hoger beroep!!!!
Geplaatst: 18 aug 2005 16:00
Uit betrouwbare bron opgave van het aantal zaken in hoger beroep.
Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Bezoekadres
Schedeldoekshaven 100
2511 EX Den Haag
Telefoon (070) 3 70 79 11
Fax (070) 3 70 79 00
www.justitie.nl
Onderdeel
DGWRR/DSR/SO
Datum
11 augustus 2005
Bijlage(n)
1
Onderwerp
Kamervragen van de leden mw. Kant en Vendrik over het verloop van de rechtszaak in Amsterdam tegen Dexia (2040517220)
Hierbij deel ik u mee dat de vragen van Vragen van de leden mw. Kant (SP) en Vendrik (GroenLinks) over het verloop van de rechtszaak in Amsterdam tegen Dexia, ingediend op 24 juni 2005, worden beantwoord zoals aangegeven in de bijlage bij deze brief.
De Minister van Justitie,
Antwoorden van de Minister van Justitie op de vragen van de leden mw. Kant (SP) en Vendrik (GroenLinks) over het verloop van de rechtszaak in Amsterdam tegen Dexia (ingezonden 24 juni 2005, nr: 2040517220)
Vraag 1
Bent u bekend met de rechtszaak in Amsterdam tegen Dexia met rolnummer 7104-8720?
Ja. Bij de beantwoording van de vragen ben ik er net als de Raad voor de rechtspraak vanuit gegaan dat gedoeld wordt op de zaak met het rolnummer CV 04-8720.
Vraag 2
Kunt u zich voorstellen dat zij die procederen tegen Dexia of aangeklaagd zijn door Dexia hierdoor het gevoel krijgen dat hun rechtsgang belemmerd dan wel vertraagd wordt? Wat is hierop uw reactie?
Algemeen
De doorlooptijd van civiele procedures wordt onder meer bepaald door de complexiteit van een zaak. In dit onderhavige type zaken dient de rechter zowel ten aanzien van algemene rechtsvragen als ten aanzien van de individuele persoonlijke en financiële omstandigheden vele gecompliceerde beslissingen te nemen. De complexiteit wordt bovendien vergroot omdat in de aandelenleaseprocedures richtinggevende jurisprudentie van de Hoge Raad nog ontbreekt ten aanzien van een aantal belangrijke rechtsvragen.
Omdat genoemde bankinstelling in Amsterdam zetelt, wordt vooral de kantonsector van de rechtbank Amsterdam buitengewoon zwaar belast met deze zeer bewerkelijke zaaksoort. Tot 23 juni 2005 waren bij de kantonsector van de rechtbank Amsterdam 1.185 aandelenleasezaken aangebracht. In meer dan de helft van deze zaken treedt genoemde bankinstelling als gedaagde partij op. De onder (1) genoemde zaak valt ook onder deze laatste categorie, en is bovendien vanwege het collectieve karakter omvangrijker en bewerkelijker dan de aandelenleasezaken waarin genoemde bankinstelling als eiseres optreedt.
Onderhavige zaak
In de onder (1) genoemde individuele zaak, die op 1 april 2004 voor het eerst gediend heeft, is reeds op 13 mei 2004 een eerste tussenvonnis gewezen, waarna partijen nadere schriftelijke toelichtingen hebben gegeven en op 10 november 2004 op verzoek van partijen door de gemachtigden van partijen is gepleit. Nadien is op 31 maart 2005 wederom een (uitvoerig) tussenvonnis gewezen, waarna partijen zich in diverse aktes nader hebben uitgelaten, voor het laatst op 23 juni 2005. Thans staat de zaak voor vonnis op 28 juli 2005. Een doorlooptijd van 16 maanden is voor een civiele bodemprocedure van een dergelijke aard niet ongebruikelijk, zeker wanneer partijen pleidooi vragen. In vergelijking met de gemiddelde behandeltijd voor deze categorie zaken kan er geenszins gesproken worden van een vertraagde rechtsgang.
Vraag 3
Wat is uw reactie op het feit dat de rechtbanken, en in het bijzonder het kantongerecht Amsterdam, geneigd zijn te wachten met het voortzetten van deze procedures tot er arresten zijn gewezen door het gerechtshof inzake artikel 88, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de zorgplicht en inzake de Wet op het consumentenkrediet (Wck)? Wat is hierop uw reactie?
Landelijk aanhoudingsbeleid
In afwachting van de uitkomsten van de bemiddeling door de heer Duisenberg, houden de kantonrechters de lopende aandelenleasezaken aan tenzij één van de partijen vonnis vraagt. In dit laatste geval wordt er derhalve gewoon door geprocedeerd. Partijen worden dus niet tegen hun zin gedwongen om af te wachten. Dit aanhoudingsbeleid is gecoördineerd vastgesteld. Hierbij heeft een belangrijke rol gespeeld dat met nu tegen de zin van partijen van de zijde van de rechter aan te dringen op voort procederen hoge kosten (voor de procespartijen en de rechtspraak) gemoeid zijn, terwijl naar verwachting op redelijk korte termijn door uitspraken van hogere rechters duidelijkheid ten aanzien van enkele openstaande rechtsvragen zou ontstaan, waarna een belangrijk deel van die kosten vergeefs gemaakt zou zijn.
Aanhoudingsbeleid rechtbank Amsterdam
Gezien het specifieke karakter van de zaken die bij de rechtbank Amsterdam zijn aangebracht en het feit dat in Amsterdam veel zaken aanhangig zijn (zie hierna) voeren de rechters van de rechtbank Amsterdam in aanvulling op het landelijk beleid een actiever aanhoudingsbeleid. Omdat informeel ingewonnen informatie bij Hof en Hoge Raad begin 2005 tot de verwachting leidde dat mogelijk nog in de loop van 2005 arresten van Hof en/of Hoge Raad verwacht konden worden ten aanzien van bedoelde belangrijke rechtsvragen, is in het voorjaar van 2005 door de kantonrechters te Amsterdam besloten om een actief aanhoudingsbeleid te voeren en alle lopende zaken aan te houden tot begin december 2005. Daarbij is tevens de mogelijkheid geopend voor partijen om gemotiveerd aan te geven waarom zij, ondanks vorenstaande overwegingen, van mening zijn dat in hun zaak toch voort geprocedeerd moet worden. Op enkele van dergelijke verzoeken is vervolgens ook positief beslist.
Dit aanhoudingsbeleid is overigens onlangs aangepast, nadat duidelijk werd dat noch het Hof (Amsterdam), noch de Hoge Raad naar verwachting al in 2005 zullen gaan beslissen en bovendien de bemiddelingspoging van de heer Duisenberg resultaat heeft gehad. Dit laatste zal naar verwachting in de komende maanden tot beslissingen van de betrokken partijen over een schikkingsaanbod leiden, waarna duidelijkheid zal ontstaan over de noodzaak tot voort procederen. In die zaken waarin de zaak geschikt en dus de procedure gestaakt zal worden, zal het besluit dus blijken te hebben geleid tot een aanzienlijke besparing van kosten, zowel voor partijen als voor de rechtspraak.
Mogelijk ten overvloede merk ik op dat het landelijke en Amsterdamse aanhoudingsbeleid een beslissing binnen het rechterlijk domein is waarover de gerechtsbesturen, de Raad voor de rechtspraak en de Minister van Justitie geen zeggenschap hebben.
Vraag 4
Wilt u de Kamer een overzicht doen toekomen van de rechtszaken in dezen die bij de gerechtshoven liggen waardoor de afhandeling van de desbetreffende zaken bij de kantonrechter worden opgehouden?
Ja. De Raad voor de rechtspraak heeft mij het volgende overzicht gegeven:
Hof Arnhem: 18 zaken (per 4 juli 2005)
Hof Amsterdam: 39 zaken (per 30 juni 2005)
Hof Den Haag: 15 zaken (per 30 juni 2005)
Hof ’s-Hertogenbosch: 23 zaken (per 5 juli 2005)
Hof Leeuwarden: geen zaken (per 4 juli 2005)
In dit verband wordt gewezen op een tweetal arresten van het Hof ’s-Hertogenbosch van 5 juli 2005.
Vraag 5
Kunt u aangeven of er nog andere redenen zijn, en zo ja welke, die een spoedige afhandeling van deze procedures kunnen belemmeren?
Zie antwoorden 2 en 3.
Vraag 6
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is voor de procesgang als een procederende partij de rechter moet overtuigen van zijn/haar belang in een reeds lopende procedure? Zo neen, waarom niet?
Om redenen van proceseconomie behoort het tot de taak van de rechter om bij de beslissingen ten aanzien van de te volgen procedure zich te oriënteren omtrent de bij de voortgang van de procedure betrokken belangen van partijen. Daarbij is expliciet de mogelijkheid geboden om op individueel zaaksniveau door de rechter te laten toetsen of de belangen van betrokkene(n) versnelling van het beoogde regiem rechtvaardigden. In een beperkt deel van de betrokken zaken is van die mogelijkheid gebruik gemaakt.
Vraag 7
Erkent u dat hierdoor in feite de rechtsgang voor procederende afnemers van aandelenleaseproducten wordt belemmerd?
Het verloop van die rechtsgang wordt in belangrijke mate bepaald door de beslissingen van Hof en Hoge Raad ten aanzien van de in deze vele procedures telkens terugkerende rechtsvragen. Indien die beslissingen op korte termijn verwacht kunnen worden, mag van de lagere rechter worden verwacht dat hij zijn zaken aanhoudt. Er kan dan ook geenszins sprake zijn van belemmering van de rechtsgang als de lagere rechter besluit op die beslissingen te wachten. Dit laatste is bovenal in belang van procespartijen.
Vraag 8
Wat kunt u en bent u bereid te doen om de beloofde voortvarende procesrechtelijke behandeling van de aandelenlease-geschillen te bewerkstelligen?
Bezien van uit de staatsrechtelijke verhoudingen tussen de Minister van Justitie en de rechtspraak, is het onwenselijk als de minister zich in de behandeling van concrete geschillen mengt.
De rechtspraak is van uw zorgen op de hoogte.
Vraag 9
Zou u het aanmoedigen als de rechterlijke macht rond de tafel gaat zitten om te bezien wat hunnerzijds mogelijk is opdat alle procederende afnemers van aandelenleaseproducten een snelle rechtsgang kunnen krijgen?
Om de instroom van aandelenleasezaken te kunnen beheersen, de behandeling van procedures te versnellen en de rechtseenheid te bevorderen hebben de rechtbanken in het najaar van 2004 de volgende coördinatiemaatregelen getroffen:
(1) per ressort zijn werkgroepen opgericht die een lijst van aandachtspunten hebben opgesteld die gebruikt kunnen worden als hulpmateriaal bij de behandeling van aandelenleasezaken;
(2) per ressort is een coördinator benoemd die, waar mogelijk, zorgt voor een clustering van zaken;
(3) de coördinatoren zullen er op toezien dat zaken die zich lenen voor versneld beroep of cassatie bij de Hoge Raad met voorrang worden behandeld teneinde het hoger beroep zo snel mogelijk af te handelen waardoor eerder duidelijkheid komt te bestaan; en (4) ten behoeve van een informatievoorziening over de inhoud van alle uitspraken in aandelenleasezaken, hebben alle rechters in het land toegang tot een database.
De hierboven vermelde maatregelen blijken in de praktijk te werken en Raad voor de rechtspraak en het Landelijk overleg kantonsectorvoorzitters zien derhalve op dit moment geen aanleiding voor uitbreiding of wijziging van de coördinatiemaatregelen.
Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Bezoekadres
Schedeldoekshaven 100
2511 EX Den Haag
Telefoon (070) 3 70 79 11
Fax (070) 3 70 79 00
www.justitie.nl
Onderdeel
DGWRR/DSR/SO
Datum
11 augustus 2005
Bijlage(n)
1
Onderwerp
Kamervragen van de leden mw. Kant en Vendrik over het verloop van de rechtszaak in Amsterdam tegen Dexia (2040517220)
Hierbij deel ik u mee dat de vragen van Vragen van de leden mw. Kant (SP) en Vendrik (GroenLinks) over het verloop van de rechtszaak in Amsterdam tegen Dexia, ingediend op 24 juni 2005, worden beantwoord zoals aangegeven in de bijlage bij deze brief.
De Minister van Justitie,
Antwoorden van de Minister van Justitie op de vragen van de leden mw. Kant (SP) en Vendrik (GroenLinks) over het verloop van de rechtszaak in Amsterdam tegen Dexia (ingezonden 24 juni 2005, nr: 2040517220)
Vraag 1
Bent u bekend met de rechtszaak in Amsterdam tegen Dexia met rolnummer 7104-8720?
Ja. Bij de beantwoording van de vragen ben ik er net als de Raad voor de rechtspraak vanuit gegaan dat gedoeld wordt op de zaak met het rolnummer CV 04-8720.
Vraag 2
Kunt u zich voorstellen dat zij die procederen tegen Dexia of aangeklaagd zijn door Dexia hierdoor het gevoel krijgen dat hun rechtsgang belemmerd dan wel vertraagd wordt? Wat is hierop uw reactie?
Algemeen
De doorlooptijd van civiele procedures wordt onder meer bepaald door de complexiteit van een zaak. In dit onderhavige type zaken dient de rechter zowel ten aanzien van algemene rechtsvragen als ten aanzien van de individuele persoonlijke en financiële omstandigheden vele gecompliceerde beslissingen te nemen. De complexiteit wordt bovendien vergroot omdat in de aandelenleaseprocedures richtinggevende jurisprudentie van de Hoge Raad nog ontbreekt ten aanzien van een aantal belangrijke rechtsvragen.
Omdat genoemde bankinstelling in Amsterdam zetelt, wordt vooral de kantonsector van de rechtbank Amsterdam buitengewoon zwaar belast met deze zeer bewerkelijke zaaksoort. Tot 23 juni 2005 waren bij de kantonsector van de rechtbank Amsterdam 1.185 aandelenleasezaken aangebracht. In meer dan de helft van deze zaken treedt genoemde bankinstelling als gedaagde partij op. De onder (1) genoemde zaak valt ook onder deze laatste categorie, en is bovendien vanwege het collectieve karakter omvangrijker en bewerkelijker dan de aandelenleasezaken waarin genoemde bankinstelling als eiseres optreedt.
Onderhavige zaak
In de onder (1) genoemde individuele zaak, die op 1 april 2004 voor het eerst gediend heeft, is reeds op 13 mei 2004 een eerste tussenvonnis gewezen, waarna partijen nadere schriftelijke toelichtingen hebben gegeven en op 10 november 2004 op verzoek van partijen door de gemachtigden van partijen is gepleit. Nadien is op 31 maart 2005 wederom een (uitvoerig) tussenvonnis gewezen, waarna partijen zich in diverse aktes nader hebben uitgelaten, voor het laatst op 23 juni 2005. Thans staat de zaak voor vonnis op 28 juli 2005. Een doorlooptijd van 16 maanden is voor een civiele bodemprocedure van een dergelijke aard niet ongebruikelijk, zeker wanneer partijen pleidooi vragen. In vergelijking met de gemiddelde behandeltijd voor deze categorie zaken kan er geenszins gesproken worden van een vertraagde rechtsgang.
Vraag 3
Wat is uw reactie op het feit dat de rechtbanken, en in het bijzonder het kantongerecht Amsterdam, geneigd zijn te wachten met het voortzetten van deze procedures tot er arresten zijn gewezen door het gerechtshof inzake artikel 88, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de zorgplicht en inzake de Wet op het consumentenkrediet (Wck)? Wat is hierop uw reactie?
Landelijk aanhoudingsbeleid
In afwachting van de uitkomsten van de bemiddeling door de heer Duisenberg, houden de kantonrechters de lopende aandelenleasezaken aan tenzij één van de partijen vonnis vraagt. In dit laatste geval wordt er derhalve gewoon door geprocedeerd. Partijen worden dus niet tegen hun zin gedwongen om af te wachten. Dit aanhoudingsbeleid is gecoördineerd vastgesteld. Hierbij heeft een belangrijke rol gespeeld dat met nu tegen de zin van partijen van de zijde van de rechter aan te dringen op voort procederen hoge kosten (voor de procespartijen en de rechtspraak) gemoeid zijn, terwijl naar verwachting op redelijk korte termijn door uitspraken van hogere rechters duidelijkheid ten aanzien van enkele openstaande rechtsvragen zou ontstaan, waarna een belangrijk deel van die kosten vergeefs gemaakt zou zijn.
Aanhoudingsbeleid rechtbank Amsterdam
Gezien het specifieke karakter van de zaken die bij de rechtbank Amsterdam zijn aangebracht en het feit dat in Amsterdam veel zaken aanhangig zijn (zie hierna) voeren de rechters van de rechtbank Amsterdam in aanvulling op het landelijk beleid een actiever aanhoudingsbeleid. Omdat informeel ingewonnen informatie bij Hof en Hoge Raad begin 2005 tot de verwachting leidde dat mogelijk nog in de loop van 2005 arresten van Hof en/of Hoge Raad verwacht konden worden ten aanzien van bedoelde belangrijke rechtsvragen, is in het voorjaar van 2005 door de kantonrechters te Amsterdam besloten om een actief aanhoudingsbeleid te voeren en alle lopende zaken aan te houden tot begin december 2005. Daarbij is tevens de mogelijkheid geopend voor partijen om gemotiveerd aan te geven waarom zij, ondanks vorenstaande overwegingen, van mening zijn dat in hun zaak toch voort geprocedeerd moet worden. Op enkele van dergelijke verzoeken is vervolgens ook positief beslist.
Dit aanhoudingsbeleid is overigens onlangs aangepast, nadat duidelijk werd dat noch het Hof (Amsterdam), noch de Hoge Raad naar verwachting al in 2005 zullen gaan beslissen en bovendien de bemiddelingspoging van de heer Duisenberg resultaat heeft gehad. Dit laatste zal naar verwachting in de komende maanden tot beslissingen van de betrokken partijen over een schikkingsaanbod leiden, waarna duidelijkheid zal ontstaan over de noodzaak tot voort procederen. In die zaken waarin de zaak geschikt en dus de procedure gestaakt zal worden, zal het besluit dus blijken te hebben geleid tot een aanzienlijke besparing van kosten, zowel voor partijen als voor de rechtspraak.
Mogelijk ten overvloede merk ik op dat het landelijke en Amsterdamse aanhoudingsbeleid een beslissing binnen het rechterlijk domein is waarover de gerechtsbesturen, de Raad voor de rechtspraak en de Minister van Justitie geen zeggenschap hebben.
Vraag 4
Wilt u de Kamer een overzicht doen toekomen van de rechtszaken in dezen die bij de gerechtshoven liggen waardoor de afhandeling van de desbetreffende zaken bij de kantonrechter worden opgehouden?
Ja. De Raad voor de rechtspraak heeft mij het volgende overzicht gegeven:
Hof Arnhem: 18 zaken (per 4 juli 2005)
Hof Amsterdam: 39 zaken (per 30 juni 2005)
Hof Den Haag: 15 zaken (per 30 juni 2005)
Hof ’s-Hertogenbosch: 23 zaken (per 5 juli 2005)
Hof Leeuwarden: geen zaken (per 4 juli 2005)
In dit verband wordt gewezen op een tweetal arresten van het Hof ’s-Hertogenbosch van 5 juli 2005.
Vraag 5
Kunt u aangeven of er nog andere redenen zijn, en zo ja welke, die een spoedige afhandeling van deze procedures kunnen belemmeren?
Zie antwoorden 2 en 3.
Vraag 6
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is voor de procesgang als een procederende partij de rechter moet overtuigen van zijn/haar belang in een reeds lopende procedure? Zo neen, waarom niet?
Om redenen van proceseconomie behoort het tot de taak van de rechter om bij de beslissingen ten aanzien van de te volgen procedure zich te oriënteren omtrent de bij de voortgang van de procedure betrokken belangen van partijen. Daarbij is expliciet de mogelijkheid geboden om op individueel zaaksniveau door de rechter te laten toetsen of de belangen van betrokkene(n) versnelling van het beoogde regiem rechtvaardigden. In een beperkt deel van de betrokken zaken is van die mogelijkheid gebruik gemaakt.
Vraag 7
Erkent u dat hierdoor in feite de rechtsgang voor procederende afnemers van aandelenleaseproducten wordt belemmerd?
Het verloop van die rechtsgang wordt in belangrijke mate bepaald door de beslissingen van Hof en Hoge Raad ten aanzien van de in deze vele procedures telkens terugkerende rechtsvragen. Indien die beslissingen op korte termijn verwacht kunnen worden, mag van de lagere rechter worden verwacht dat hij zijn zaken aanhoudt. Er kan dan ook geenszins sprake zijn van belemmering van de rechtsgang als de lagere rechter besluit op die beslissingen te wachten. Dit laatste is bovenal in belang van procespartijen.
Vraag 8
Wat kunt u en bent u bereid te doen om de beloofde voortvarende procesrechtelijke behandeling van de aandelenlease-geschillen te bewerkstelligen?
Bezien van uit de staatsrechtelijke verhoudingen tussen de Minister van Justitie en de rechtspraak, is het onwenselijk als de minister zich in de behandeling van concrete geschillen mengt.
De rechtspraak is van uw zorgen op de hoogte.
Vraag 9
Zou u het aanmoedigen als de rechterlijke macht rond de tafel gaat zitten om te bezien wat hunnerzijds mogelijk is opdat alle procederende afnemers van aandelenleaseproducten een snelle rechtsgang kunnen krijgen?
Om de instroom van aandelenleasezaken te kunnen beheersen, de behandeling van procedures te versnellen en de rechtseenheid te bevorderen hebben de rechtbanken in het najaar van 2004 de volgende coördinatiemaatregelen getroffen:
(1) per ressort zijn werkgroepen opgericht die een lijst van aandachtspunten hebben opgesteld die gebruikt kunnen worden als hulpmateriaal bij de behandeling van aandelenleasezaken;
(2) per ressort is een coördinator benoemd die, waar mogelijk, zorgt voor een clustering van zaken;
(3) de coördinatoren zullen er op toezien dat zaken die zich lenen voor versneld beroep of cassatie bij de Hoge Raad met voorrang worden behandeld teneinde het hoger beroep zo snel mogelijk af te handelen waardoor eerder duidelijkheid komt te bestaan; en (4) ten behoeve van een informatievoorziening over de inhoud van alle uitspraken in aandelenleasezaken, hebben alle rechters in het land toegang tot een database.
De hierboven vermelde maatregelen blijken in de praktijk te werken en Raad voor de rechtspraak en het Landelijk overleg kantonsectorvoorzitters zien derhalve op dit moment geen aanleiding voor uitbreiding of wijziging van de coördinatiemaatregelen.