezichthouder (toen nog Stichting Toezicht Effectenverkeer, STE) duidelijk gemaakt de reclame-uitingen van aanbieders van aandelenlease producten kritisch te bekijken. Op 9 mei 2001 heeft de toezichthouder aangekondigd een onderzoek te zullen doen naar reclame-uitingen over aandelenleaseproducten. De toezichthouder meende dat aanbieders van aandelenleaseproducten teveel de nadruk legden op de in het verleden gerealiseerde rendementen en te weinig wezen op de risico’s van de producten.
Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de AFM aanbieders van aandelenleaseproducten per 1 september 2001 voorgeschreven[1] dat in de informatieverstrekking over deze producten de volgende mededeling moest worden opgenomen: “U belegt (deels) met geleend geld. Dit betekent dat u het risico loopt dat u uw inleg verliest of zelfs een schuld overhoudt”. Daarnaast heeft de AFM zich in december 2001 middels een vraaggesprek met de Telegraaf en een openbare waarschuwing op haar website kritisch uitgelaten over te verwachten prestaties van aandelenleaseplannen en heeft de toezichthouder de consument er op gewezen dat door beleggen met geleend geld het risico veel hoger is en dat de kans op een positief rendement sterk afneemt. In haar rapport over de markt voor aandelenleaseproducten van oktober 2002 ( “aandelenlease: niet bij rendement alleen”) heeft de AFM haar uitlatingen over aandelenleaseproducten verder onderbouwd.
Bij haar keuze om een onderzoek in te stellen maakt de AFM onder meer gebruik van signalen van beleggers. Tot aan het moment waarop de sterke daling van de beurskoersen (voorjaar 2000) zijn intrede deed, heeft de AFM vrijwel geen klachten ontvangen van beleggers in aandelenleaseproducten, ook niet van klanten van Dexia-dochter Legio.
Naar aanleiding van een uitzending van het televisieprogramma TROS Radar van 25 maart 2002 heeft de AFM duizenden klachten toegestuurd gekregen over aandelenleaseproducten van Legio. Legio wordt door een aantal van haar klanten verweten onzorgvuldig te hebben gehandeld bij het aanbieden haar aandelenleaseconstructie. In het bijzonder wordt Legio door deze klanten ten laste gelegd dat er op een onjuiste wijze invulling is gegeven aan de zorgplicht die een effecteninstelling in acht moeten nemen jegens een (potentiële) klant. Daarnaast wordt Legio verweten dat ze haar (potentiële) klanten niet juist heeft voorgelicht over deze aandelenleaseproducten.
Deze klachten waren voor de AFM aanleiding om op 10 april 2002 bekend te maken dat ze een onderzoek was begonnen naar de handelspraktijken bij aandelenleaseproducten en dat dit onderzoek zich in het bijzonder toespitste op Legio, maar dat ook andere aanbieders werden onderzocht. Zoals uw Kamer is bericht naar aanleiding van de vragen van het lid Wijn[2] zal de AFM na afloop van dit onderzoek bezien of mededelingen kunnen worden gedaan over mogelijke algemene bevindingen uit dit onderzoek en de daaruit getrokken conclusies. Het onderzoek is in het jaar 2002 afgerond en bevindt zich momenteel in de fase van hoor- en wederhoor.
2. Is de Autoriteit FM in haar onderzoek van oktober 2002 ook tot de conclusie gekomen dat in bepaalde gevallen bij de verkoop van aandelenleaseproducten niet aan de zorgplicht is voldaan? Zo nee, hoe verklaart u dan de grote hoeveelheid signalen die het tegendeel uitspreken? Zo ja, zijn passende maatregelen genomen tegen betrokken instellingen?
Wanneer de AFM een onderzoek instelt naar gedragingen van een onderneming of instelling die onder haar toezicht valt vanwege de toepasselijkheid van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (onder meer bij aandelenlease producten), dient de AFM een geheimhoudingsplicht in acht te nemen. Deze geheimhoudingsplicht is neergelegd in artikel 31 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en is ingegeven door Europese regelgeving. Genoemde geheimhoudingsbepaling verbiedt de AFM onder meer gegevens of inlichtingen te publiceren over afzonderlijke ondernemingen en instellingen en schrijft voor dat informatie die zij heeft verkregen ingevolge de uitoefening van de haar bij wet toebedeelde taken voor een ieder geheim moet blijven.
De AFM dient niet alleen informatie geheim te houden over de inhoud van een eventueel onderzoek naar de handelspraktijken van een specifieke financiële instelling, maar ook over de bevindingen en conclusies uit dit onderzoek. Mocht naar aanleiding van het onderzoek ten aanzien van een bepaalde onderneming zijn komen vast te staan dat in bepaalde contacten met (potentiële) afnemers onvoldoende invulling is gegeven aan de zorgplicht, dan zal de AFM dit gegeven niet openbaar kunnen maken. Dit behoudens de situatie dat een onderzoek van de AFM heeft geresulteerd in een boete of een last onder dwangsom. De AFM kan in dit geval met het oog op de adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de belegger op die markten ruchtbaarheid geven aan het feit terzake waarvan de boete is opgelegd, het voorschrift dat is overtreden en de identiteit van de onderneming die het voorschrift heeft overtreden.
Daarbij is het aan de AFM om te bepalen of van deze bevoegdheid tot openbaarmaking gebruik moet worden gemaakt. Ik vertrouw erop dat de AFM, voordat zij tot publicatie besluit, een deugdelijke afweging maakt tussen de belangen van de consument of marktpartij, de betrokken financiële instelling en het belang van de financiële sector. De AFM kan na afloop van een onderzoek (ook indien deze niet heeft geresulteerd in een boete of last onder dwangsom) altijd bezien of mededelingen kunnen worden gedaan over mogelijke algemene bevindingen en de daaruit getrokken conclusies, mits deze mededelingen niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke ondernemingen of instellingen. Dergelijke mededelingen zijn tot op heden niet gedaan.
3. Bent u bereid tot actie met als doel nadere afspraken met aanbieders van financiële diensten en financiële tussenpersonen over heldere voorlichting bij financiële producten en afspraken waar genoemde instelling ook op aangesproken kunnen worden?
Met de invoering van de regel van de AFM dat in de informatievoorziening over een aandelenleaseproduct de zinsneden moeten worden opgenomen “U belegt (deels) met geleend geld. Dit betekent dat u het risico loopt dat u uw inleg verliest of zelfs een schuld overhoudt” en de Financiële Bijsluiter per 1 juli 2002 zijn de wettelijke informatievereisten waaraan financiële ondernemingen die aandelenleaseproducten aanbieden moeten voldoen aanzienlijk aangescherpt. In de begroting 2003 werd aangekondigd dat aan het eind van 2003 zal worden gestart met een evaluatie van de Financiële Bijsluiter. Mocht blijken dat het wenselijk is om aanvullende eisen te stellen aan financiële ondernemingen wat betreft informatieverstrekking aan (potentiële) afnemers, bijvoorbeeld ten aanzien van een bepaalde productgroep, dan zal dit zeker niet worden nagelaten.
4. Is de Autoriteit FM in voldoende mate toegerust om tijdig toe te zien op de zorgplicht bij de verkoop van dergelijke risicovolle producten?
De (algemene) zorgplicht schrijft voor dat een effecteninstelling moet handelen in het belang van de (potentiële) klant en dat de financiële dienstverlener zich onder meer moet vergewissen van de financiële positie, de ervaring (en daarmee de informatiebehoefte) en de beleggingsdoelstellingen van de (potentiële) klant. De manier waarop een (potentiële) afnemer benaderd moet worden door een financiële dienstverlener is dus voor een belangrijke mate afhankelijk van de eigenschappen van deze (potentiële) afnemer.
Omdat de zorgplicht van belang is in alle contacten tussen effecteninstelling en klant is het praktisch onmogelijk om de AFM op al deze contacten toezicht te laten houden. In het toezicht ligt derhalve de nadruk op een systematische beoordeling van de mate waarin de onderneming zich bewust is van haar verantwoordelijkheden en de wijze waarop hieraan in de organisatie van het werk vorm is gegeven. Ook kan - ex post – door middel van onderzoeken worden nagegaan of instellingen in concreto op adequate wijze invulling hebben gegeven aan hun verplichtingen. Daarnaast is de AFM (mede) afhankelijk van concrete klachten van beleggers.
Indien de AFM naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek een overtreding van de effectenregelgeving constateert, kan de toezichthouder gebruik maken van de volgende bevoegdheden.Ten eerste beschikt de AFM over de bevoegdheid om een financiële instelling die in overtreding van deze regelgeving is een aanwijzing te geven met betrekking tot een te volgen gedragslijn. Deze aanwijzing kan worden gegeven met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten. Daarnaast is de AFM sinds 1 januari 2000 bevoegd boetes en lasten onder dwangsom op te leggen aan financiële instellingen, onder meer indien niet genoegzaam gevolg wordt gegeven aan een door haar gegeven aanwijzing. Bovendien is de AFM bevoegd een ontheffing of vergunning van een financiële instelling in te trekken, onder andere wanneer de normen die zijn gesteld in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en de daarop gebaseerde regelgeving onvoldoende worden naleeft.
De minister van Financiën,
Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het kamerlid De Haan die mij werden toegezonden bij brief van 31 maart 2003 onder nummer 2020309540.
1.Hoe beoordeelt u de opstelling van de Autoriteit Financiële Markten (Autoriteit FM) in de ontwikkelingen rondom Legio Lease?
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt toezicht op de naleving van de effectenregelgeving in den brede en de door financiële instellingen in acht te nemen zorgplicht en informatieplicht in het bijzonder. In eerste instantie is de naleving van deze wettelijke verplichtingen de verantwoordelijkheid van de onder toezicht staande instellingen zelf. Het toezicht op deze instellingen kan nooit garanderen dat alle financiële instellingen zich altijd aan alle regels houden. Het toezicht is er wel op gericht om de kans dat regels worden overtreden zo beperkt mogelijk te houden.
De AFM heeft in het voorjaar van 2001 gewaarschuwd voor het gebruik van aandelenleaseproducten. Tijdens de presentatie van het jaarverslag heeft de toezichthouder (toen nog Stichting Toezicht Effectenverkeer, STE) duidelijk gemaakt de reclame-uitingen van aanbieders van aandelenlease producten kritisch te bekijken. Op 9 mei 2001 heeft de toezichthouder aangekondigd een onderzoek te zullen doen naar reclame-uitingen over aandelenleaseproducten. De toezichthouder meende dat aanbieders van aandelenleaseproducten teveel de nadruk legden op de in het verleden gerealiseerde rendementen en te weinig wezen op de risico’s van de producten.
Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de AFM aanbieders van aandelenleaseproducten per 1 september 2001 voorgeschreven[1] dat in de informatieverstrekking over deze producten de volgende mededeling moest worden opgenomen: “U belegt (deels) met geleend geld. Dit betekent dat u het risico loopt dat u uw inleg verliest of zelfs een schuld overhoudt”. Daarnaast heeft de AFM zich in december 2001 middels een vraaggesprek met de Telegraaf en een openbare waarschuwing op haar website kritisch uitgelaten over te verwachten prestaties van aandelenleaseplannen en heeft de toezichthouder de consument er op gewezen dat door beleggen met geleend geld het risico veel hoger is en dat de kans op een positief rendement sterk afneemt. In haar rapport over de markt voor aandelenleaseproducten van oktober 2002 ( “aandelenlease: niet bij rendement alleen”) heeft de AFM haar uitlatingen over aandelenleaseproducten verder onderbouwd.
Bij haar keuze om een onderzoek in te stellen maakt de AFM onder meer gebruik van signalen van beleggers. Tot aan het moment waarop de sterke daling van de beurskoersen (voorjaar 2000) zijn intrede deed, heeft de AFM vrijwel geen klachten ontvangen van beleggers in aandelenleaseproducten, ook niet van klanten van Dexia-dochter Legio.
Naar aanleiding van een uitzending van het televisieprogramma TROS Radar van 25 maart 2002 heeft de AFM duizenden klachten toegestuurd gekregen over aandelenleaseproducten van Legio. Legio wordt door een aantal van haar klanten verweten onzorgvuldig te hebben gehandeld bij het aanbieden haar aandelenleaseconstructie. In het bijzonder wordt Legio door deze klanten ten laste gelegd dat er op een onjuiste wijze invulling is gegeven aan de zorgplicht die een effecteninstelling in acht moeten nemen jegens een (potentiële) klant. Daarnaast wordt Legio verweten dat ze haar (potentiële) klanten niet juist heeft voorgelicht over deze aandelenleaseproducten.
Deze klachten waren voor de AFM aanleiding om op 10 april 2002 bekend te maken dat ze een onderzoek was begonnen naar de handelspraktijken bij aandelenleaseproducten en dat dit onderzoek zich in het bijzonder toespitste op Legio, maar dat ook andere aanbieders werden onderzocht. Zoals uw Kamer is bericht naar aanleiding van de vragen van het lid Wijn[2] zal de AFM na afloop van dit onderzoek bezien of mededelingen kunnen worden gedaan over mogelijke algemene bevindingen uit dit onderzoek en de daaruit getrokken conclusies. Het onderzoek is in het jaar 2002 afgerond en bevindt zich momenteel in de fase van hoor- en wederhoor.
2. Is de Autoriteit FM in haar onderzoek van oktober 2002 ook tot de conclusie gekomen dat in bepaalde gevallen bij de verkoop van aandelenleaseproducten niet aan de zorgplicht is voldaan? Zo nee, hoe verklaart u dan de grote hoeveelheid signalen die het tegendeel uitspreken? Zo ja, zijn passende maatregelen genomen tegen betrokken instellingen?
Wanneer de AFM een onderzoek instelt naar gedragingen van een onderneming of instelling die onder haar toezicht valt vanwege de toepasselijkheid van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (onder meer bij aandelenlease producten), dient de AFM een geheimhoudingsplicht in acht te nemen. Deze geheimhoudingsplicht is neergelegd in artikel 31 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en is ingegeven door Europese regelgeving. Genoemde geheimhoudingsbepaling verbiedt de AFM onder meer gegevens of inlichtingen te publiceren over afzonderlijke ondernemingen en instellingen en schrijft voor dat informatie die zij heeft verkregen ingevolge de uitoefening van de haar bij wet toebedeelde taken voor een ieder geheim moet blijven.
De AFM dient niet alleen informatie geheim te houden over de inhoud van een eventueel onderzoek naar de handelspraktijken van een specifieke financiële instelling, maar ook over de bevindingen en conclusies uit dit onderzoek. Mocht naar aanleiding van het onderzoek ten aanzien van een bepaalde onderneming zijn komen vast te staan dat in bepaalde contacten met (potentiële) afnemers onvoldoende invulling is gegeven aan de zorgplicht, dan zal de AFM dit gegeven niet openbaar kunnen maken. Dit behoudens de situatie dat een onderzoek van de AFM heeft geresulteerd in een boete of een last onder dwangsom. De AFM kan in dit geval met het oog op de adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de belegger op die markten ruchtbaarheid geven aan het feit terzake waarvan de boete is opgelegd, het voorschrift dat is overtreden en de identiteit van de onderneming die het voorschrift heeft overtreden.
Daarbij is het aan de AFM om te bepalen of van deze bevoegdheid tot openbaarmaking gebruik moet worden gemaakt. Ik vertrouw erop dat de AFM, voordat zij tot publicatie besluit, een deugdelijke afweging maakt tussen de belangen van de consument of marktpartij, de betrokken financiële instelling en het belang van de financiële sector. De AFM kan na afloop van een onderzoek (ook indien deze niet heeft geresulteerd in een boete of last onder dwangsom) altijd bezien of mededelingen kunnen worden gedaan over mogelijke algemene bevindingen en de daaruit getrokken conclusies, mits deze mededelingen niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke ondernemingen of instellingen. Dergelijke mededelingen zijn tot op heden niet gedaan.
3. Bent u bereid tot actie met als doel nadere afspraken met aanbieders van financiële diensten en financiële tussenpersonen over heldere voorlichting bij financiële producten en afspraken waar genoemde instelling ook op aangesproken kunnen worden?
Met de invoering van de regel van de AFM dat in de informatievoorziening over een aandelenleaseproduct de zinsneden moeten worden opgenomen “U belegt (deels) met geleend geld. Dit betekent dat u het risico loopt dat u uw inleg verliest of zelfs een schuld overhoudt” en de Financiële Bijsluiter per 1 juli 2002 zijn de wettelijke informatievereisten waaraan financiële ondernemingen die aandelenleaseproducten aanbieden moeten voldoen aanzienlijk aangescherpt. In de begroting 2003 werd aangekondigd dat aan het eind van 2003 zal worden gestart met een evaluatie van de Financiële Bijsluiter. Mocht blijken dat het wenselijk is om aanvullende eisen te stellen aan financiële ondernemingen wat betreft informatieverstrekking aan (potentiële) afnemers, bijvoorbeeld ten aanzien van een bepaalde productgroep, dan zal dit zeker niet worden nagelaten.
4. Is de Autoriteit FM in voldoende mate toegerust om tijdig toe te zien op de zorgplicht bij de verkoop van dergelijke risicovolle producten?
De (algemene) zorgplicht schrijft voor dat een effecteninstelling moet handelen in het belang van de (potentiële) klant en dat de financiële dienstverlener zich onder meer moet vergewissen van de financiële positie, de ervaring (en daarmee de informatiebehoefte) en de beleggingsdoelstellingen van de (potentiële) klant. De manier waarop een (potentiële) afnemer benaderd moet worden door een financiële dienstverlener is dus voor een belangrijke mate afhankelijk van de eigenschappen van deze (potentiële) afnemer.
Omdat de zorgplicht van belang is in alle contacten tussen effecteninstelling en klant is het praktisch onmogelijk om de AFM op al deze contacten toezicht te laten houden. In het toezicht ligt derhalve de nadruk op een systematische beoordeling van de mate waarin de onderneming zich bewust is van haar verantwoordelijkheden en de wijze waarop hieraan in de organisatie van het werk vorm is gegeven. Ook kan - ex post – door middel van onderzoeken worden nagegaan of instellingen in concreto op adequate wijze invulling hebben gegeven aan hun verplichtingen. Daarnaast is de AFM (mede) afhankelijk van concrete klachten van beleggers.
Indien de AFM naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek een overtreding van de effectenregelgeving constateert, kan de toezichthouder gebruik maken van de volgende bevoegdheden.Ten eerste beschikt de AFM over de bevoegdheid om een financiële instelling die in overtreding van deze regelgeving is een aanwijzing te geven met betrekking tot een te volgen gedragslijn. Deze aanwijzing kan worden gegeven met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten. Daarnaast is de AFM sinds 1 januari 2000 bevoegd boetes en lasten onder dwangsom op te leggen aan financiële instellingen, onder meer indien niet genoegzaam gevolg wordt gegeven aan een door haar gegeven aanwijzing. Bovendien is de AFM bevoegd een ontheffing of vergunning van een financiële instelling in te trekken, onder andere wanneer de normen die zijn gesteld in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en de daarop gebaseerde regelgeving onvoldoende worden naleeft.
De minister van Financiën,