Kabinetsreactie rapport CGA
Geplaatst: 30 jul 2006 17:48
EEN ENORME LAP TEKST DIE VOOR IEDER WEL WAT INFORMATIE VERSCHAFT
LAATST AANGEPAST 12-04-2006.
gevonden bij WOB (Wet openbaarheid van bestuur)
Kabinetsreactie rapport Commissie Geschillen Aandelenlease (CGA)
Brief | 27-08-2004 | nr FM04-1135
Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA ‘S-GRAVENHAGE
Datum
Uw brief (Kenmerk)
Ons kenmerk
FM 2004-1135 M
Onderwerp
Kabinetsreactie aandelenlease
Allereerst wordt inhoudelijk gereageerd op het eindrapport van de Commissie Geschillen Aandelenlease, dat zij mij op 13 juli jl. heeft aangeboden. Vervolgens zal uiteengezet worden welke voor de aandelenleaseproblematiek relevante activiteiten de overheid in het verleden heeft ontplooid en in de toekomst nog wenst te ontplooien. Ten slotte worden enige woorden gewijd aan de registratie bij het Bureau Kredietregistratie, schuldhulpverlening en schuldsanering.
1. Het eindrapport van de Commissie Geschillen Aandelenlease
De Commissie Geschillen Aandelenlease (die hierna zal worden aangeduid als “de CGA”) is ingesteld op 3 september 2003. Met het instellen van de CGA heeft de overheid beoogd om aanbieders en afnemers van aandelenleaseproducten een “aanvullende infrastructuur” te bieden voor de beëindiging van de tussen hen bestaande geschillen die voortvloeien uit de verkoop van aandelenlease-producten in de jaren 1995 tot en met 2002. Voor betrokken partijen was duidelijkheid op zo kort mogelijke termijn een belangrijk streven. Het was daarom van belang dat de openstaande conflicten zo min mogelijk op juridische procedures zouden uitlopen. In dat verband heeft de overheid de CGA gevraagd te bemiddelen tussen aanbieders en afnemers, om aldus te bevorderen dat partijen onderling op een efficiënte wijze tot een oplossing zouden komen voor hun geschillen. De CGA vervulde haar taak als comité van goede diensten.
Op 16 juni 2004 heeft de CGA laten weten dat zij zich tot haar spijt genoodzaakt zag om haar bemiddelingsactiviteiten te staken, omdat zij onvoldoende grondslag zag voor een zinvolle en verantwoorde voortzetting van haar overleg met partijen gericht op het tot stand brengen van een regeling voor nog openstaande aandelenleaseconflicten. Over haar werkzaamheden heeft de CGA gerapporteerd op 13 juli jl. In haar eindrapport is uiteengezet op welke wijze zij invulling heeft gegeven aan haar taak en waartoe haar werkzaamheden hebben geleid.
Partijen zijn nu alsnog aangewezen op een gang naar de burgerlijke rechter of naar een andere geschillenbeslechtende instantie, om zo – individueel of collectief - een juridisch bindende uitspraak over hun geschil te verkrijgen. Het is overigens mogelijk dat bepaalde groepen van afnemers, aanknopend bij de analyses uit het eindrapport van de CGA en op hen van toepassing zijnde jurisprudentie, nu zullen besluiten om in hun situatie te berusten. Nadat met het instellen van de CGA een instrument aangereikt is ter bevordering van het ontstaan van een schikking, en dit niet gelukt is, heeft het kabinet geen aanwijzingen die een nieuw bemiddelingsinitiatief van overheidswege zouden kunnen rechtvaardigen.
Het is zeer te betreuren dat de CGA er uiteindelijk niet in geslaagd is om aanbieders en (organisaties van) afnemers voldoende tot elkaar te brengen. Haar werkzaamheden zijn overigens niet vergeefs geweest. Het veld van de aandelenleaseproblematiek ziet er thans anders uit dan bij haar installatie in september 2003. Met het rapport van de CGA is een bruikbaar overzicht van het veld van de aandelenleaseproblematiek beschikbaar gekomen. Zoals de CGA in haar eindrapport terecht opmerkt, is het door de grote diversiteit in de aandelenleaseproducten zelf en in de wijze waarop deze producten zijn aangeboden niet goed mogelijk een algemeen oordeel te geven over de geschillen. Bij beslechting van de geschillen zullen de individuele omstandigheden van het geval telkens beslissend zijn. Die omstandigheden moeten naar mening van de CGA echter wel worden geplaatst in de context van een meer omvattend beeld van de aandelenleaseproblematiek, omdat anders het gevaar dreigt dat een vertekend beeld ontstaat van de wijze waarop de aandelenleaseproducten in de markt zijn gezet, en daardoor ook van de wederzijdse verantwoordelijkheden van de desbetreffende aanbieders, tussenpersonen en afnemers. Mogelijk kan het neutrale overzicht van geschilpunten en argumenten dat de CGA in haar eindrapport heeft gegeven - samen met de weergave van de resultaten uit de rechtspraak tot nu toe - betrokken partijen, rechtshulpverleners en rechters meer inzicht geven in de aandelenleaseproblematiek en kan dit inzicht hen tijd, moeite en kosten besparen.
Het eindrapport van de CGA heeft civielrechtelijk dezelfde consequenties als het rapport “Aandelenlease” van de AFM van oktober 2003 en van de publicatie van de boetes die de AFM heeft opgelegd aan Dexia van 22 juli jl. Het is volledig aan de rechter om te bepalen of en op welke wijze hij de informatie en gezichtspunten van de CGA kan en moet betrekken bij zijn afwegingen in individuele aandelenleasezaken.
2. Conclusies van het kabinet
De eerste aandelenleaseproducten verschenen op de Nederlandse markt in 1989. Vooral vanaf het midden van de jaren negentig steeg hun populariteit onder consumenten snel. Dat een deel van de rente over de producten onder het toenmalige fiscale regime nog aftrekbaar was, werd gezien als een aantrekkelijk aspect van aandelenlease. Rond de eeuwwisseling bezat 6% van de Nederlandse gezinnen één of meer van deze producten, die voorkomen in talloze varianten, maar met elkaar gemeen hebben dat er belegd wordt met geleend geld.
Beleggen met geleend geld is al sinds vele decennia een bekend en geaccepteerd fenomeen in Nederland. Het traditionele effectenkrediet, waarbij de klant tegen onderpand van zijn bestaande effectenportefeuille krediet verkrijgt van zijn bank om met dit krediet meer effecten aan te kunnen kopen verschilt echter op meerdere punten van het product aandelenlease. Bij aandelenlease beschikt de klant vóór het verkrijgen van de lening nog niet over een effectentegoed, worden de aan te kopen effecten voor 100% gefinancierd in plaats van de maximale 70% die bij effectenkrediet doorgaans gebruikelijk is en heeft de klant weinig of geen bemoeienis met de samenstelling van zijn eigen portefeuille.
Tot medio 2000 – het moment dat de beurskoersen gingen dalen na een lange periode van bestendige stijging – hebben veel consumenten door deelname in financiële producten die direct of indirect een beleggingselement kenden, geprofiteerd van de gunstige economische ontwikkelingen en het effect daarvan op de beurskoersen. Na medio 2000 zijn deze consumenten op ingrijpende wijze geconfronteerd met het gegeven dat aandelen zowel in waarde kunnen stijgen als dalen. De negatieve beursontwikkelingen leidden tot een naar aard en omvang ongekende financiële problematiek onder particuliere beleggers. Veel aandelenleasebezitters hebben de door hen betaalde rente op de leasesom verloren, anderen werden daarenboven nog geconfronteerd met een restschuld. Ook aan de kant van de aanbieders zijn de financiële belangen aanzienlijk. In aanvulling hierop is het mogelijk dat de geschillen die zijn ontstaan tussen aanbieders en afnemers van aandelenleaseproducten aanleiding zullen geven tot een aanzienlijke belasting van de Nederlandse rechtspraak. Zoals ook al opgemerkt is tijdens de twee Algemene Overleggen over het onderwerp aandelenlease in juni 2003, moet de thans ontstane situatie rond aandelenlease om deze redenen gekarakteriseerd worden als een vraagstuk met een bredere maatschappelijke betekenis.
De afnemers van aandelenleaseproducten zijn evenwel niet de enige consumenten van financiële producten die nadelige effecten van de koersdalingen op de beurs hebben ondervonden. Ook consumenten die zich rechtstreeks met eigen geld of via andersoortige beleggingsproducten op de effectenmarkt begaven, hebben door de beursontwikkelingen na medio 2000 forse financiële tegenvallers moeten incasseren. Sinds medio 2000 is bij benadering maar liefst € 450 miljard aan beurswaarde verdampt. Hoe groot de financiële tegenvallers van particuliere beleggers ook zijn en hoe schrijnend soms hun verhalen en ervaringen, de verantwoordelijkheid voor het al dan niet aanschaffen van een financieel product ligt primair bij de consument zelf. Het is daarom, zoals in het kader van de aandelenleaseproblematiek al eerder is aangegeven, niet aan de overheid om compensatie te bieden voor geleden beleggingsverliezen. Zou zij dit wel doen, dan zou dit betekenen dat alle belastingbetalers moeten meebetalen aan de negatieve gevolgen van de financiële producten die een aantal van hen heeft aangeschaft.
De kern van de thans bestaande aandelenleasegeschillen is dat afnemers van mening zijn dat zij niet weloverwogen tot de aanschaf van hun aandelenleaseproducten hebben kunnen besluiten, omdat door de aanbieders cruciale informatie is achtergehouden over de aard en de risico’s van de producten. Zij menen door de aanbieders misleid te zijn en stellen daarenboven vaak dat de aanbieders, als professionele dienstverleners, hadden moeten afzien van de verkoop van deze voor veel particulieren ongeschikte beleggingsproducten. Afnemers vechten aldus, met de geldende wettelijke regels in de hand, de rechtsgeldigheid van hun contracten aan en/of eisen van aanbieders of van de tussenpersonen die betrokken zijn geweest bij de verkoop, compensatie voor de vanwege deze contracten geleden verliezen. De huidige geschillen ten aanzien van de verkoop van aandelenleaseproducten vinden derhalve, met een beroep op het geldende recht, plaats tussen private partijen (aanbieders en afnemers). Daarom is ook het oplossen van deze geschillen primair de verantwoordelijkheid van de betrokken partijen zelf.
Bij brief van 25 juni 2003 is uiteengezet dat de betrokkenheid van de overheid bij het functioneren van de financiële markten in beginsel alleen gericht is op het creëren van (i) adequate regelgeving, (ii) adequaat toezicht op de naleving van deze regelgeving en (iii) het bieden van een onafhankelijke en kwalitatief hoogwaardige rechtsgang waarlangs partijen de naleving van de regelgeving jegens elkaar kunnen afdwingen. In het navolgende wordt duidelijk hoe de overheid in het kader van aandelenlease invulling heeft gegeven aan deze betrokkenheid.
(i) De regelgeving
Het is de taak van de overheid om regels te formuleren die consumenten van financiële producten, zoals aandelenlease, in staat stellen hun eigen verantwoordelijkheid te nemen in het verkeer met professionele wederpartijen. Vanwege de grote kennisvoorsprong waarover financiële dienstverleners ten opzichte van consumenten beschikken en vanwege het belang van het vertrouwen in de financiële sector, dat voor het goede functioneren van die sector essentieel is, zijn dergelijke regels wenselijk.
De overheid heeft voor financiële dienstverlening verschillende soorten eisen geformuleerd. Zo zijn er onder andere eisen die gesteld worden aan (kenmerken van) de financiële dienstverlener zelf. De eis dat een financiële dienstverlener betrouwbaar en deskundig moet zijn is hiervan een voorbeeld. Ook zijn er eisen die worden gesteld aan het proces van financiële dienstverlening, zoals de verplichting om consumenten zorgvuldig te behandelen, waaronder de verplichtingen worden begrepen om de consument adequaat te informeren en te beoordelen of een product aansluit bij zijn behoeften en mogelijkheden. Deze beleidsmatige uitgangspunten komen reeds tot uitdrukking in de geldende financiële toezichtregelgeving. In het kader van de aandelenleaseproblematiek is in dit opzicht vooralsnog met name de regelgeving bij of krachtens de Wet toezicht effectenverkeer 1995 relevant.
Evenals het grootste deel van de regelgeving ten aanzien van de financiële sector, heeft de regelgeving ten aanzien van het aanbieden van aandelenleaseproducten de afgelopen jaren een zekere ontwikkeling doorgemaakt. Ten aanzien van de wettelijke gedragsregels is die ontwikkeling onder andere ingegeven door voortschrijdende Europese harmonisatie en door een veranderend denken over de verantwoordelijkheden van financiële dienstverleners ten opzichte van hun klanten, bijvoorbeeld in het kader van de zogenaamde zorgplicht. Binnenkort zullen aandelenleaseproducten ook vallen onder de werkingssfeer van de Wet financiële dienstverlening (Wfd), waarvan het wetsontwerp momenteel voorligt in uw Kamer.
Hoewel met de nieuwe Wet financiële dienstverlening en de daarop volgende Wet financieel toezicht een contemporair stelsel van financiële (toezichts)wetgeving zal ontstaan, is met de verschillende huidige regelgeving de consumentenbescherming ook reeds geborgd. Wanneer afnemers menen dat zij in het kader van de aankoop of afwikkeling van hun aandelenleaseproduct op enige wijze onheus bejegend zijn, biedt de thans bestaande regelgeving (bepalingen van het Burgerlijk Wetboek ingevuld door regels die gelden bij of krachtens de Wet toezicht effectenverkeer 1995) hen immers handvatten om hun rechten geldend te maken in een juridische procedure tegen de aanbieder. Dit neemt niet weg dat er een behoefte bestaat aan verduidelijking van de wederzijdse verantwoordelijkheden van financiële dienstverlener en consument. Dit geldt in het bijzonder voor wat betreft de verantwoordelijkheden die bij financiële dienstverlening rusten op tussenpersonen. Hieraan wordt in het wetsontwerp voor de Wfd in ruime mate aandacht besteed. Met de Wfd zal deze bedrijfstak worden onderworpen aan (verscherpt) publiek (gedrags)toezicht. Het kabinet ziet overigens niets in het weren van bepaalde risicovolle financiële producten, zoals aandelenleaseproducten, van de markt, omdat deze producten wel degelijk geschikt kunnen zijn voor een deel van de markt. De oplossing zal daarom vooral moeten worden gezocht in de wettelijke waarborgen die gelden voor de handel in dergelijke producten.
In het wetsontwerp voor de Wfd is voor bemiddelaars in verzekeringsproducten de verplichting opgenomen dat zij dienen te beschikken over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een vergelijkbare voorziening. Gezien de opmerking van de CGA dat haar is gebleken dat afnemers van aandelenleaseproducten in hun verhaalsmogelijkheden worden beperkt omdat veel tussenpersonen over te weinig vermogen beschikken om een eventuele schadeclaim te voldoen, zal door het kabinet –mede gelet op de administratieve lasten - worden bezien of het wenselijk is de reikwijdte van deze verplichting te verbreden.
Verder is het kabinet voornemens om met de toezichthouder in gesprek te gaan over het bereik van de saldobewakingsplicht, die bepaalt dat een effecteninstelling er op moet toezien dat klanten die posities hebben in financiële instrumenten waaruit verplichtingen kunnen voortkomen, voortdurend over voldoende saldo beschikken om aan de actuele verplichtingen te voldoen. Over het bereik van de saldobewakingsplicht is onduidelijkheid ontstaan toen bleek dat veel aanbieders van aandelenlease-producten zich niet hielden aan de saldobewakingsplicht omdat zij er vanuit gingen dat deze regel niet van toepassing was bij aandelenlease. De AFM is echter een andere mening toegedaan. In dit kader heeft zij enkele aanbieders inmiddels ontheffing verleend.
De ontwikkeling van de bestaande en toekomstige regelgeving met betrekking tot aandelenlease zal uitgebreid worden behandeld in hoofdstuk 3.
(ii) Het toezicht
Het toezicht op ondernemingen die zich op de financiële markten begeven vormt een wezenlijk onderdeel van de belangrijke rol die de overheid heeft met betrekking tot het functioneren van de financiële markten, die op hun beurt van groot belang zijn voor het economische proces én de samenleving. Het toezicht is belegd bij de financiële toezichthouders AFM, DNB en PVK, die dit toezicht onafhankelijk van de politiek uitoefenen. Als rechtsopvolger van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) is de AFM sinds 2002 verantwoordelijk voor het gedragstoezicht op de gehele financiële marktsector. In die hoedanigheid houdt zij toezicht op de doorlopende verplichtingen waaraan effecteninstellingen zoals aandelenleaseaanbieders op grond van regels bij en krachtens de Wet toezicht effectenverkeer 1995 moeten voldoen. Doelstellingen van het toezicht zijn het bevorderen van een ordelijk en transparant marktproces op de financiële markten, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en het beschermen van de positie van beleggers op die markten.
In hoofdstuk 4 wordt een overzicht gegeven van de activiteiten die de AFM (tot 2002: de STE) heeft ondernomen in het kader van het toezicht op aanbieders van aandelenleaseproducten. Voorbeelden van dergelijke activiteiten zijn de publieke waarschuwing die zij heeft gegeven in verband met reclame-uitingen over aandelenleaseproducten, het onderzoek dat zij heeft verricht naar de handelspraktijken van één of meer belangrijke aanbieders van aandelenleaseproducten alsmede de publiekelijke toelichting van de uitkomsten daarvan, en de publicatie van de boetes die aan één aanbieder zijn opgelegd.
Beseft moet worden dat het toezicht, evenals de toepasselijke regelgeving, de afgelopen jaren een ontwikkelingsfase heeft doorgemaakt en dat de AFM, als bestuursorgaan, zich te allen tijde diende te houden aan het in de Algemene Wet Bestuursrecht neergelegde voorschrift dat haar optreden proportioneel dient te zijn. In dat licht bezien is het bovengenoemde optreden van de toezichthouder als passend te kenschetsen. Met de komst van de Wfd zal het toezichtbereik van de AFM, zoals gezegd, verder worden uitgebreid.
(iii) De (toegang tot de) rechtspraak
Afnemers en aanbieders van aandelenleaseproducten die na het mislukken van de bemiddelingspoging van de CGA ter beslechting van hun geschillen weer aangewezen zijn op een gang naar de rechter of naar een andere geschillenbeslechtende instantie, moeten kunnen rekenen op een toegankelijke, adequate en efficiënte rechtsgang. De overheid ziet het als haar verantwoordelijkheid om hiervoor zorg te dragen. In hoofdstuk 5 zal hier dieper op worden ingegaan. Zoals toegezegd, is inmiddels bezien of het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand voldoende waarborgen biedt voor aandelenleasebezitters om toegang te krijgen tot de rechtspraak. Vooralsnog wordt niet verwacht dat zich in dit kader problemen zullen voordoen. Voor alle zekerheid is aan de Raden voor Rechtsbijstand gevraagd zich voor te bereiden op een mogelijk groot beroep op de gesubsidieerde rechtsbijstand. Indien een toevloed van aandelenlease daartoe aanleiding geeft, zullen zij op korte termijn beheersmaatregelen kunnen nemen.
De Raad voor de rechtspraak verwacht op haar beurt evenmin moeilijkheden te zullen ontmoeten bij het afhandelen van mogelijk grote volumes aan aandelenleasezaken. Zij geeft aan gewend te zijn dit soort pieken op te vangen. Mocht de situatie daar aanleiding toe geven, dan heeft zij een aantal maatregelen ter beschikking om een efficiënte rechtsgang garanderen. Tot deze maatregelen behoren onder andere de bundeling en categorisering van zaken en het selecteren van zogenaamde testcases, waarin versneld kan worden geprocedeerd ter verkrijging van een uitspraak die als leidraad kan dienen voor de afhandeling van soortgelijke gevallen.
Registratie bij het BKR
Een punt dat samenhangt met de eventuele gang naar de rechter van aandelenleasebezitters is de thans bestaande situatie rond hun BKR-registratie, waarvan de CGA in haar eindrapport heeft geconstateerd dat deze problematisch is. Zoals in hoofdstuk 6 nader zal worden toegelicht, meent de CGA dat aanbieders ten opzichte van afnemers een extra machtsmiddel in handen hebben, doordat zij doorgaans geen aanpassing laten doen in de BKR-registratie van afnemers die in rechte de geldigheid van hun contract of de rechtmatigheid van de incasso’s van de aanbieder betwisten. In de praktijk maakt dit het de afnemers vrijwel onmogelijk om nog een nieuw krediet te verkrijgen, waardoor zij worden belemmerd bij hun deelname aan het maatschappelijk verkeer. Het BKR is verzocht voorstellen te doen welke als uitkomst zouden kunnen dienen voor deze problematiek.
Vervolg
De overheid ziet op dit moment, na de beëindiging van de werkzaamheden van de CGA, geen andere rol voor zich weggelegd dan het waarborgen van een goede toegang tot het rechtsbestel en een adequate en voortvarende rechtsgang.
Er is geopperd dat de overheid een neutraal coördinatiepunt zou kunnen organiseren, waarin een aantal mensen met inhoudelijke kennis van de aandelenleaseproblematiek en expertise op het gebied van geschiloplossing een faciliterende rol zouden kunnen vervullen. Onder andere door middel van het voeren van overleg met rechters die voor het procesmanagement in de betrokken aandelenleasezaken verantwoordelijk zijn, zou bereikt moeten worden dat partijen voldoende onderhandelingsdruk ervaren om er onderling uit te komen in de wetenschap dat er binnen redelijke termijn een (finale) juridische beslissing wordt gegeven. Evenals bij het bemiddelingsproces van de CGA geldt voor een dergelijk initiatief echter dat het geen kans van slagen heeft, tenzij bij alle betrokken partijen de bereidheid bestaat om er op deze wijze uit te komen. Zoals gezegd, heeft de overheid met het instellen van de CGA al eenmaal van buitenaf een instrument aangereikt. Het is nu aan betrokken partijen gezamenlijk om aan te geven of het zinvol is om een volgend initiatief te ontplooien, dan wel om ieder voor zich te berusten in de situatie of te concluderen dat een (collectieve of individuele) gang naar de rechter onvermijdelijk is. Daarbij moet worden bedacht dat er consumenten zullen zijn die hebben gewacht met stuiting (verhindering) van de verjaring van hun vorderingen in de hoop dat zij, vanwege een collectieve oplossing, niet op individuele basis hun recht zouden behoeven te zoeken.
De uitspraken die de Commissie van Beroep van het DSI nog moet doen in het beroep van Dexia tegen een aantal uitspraken van de Klachtencommissie van het DSI en de jurisprudentie van de gewone rechter kunnen een grondslag en richting bieden voor een afhandeling van de talloze soortgelijke zaken die nog op behandeling wachten. Eén of meerdere aanbieders zouden zich bereid kunnen verklaren de nog openstaande geschillen af te handelen in overeenstemming met deze jurisprudentie van DSI en/of de gewone rechter, of zouden alsnog met een ander schikkingsvoorstel kunnen komen dat acceptabel is voor afnemers, zodat de nog openstaande zaken niet alsnog afzonderlijk behandeling behoeven.
Indien zij daar allebei belang bij hebben, zouden partijen ook kunnen besluiten om het verkrijgen van een definitieve uitspraak te bespoedigen door over en weer in te stemmen met sprongcassatie. In dat geval kan hoger beroep bij het Gerechtshof worden overgeslagen en komt men samen overeen om de zaak direct door de Hoge Raad, ons hoogste rechtscollege, te laten behandelen. Sprongcassatie zou bijvoorbeeld een optie kunnen zijn in de procedures over het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW, omdat daarin een zuivere rechtsvraag aan de orde is. Partijen kunnen hier echter alleen gezamenlijk toe besluiten.
De jurisprudentie over aandelenlease, die in ruime zin bestaat uit de relevante juridische uitspraken van de burgerlijke rechter, de Klachtencommissie DSI, de Geschillencommissie Bankzaken en de Reclame Code Commissie, is sinds het ontstaan van de huidige problematiek vanzelfsprekend sterk groeiende. Ten behoeve van de toegankelijkheid van deze jurisprudentie zal bevorderd worden dat alle relevante uitspraken op een website verzameld zullen worden.
3. Ontwikkeling van de regelgeving
a) Wet toezicht effectenverkeer 1995
Aanbieders van aandelenleaseproducten zijn effecteninstellingen in de zin van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995). Deze wet richt zich op het adequaat functioneren van de effectenmarkten en het beschermen van beleggers tegen malafide gedrag, onvoldoende informatie en ondeskundig optreden van effecteninstellingen. Hiertoe geeft de Wte 1995 een aantal algemene gedragsregels, die nader zijn uitgewerkt in het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 (Bte 1995). In het Bte 1995 is bepaald aan welke verplichtingen beurzen en effecteninstellingen moeten voldoen. Ter uitvoering van een aantal artikelen uit het Bte 1995 geldt sinds 31 december 1995 een Nadere Regeling toezicht effectenverkeer. Met het oog op de bescherming van klanten van effecteninstellingen zijn hierin onder andere gedragsregels gesteld op een aantal gebieden (informatie aan beleggers en cold calling) die van belang zijn in het kader van de zorgplicht. De regels in de Nadere Regeling op het gebied van informatie aan beleggers en cold calling zijn in 1998, 1999 en 2001 aangevuld en aangescherpt. Op een aantal andere zorgplichtgebieden (inwinnen cliëntinformatie en saldibewaking) zijn in 1999 gedragsregels van kracht geworden. Tegenwoordig zijn deze regels opgenomen in de Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 (NRg 2002). Zie voor de chronologische ontwikkeling van de regelgeving op de diverse voor aandelenlease relevante zorgplichtgebieden in de NRg verder het overzicht van de AFM in de bijlage bij deze brief.
De zorgplicht waaraan effecteninstellingen zich in relatie tot hun klanten moeten houden, kent verschillende facetten. Kern is dat een effecteninstelling haar klanten zorgvuldig moet behandelen en dat zij moet handelen in het belang van de klant. Voor de aandelenleaseproblematiek zijn met name van belang: (1) de verplichting om de klant adequaat te informeren en (2) de verplichting om te beoordelen of een product aansluit bij de behoeften en mogelijkheden van de klant. Ook de zogenoemde saldobewakingsplicht (3) speelt een rol in de problematiek die rond aandelenlease is ontstaan.
Ad 1: Adequate informatieverstrekking
Algemeen
Op grond van effectenrechtelijke gedragsregels, maar ook op grond van civielrechtelijke regels behoren effecteninstellingen hun klanten adequate informatie te verschaffen over hun diensten en producten. De consument dient te allen tijde goed te worden geïnformeerd over de wezenlijke kenmerken van een financieel product en niet in de laatste plaats over het potentiële rendement en de bijbehorende risico’s. Dit opdat de consument in staat wordt gesteld een gedegen afweging te maken over de vraag of hij al dan niet tot aanschaf van een financieel product moet overgaan. Van de consument mag aan zijn kant worden verwacht dat hij het aan hem verstrekte informatiemateriaal met de nodige nauwlettendheid bestudeert. Wanneer hij meent dat hij, ondanks de informatie die hem door de aanbieder is verstrekt, nog onvoldoende kan inschatten of een financieel product voor hem geschikt is, dan is het, tenzij de informatieverstrekking niet aan de wettelijke eisen voldoet, primair aan hemzelf om opheldering of advies te vragen.
Indien het door de maatschappij gewenste niveau van informatievoorziening aan de consument niet door de markt zelf wordt bereikt, zal de overheid ingrijpen en regels stellen aan de informatievoorziening door aanbieders van financiële producten. Mede om die reden zijn effecteninstellingen vanaf 1 september 2001 verplicht in reclame-uitingen over aandelenleaseproducten de volgende mededeling op te nemen: “U belegt (deels) met geleend geld. Dit betekent dat u het risico loopt dat u uw inleg verliest of zelfs een schuld overhoudt”.
Hoewel het in de bedoeling van de wetgever heeft gelegen om aandelenlease-producten niet onder de Wet op het consumentenkrediet (Wck) te laten vallen , zijn in 2002 wel stappen ondernomen om de informatieverstrekking over aandelenleaseproducten te verbeteren. Door opname van een nieuw lid 2 in artikel 4 van de Wck werd de reikwijdte van de informatieplicht ingevolge de Wck van overeenkomstige toepassing verklaard op onder andere aandelenlease-producten. Onder deze verplichting valt bijvoorbeeld het Besluit financiële bijsluiter, op grond waarvan financiële dienstverleners met ingang van 1 juli 2002 gehouden zijn om voor complexe producten een financiële bijsluiter te verstrekken.
Informatieverstrekking over aandelenleaseproducten:
Cold calling
De CGA constateert dat er gebruik is gemaakt van agressieve verkoopmethoden en dat het voorgekomen is dat consumenten zonder voorafgaande toestemming telefonisch werden benaderd door medewerkers van call-centra, die op indringende wijze aandelenlease- en andere financiële producten aan de man brachten. Voor effecteninstellingen is dit zogenaamde cold calling al sinds vele jaren verboden. De betreffende verbodsbepaling is tegenwoordig opgenomen in artikel 26 van de NRg 2002. Dat het ook de AFM is gebleken dat een of meer aanbieders het verbod op cold calling hebben overtreden, bleek uit haar rapport “Aandelenlease” van oktober 2003 . Zoals op 22 juli jl. bekend is gemaakt, heeft aanbieder Dexia door de AFM inmiddels een boete opgelegd gekregen terzake van een dergelijke overtreding.
In het kader van haar rapportage over zogenaamde boiler rooms beveelt het Financieel Expertise Centrum (FEC) aan om een algemeen verbod op cold calling te introduceren in de financiële toezichtwetgeving. Ook de richtlijn betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten stelt voorwaarden aan het leggen van contact met consumenten door aanbieders van financiële diensten, via middelen voor communicatie op afstand. Deze richtlijn bepaalt dat voor gebruik van geautomatiseerde oproepsystemen zonder menselijke tussenkomst (zoals de telefoon, het internet en de e-mail) en van faxen voorafgaande instemming van de consument vereist is. Tevens bepaalt deze richtlijn dat andere technieken voor communicatie op afstand, waarmee een individuele communicatie tot stand kan worden gebracht, alleen met instemming van de betrokken consumenten zijn toegestaan of alleen mogen worden gebruikt wanneer de consument daar geen uitdrukkelijk bezwaar tegen heeft gemaakt. Deze bepalingen zullen in het kader van de Wet financiële dienstverlening worden geïmplementeerd in het Burgerlijk Wetboek. Er komt op deze wijze een algeheel verbod op cold calling voor financiële diensten.
Tussenpersonen
Aandelenleaseproducten zijn vaak afgezet via tussenpersonen. Opvallend is dat veel afnemers aan de CGA hebben laten weten dat zij mondeling van tussenpersonen onjuiste of misleidende inlichtingen hebben gekregen. Het feit dat deze inlichtingen mondeling en dus niet op papier of op een andere duurzame drager zijn verstrekt aan de afnemer, maakt het adviestraject praktisch gezien, ook voor de rechter, lastig te controleren. In het wetsvoorstel Wet financiële dienstverlening is een verplichting opgenomen die de financiële dienstverlener die een consument adviseert verplicht om het adviestraject (gedurende een redelijke termijn) reconstrueerbaar te doen zijn, zodat het voor de publieke toezichthouder AFM telkens mogelijk is om na te gaan of de adviestrajecten in een onderneming structureel goed doorlopen zijn. Ook adviseurs in beleggingsproducten zullen daardoor worden verplicht klantprofielen van hun afnemers te bewaren en de AFM moeten uitleggen hoe zij tot de aanbeveling om een bepaald financieel product aan te schaffen hebben kunnen komen. Dit nieuwe publieke toezicht op het adviestraject zal overigens niet kunnen voorkomen dat er slechte adviezen zullen worden gegeven. De AFM kan immers niet over iedere schouder meekijken wanneer er zaken worden gedaan door professionele partijen met consumenten. Het publieke toezicht op het adviestraject moet de kans dat een advies niet aansluit op het profiel van een klant echter aanzienlijk verminderen.
Misleidende informatie / verhullend taalgebruik
De CGA constateert verder dat in sommige folders verhullende termen werden gebruikt bij de aanprijzing van aandelenleaseproducten. De commissie zegt zich niet aan de indruk te kunnen onttrekken dat in informatiefolders in diverse gevallen door het gebruik van deze verhullende termen bewust is getracht de kenmerken van het product te verdoezelen. Doorgaans bevatten de folders – of de contracten van de producten – dan overigens wel tekstelementen (zoals de algemene waarschuwing over de aan beleggen verbonden risico’s, of een verwijzing naar de aftrekbaarheid van een deel van de inleg als consumptieve rente) waaruit het werkelijke karakter van het product kan worden afgeleid. In uitspraken in aandelenleasegeschillen worden vorderingen van afnemers nogal eens (gedeeltelijk) afgewezen met een beroep op die gedeelten van de tekst. De CGA vraagt zich af of er in dergelijke uitspraken wel in voldoende mate rekening mee is gehouden dat de afnemers in veel gevallen niet beschikten over de ervaring met financiële producten of over het opleidingsniveau om de aard van het betrokken product uit de gegeven informatie te begrijpen.
Dat de problemen die in het kader van informatieverstrekking over financiële producten uit verhullend taalgebruik kunnen voortvloeien ook de aandacht hebben van de toezichthouder, blijkt uit een publicatie van de AFM van 4 augustus jl. Bij die gelegenheid heeft de AFM bekend gemaakt dat zij heeft geconstateerd dat op de financiële markten producten, bijvoorbeeld beleggings- en verzekeringsproducten, worden aangeboden waarvan de naam en omschrijving 'de lading niet dekt'. Naar oordeel van de AFM is er sprake van misleiding als bijvoorbeeld een beleggingsproduct wordt verkocht onder een naam die suggereert dat het een spaarproduct betreft. Vaak zijn deze producten risicovoller dan een dergelijke naam doet vermoeden. Consumenten kunnen hierdoor op het verkeerde been worden gezet. Op basis van de wet- en regelgeving wijst de AFM de aanbieders van financiële producten op het feit dat reclames en productnamen niet misleidend mogen zijn. De AFM zal optreden tegen aanbieders die handelen in strijd met deze wet- en regelgeving.
In de nieuwe Wet financiële dienstverlening zal door opname van een hieraan gewijde bepaling worden verduidelijkt dat het waarschuwende effect dat verplichte opname van specifieke informatie beoogt te bereiken niet teniet gedaan mag worden door die verplichte informatie op te nemen in grotere teksten. De Wet financiële dienstverlening schrijft daarnaast voor dat de informatie die krachtens deze wet moet worden verstrekt feitelijk juist en voor de consument begrijpelijk en niet misleidend moet zijn. De eis dat informatie feitelijk juist en niet misleidend mag zijn, spreekt voor zich en geldt thans reeds op basis van voorschriften in zowel het Burgerlijk Wetboek als de huidige Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002. Wat de begrijpelijkheid van informatie betreft, mag de financiële dienstverlener de gemiddelde consument als uitgangspunt nemen. Daarbij speelt ook de complexiteit van het financiële product of de financiële dienst een rol. Naarmate het product of de dienst complexer en/of risicovoller wordt, kan van de gemiddelde consument minder kennis en inzicht worden verwacht en zal de informatie daarop toegesneden moeten zijn. Op het uitgangspunt dat de financiële dienstverlener mag uitgaan van de gemiddelde consument geldt evenwel één uitzondering: indien een financiële dienstverlener een consument adviseert en daarbij in het belang van de consument informatie heeft ingewonnen over onder meer diens kennis van en ervaringen op de financiële markten, is de financiële dienstverlener gehouden zijn informatievoorziening precies af te stemmen op de individuele kenmerken van die consument.
Ad 2: De beoordeling of het product bij de klant past
Algemeen
Uit de zorgplicht kan voortvloeien dat een financiële dienstverlener zich bij het aangaan van de relatie moet verdiepen in de financiële positie, beleggerservaring en beleggingsdoelstellingen van de consument (ken uw klant- ofwel know your customer-beginsel) en moet nagaan of het aangeboden product past bij de persoonlijke situatie van de klant. Deze verplichting is neergelegd in artikel 28 lid 1 van de Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 (NRg 2002). Dit artikel is in 1999 ingevoerd.
Vanwege de ken uw klant-verplichting mag een effecteninstelling alleen effectendiensten verrichten voor een klant indien zij de achtergrond van de klant kent, voorzover dit van belang is voor de juiste uitvoering van de dienstverlening. Hiertoe dient de effecteninstelling zich bijvoorbeeld te vergewissen van de doelstelling die de klant heeft met de effectendienstverlening in kwestie. Heeft de klant puur speculatieve doeleinden of wil hij bijvoorbeeld beleggen om een potje op te bouwen voor de studie van de kinderen? De mate van de onderzoeksplicht is verbonden met aangeboden dienstverlening. Daarom is de onderzoeksplicht beperkter als de dienstverlening slechts bestaat uit orderuitvoering dan in het geval van vermogensbeheer. Een ander onderdeel van de ken uw klant-verplichting bestaat uit een onderzoek naar de financiële achtergrond van de klant. Dit is onafhankelijk van de te verrichten effectendienstverlening en geldt altijd, dus ook bij het aanbieden van aandelenleaseproducten. Op basis van deze onderzoeksplicht dient de effecteninstelling na te gaan of de klant kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortvloeien of kunnen voortvloeien uit de aangeboden dienstverlening.
De ken uw klant-verplichting bij het aanbieden van aandelenleaseproducten
Kort gezegd brengt de ken uw klant-verplichting in geval van aandelenlease in ieder geval mee dat de aanbieder moet nagaan of de consument bereid en in staat is om de risico’s en de financiële verplichtingen die uit het product voortvloeien of kunnen voortvloeien, te dragen. Evenals de Klachtencommissie DSI, heeft de CGA geconstateerd dat aanbieders in veel gevallen onvoldoende invulling hebben gegeven aan hun verplichting om te onderzoeken of hun product geschikt was voor degenen die het afnamen. Voor het voldoen aan die verplichting is het enkele inwinnen van informatie bij het Bureau Kredietregistratie, zoals veel aanbieders hebben gedaan, is in ieder geval niet voldoende. Indien een aanbieder onvoldoende invulling heeft gegeven aan de ken uw klant-verplichting, kan hij in voorkomende gevallen in rechte aansprakelijk gehouden worden voor (een deel van) de schade die voor de afnemer voortvloeit uit de overeenkomst.
Ad 3: De saldobewakingsplicht
Uit de zorgplicht kan bovendien voortvloeien dat een effecteninstelling er op moet toezien dat klanten die posities hebben in financiële instrumenten waaruit verplichtingen kunnen voortkomen, voortdurend over voldoende saldo beschikken om aan de actuele verplichtingen te voldoen. Als een belegger bijvoorbeeld put-opties schrijft, moet hij een bepaald saldo aanhouden om de onderliggende waarde te kunnen afnemen op het moment dat zijn wederpartij besluit de optie uit te oefenen. Beschikt een klant op enig moment over onvoldoende saldo, dan vraagt de effecteninstelling hem om zekerheden te stellen waaruit de verplichtingen kunnen worden voldaan. In de praktijk komt het er meestal op neer dat de klant dan geld moet bijstorten. Als de klant dit niet wil of niet kan, moet de effecteninstelling de posities zo spoedig mogelijk sluiten. Deze verplichting is thans neergelegd in artikel 28, leden 3 en 4, van de Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 (NRg 2002). Ook dit artikel is in 1999 ingevoerd. In 2001 is aan de bepaling toegevoegd dat met ‘zo spoedig mogelijk’ in ieder geval binnen vijf werkdagen bedoeld wordt, tenzij er zich bijzondere omstandigheden voordoen.
De ratio van de saldobewakingsplicht is tweeledig. In de eerste plaats is hij bedoeld om de handel zekerheid te verschaffen dat bepaalde verplichtingen die worden aangegaan ook daadwerkelijk nagekomen kunnen worden. In de tweede plaats is hij bedoeld als risicobescherming voor de belegger zelf. Voorkomen moet worden dat de belegger de risico’s verkeerd inschat en zodoende in een situatie geraakt waarbij hij zijn verplichtingen niet meer kan nakomen.
De financiële instrumenten waaruit verplichtingen kunnen voortkomen en waarvoor de saldobewakingsplicht dus geldt, worden niet (uitputtend) beschreven of genoemd in de Nadere Regeling. Over de vraag of de saldobewakingsplicht ook van toepassing is op aandelenleaseproducten, verschillen veel aanbieders en afnemers van mening. Uitsluitsel op dit punt kan, op basis van de huidige regelgeving, slechts worden verkregen bij de rechter. Op dit moment is over deze vraag nog geen uitspraak gedaan door de burgerlijke rechter of door een buitengerechtelijke geschillenbeslechtende instantie, zoals de Klachtencommissie DSI. Op het standpunt van de toezichthouder – de AFM - zal in hoofdstuk 4 worden ingegaan. Na overleg met de AFM zal, in het kader van de nadere invulling van deel 3 (gedrag) van het wetsvoorstel Wet op het financieel toezicht, de reikwijdte van de saldobewakingsplicht bij algemene maatregel van bestuur worden gepreciseerd. De saldobewakingsplicht is nu nog neergelegd in artikel 28, derde en vierde lid, van de NRg 2002 van de AFM.
Effectuering van de zorgplicht
Het gedrag van aanbieders van aandelenlease-producten kan worden getoetst aan de verschillende bovengenoemde facetten van de zorgplicht die momenteel verankerd zijn in de Wte 1995 en de daarop gebaseerde lagere regelgeving. In de toekomst zal hun gedrag op vergelijkbare wijze worden getoetst aan de Wet financiële dienstverlening en de Wet financieel toezicht; zie daarover de volgende paragraaf. Zo’n toets is aanvullend aan de verplichtingen die vanuit het civiele recht aan de financiële dienstverlener worden gesteld. Effectuering van de zorgplicht van aanbieders van aandelenlease-producten kan derhalve langs twee wegen plaatsvinden. In de eerste plaats doordat afnemers van aandelenlease-producten de aanbieder aanspreken op naleving van de zorgplicht en de daaruit voortvloeiende verplichtingen in een civiel geding voor de burgerlijke rechter of voor een buitengerechtelijke geschillenbeslechtende instantie als de Klachtencommissie DSI. In de tweede plaats kan de toezichthouder bestuursrechtelijke maatregelen nemen om de naleving van de zorgplicht af te dwingen. Hier zal in hoofdstuk 4 op worden teruggekomen.
b) Wet financiële dienstverlening
Het thans aanhangige wetsvoorstel voor de Wet financiële dienstverlening (Wfd) is bedoeld om de verantwoordelijkheid van de financiële dienstverlener, en daarmee ook die van de consument, duidelijk vast te leggen en publiek toezicht op het gedrag van de financiële dienstverlener daarmee beter mogelijk te maken. Uitgangspunt van de wet is dat de verantwoordelijkheid van een financiële dienstverlener niet afhankelijk is van de sector waarbinnen hij zijn diensten aanbiedt, noch van de aard van zijn onderneming. Zijn verantwoordelijkheid is enkel gerelateerd aan de activiteiten die hij ontplooit (aanbieden, bemiddelen en/of adviseren) en aan de producten waar zijn dienstverlening betrekking op heeft (een betaal- of spaarproduct, elektronisch geld, een effect of beleggingsobject, een verzekering of een krediet of een combinatie van deze producten). Zowel in het aanbod als de distributie van financiële producten is tegenwoordig sprake van een aanzienlijke vervlechting tussen de sectoren. Bovengenoemd uitgangspunt heeft tot gevolg dat het voor de bescherming van de consument niet van invloed is via welk distributiekanaal een financieel product wordt aangeschaft of in welke financiële sector het betreffende product zijn oorsprong heeft.
Ook aandelenleaseproducten worden onder de werking van het wetsvoorstel gebracht, namelijk als een kredietproduct in de zin van artikel 1 sub r, en meer in het bijzonder als het goederenkrediet onder 2˚. Dit omdat aan een consument een geldsom ter beschikking wordt gesteld terzake van het aan die consument verschaffen van het genot van een effect. Of de consument de effecten direct bij aanvang van de overeenkomst in eigendom verkrijgt of dat er sprake is van een eigendomsvoorbehoud van de aanbieder, waardoor de consument de eigendom pas verkrijgt na betaling van al hetgeen hij krachtens de overeenkomst aan de aanbieder verschuldigd is, doet voor toepasselijkheid van de Wfd niet ter zake.
De Wet financiële dienstverlening zal een grote invloed hebben op ondernemingen die de activiteit ‘bemiddeling’ of ‘advisering’ als hun (primaire) bedrijfsproces beschouwen; het intermediair of de tussenpersonen. Deze ondernemingen worden met de inwerkingtreding van de Wet financiële dienstverlening onderworpen aan eisen wat betreft hun betrouwbaarheid en deskundigheid, de wijze van bedrijfsvoering en de financiële zekerheid die de onderneming moet bieden. Ook worden zij, in tegenstelling tot aanbieders van financiële producten, voor het eerst geconfronteerd met een indringend preventief toezicht in verband met deze normen. Daarnaast worden met dit wetsvoorstel, naast de aanbieders van financiële producten voor wie dergelijke verplichtingen al gelden, ook de ondernemingen van tussenpersonen onderworpen aan publiekrechtelijke gedragsregels wat betreft informatievoorziening aan de consument en de zorgplicht die zij bij de dienstverlening in acht moeten nemen. Deze gedragsregels gelden eveneens ten aanzien van de dienstverlening die tussenpersonen ontplooien in het kader van de verkoop van aandelenlease.
Over de tussenpersonen die een rol hebben gespeeld bij de verkoop van aandelenleaseproducten heeft de CGA in haar eindrapport opgemerkt dat zij het vermoeden heeft dat deze in ieder geval niet steeds over voldoende inzicht beschikten om adequate informatie te vertrekken over de aandelenleaseproducten en de daaraan verbonden risico’s. Dat niet iedere financiële dienstverlener thans voldoende deskundig is om een adequaat niveau van financiële dienstverlening te kunnen garanderen, blijkt ook uit het advies van de Commissie Deskundigheid Financiële Dienstverleners van het Platform Financiële Dienstverlening. Die commissie is gevraagd een antwoord te geven op de vraag, op welke wijze de in de Wet financiële dienstverlening opgenomen deskundigheidsvereisten in lagere regelgeving uitgewerkt zouden moeten worden. Zij is tot de conclusie gekomen dat het bestaande niveau van deskundigheid nog niet over de volle breedte van de sector voldoende hoog is om aan de (uitwerking van de ) Wfd-vereisten te voldoen, met name waar het tussenpersonen betreft. Vanaf het moment dat de Wet financiële dienstverlening in werking treedt, zullen tussenpersonen zowel preventief (bij de vergunningverlening) als in het kader van het doorlopend toezicht worden getoetst op hun deskundigheid.
Verder merkt de CGA over tussenpersonen op dat zij de indruk heeft dat deze, mede doordat zij op commissiebasis werden beloond, niet gestimuleerd werden om potentiële afnemers erop te wijzen dat aandelenleaseproducten slechts voor een beperkte groep afnemers geschikt waren. In het wetsvoorstel Wfd wordt van tussenpersonen (en aanbieders) verlangd dat zij een advies baseren op de kenmerken van de consument, waaronder diens risicobereidheid, en hem ook anderszins informeren over de aan een product verbonden risico's. Teneinde de consument alert te maken op het mogelijke effect dat de beloning op commissiebasis heeft op de kwaliteit van de bemiddeling wordt in het wetsvoorstel bepaald dat de tussenpersoon inzicht verschaft in de wijze waarop hij wordt beloond voor zijn diensten en zijn eventuele gebondenheid aan een of meerdere aanbieders. Daarnaast is, zoals eerder aan de Tweede Kamer is vermeld, het ministerie in overleg met marktpartijen en consumentenorganisaties over de effecten van beloningsstructuren op de bemiddelingsmarkt en de in verband daarmee te treffen aanvullende maatregelen.
De CGA zegt het tevens opvallend te vinden dat risicovolle combinatieproducten vooral via tussenpersonen zijn aangeboden. Indien een tussenpersoon aanbeveelt meerdere producten te combineren, dan neemt hij daarmee de verantwoordelijkheid op zich om alle gevolgen van de combinatie van deze producten in kaart te brengen, na te gaan of de combinatie van producten bij de consument past en de consument daarover goed te informeren. De zorgplicht die rust op een tussenpersoon die producten combineert zal daarom over het algemeen een zwaardere zijn, dan die van een tussenpersoon die adviseert over enkelvoudige financiële producten. De tussenpersoon dient immers te handelen in het belang van de consument en over voldoende inzicht te beschikken om deze verantwoordelijkheid waar te maken.
Evenals de Klachtencommissie DSI meent de CGA dat de omstandigheid dat een aanbieder zich voor de voorlichting aan potentiële klanten in belangrijke mate afhankelijk maakt van tussenpersonen consequenties met zich meebrengt. In zo’n geval dient de aanbieder de door hemzelf over het financiële product beschikbaar gestelde informatie zodanig in te richten dat de voorlichting aan consumenten juist en volledig is, en dat daarin bij aandelenleaseproducten voldoende duidelijk wordt gewezen op de mogelijkheid dat niet alleen de inleg verloren kan gaan, maar daarenboven bij het einde van de overeenkomst een schuld kan resteren. Ook wat andere aspecten van de zorgplicht betreft, zou de aanbieder - onverminderd de eventuele aansprakelijkheid van de tussenpersoon - voor de naleving van de zorgplicht verantwoordelijk blijven. Zoals gezegd legt de Wet financiële dienstverlening (Wfd) op de financiële dienstverlener, en daarmee ook de aanbieder van financiële producten, de verplichting om te waarborgen dat - ongeacht de wijze waarop de producten worden gedistribueerd- de informatie die hij beschikbaar stelt feitelijk juist, voor de consument begrijpelijk en niet misleidend is. Indien een aanbieder een financiële dienst verleent door tussenkomst van een tussenpersoon dient de aanbieder de tussenpersoon bovendien in staat te stellen te voldoen aan zijn informatieplicht, bijvoorbeeld door aan deze tussenpersoon een Financiële Bijsluiter of andere productinformatie beschikbaar te stellen. Indien een aanbieder in het kader van zijn normale bedrijfsvoering constateert dat een tussenpersoon structureel (apert) niet voldoet aan zijn informatieverplichtingen en daarmee de wet stelselmatig overtreedt, is de aanbieder volgens de Wfd daarbij ook nog gehouden de geconstateerde overtredingen te melden aan de toezichthouder.
Zoals de CGA in haar eindrapport terecht constateert, lijkt er een aanzienlijk verhaalsrisico te bestaan waar tussenpersonen in rechte aansprakelijk worden gehouden voor schade van afnemers. In de Wet financiële dienstverlening wordt een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een vergelijkbare voorziening verplicht gesteld voor de bemiddelaar in verzekeringen en de herverzekeringsbemiddelaar. Mede gelet op de administratieve lasten, zal worden bezien of de reikwijdte van deze verplichting moet worden uitgebreid.
In de Telegraaf van 30 juni jl. was te lezen dat een tussenpersoon zijn klanten een financiële tegemoetkoming heeft aangeboden in verband met adviezen die zijn verleend over aandelenleaseproducten. In navolging op de in het AO van 30 juni jl. gedane toezegging om na te gaan of de standsorganisaties van tussenpersonen NVA en NBVA zouden kunnen bijdragen aan een dialoog tussen afnemers en bij de aandelenlease-verkoop betrokken tussenpersonen, kan ik u het volgende antwoorden. Genoemde organisaties hebben bij hun achterban geïnformeerd in hoeverre zij betrokken zijn geweest bij de verkoop van aandelenleaseproducten en hebben geconcludeerd dat de organisaties die zij vertegenwoordigen hier niet of nauwelijks bemoeienis mee hebben gehad. Met de Wet financiële dienstverlening zullen overigens alle tussenpersonen, ongeacht of zij lid zijn van NVA of NBVA, onder publiek toezicht vallen.
c. Het weren van risicovolle producten
De contractsvrijheid is een groot goed in ons land. Er moet daarom bijzonder terughoudend worden omgegaan met voorstellen om producten die op de markt komen te verbieden. Dit geldt ook voor complexe financiële producten, zoals aandelenleaseproducten. Er zijn immers consumenten waarvoor complexe producten bijzonder geschikt zijn en consumenten die deze producten willens en wetens willen kopen. Bij complexe producten die op de markt verschijnen, moet de oplossing voor de informatieachterstand die de consument heeft ten opzichte van de professionele aanbieder van een dergelijk product daarom eerder worden gezocht in de sfeer van wettelijk verplicht gestelde informatievoorziening en zorgplichtvereisten, dan in het verbieden van het product. De financiële toezichtswetten beogen naast het civiele recht additionele waarborgen te geven die de consument beschermen. Deze waarborgen staan zowel in formele wetgeving als in regels van de toezichthouder en zullen na invoering van de Wft onderdeel uitmaken van het deel ‘gedragstoezicht’. Hierbij dient bijvoorbeeld te worden gedacht aan normen zoals de ken uw klant-verplichting en aan de eisen die worden gesteld aan een adviestraject in de Wet financiële dienstverlening. Als een effecteninstelling een product aanbiedt of als een tussenpersoon adviseert over een product, dient deze professionele financiële dienstverlener de consument de aankoop van een product te ontraden wanneer het product niet aansluit bij het klantprofiel van de consument.
Met publiek toezicht wordt de naleving van deze normen versterkt, zowel in preventieve als repressieve termen. Indien blijkt dat bepaalde ondernemingen bij het benaderen van cliënten de wet overtreden, is er voor de toezichthouder de mogelijkheid om handhavend (opleggen boete/ dwangsom, geven van een aanwijzing) op te treden. Een andere mogelijkheid (op effectengebied) is het een instelling verbieden om nog langer als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder diensten aan te bieden of te verrichten.
4. Toezicht
Zoals gezegd, vormt het toezicht op ondernemingen die zich op de financiële markten begeven een wezenlijk onderdeel van de rol die de overheid heeft met betrekking tot het functioneren van de financiële markten. Momenteel is het toezicht opgedragen aan de financiële toezichthouders AFM, DNB en PVK, die dit toezicht onafhankelijk van de politiek uitoefenen. Aanbieders van aandelenleaseproducten staan echter al onder toezicht sinds de eerste aandelenleaseproducten in Nederland op de markt kwamen in 1989. Tot 1992 vond het toezicht haar wettelijke basis in de Wet effectenhandel uit 1986, vervolgens was de wettelijke basis achtereenvolgens gelegen in de oude Wet toezicht effectenverkeer (1992-1995) en in de huidige Wet toezicht effectenverkeer 1995. Hoewel de doelstelling van het toezicht op het effectenverkeer van oudsher dezelfde is, namelijk het bevorderen van een ordelijk en transparant marktproces op de effectenmarkten, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en het beschermen van de positie van beleggers op die markten, werden de toezichtstaken ten aanzien van verschillende typen instellingen in de loop der jaren uitgevoerd door verschillende toezichthouders, zoals DNB, de STE en het controlebureau van de voormalige Vereniging voor de Effectenhandel. Bij het in werking treden van de Wte 1995 is alle toezicht op het effectenverkeer, zowel op de beurzen als daarbuiten, samengebracht bij één wettelijke toezichthouder: de STE. Vanaf 1995 heeft de STE als organisatie een flinke groei doorgemaakt en zijn haar toezichtstaken geleidelijk aan uitgebreid. Sinds de herstructurering van het financieel toezicht van een sectoraal naar een functioneel toezichtmodel in 2002, is de AFM - als rechtsopvolger van de STE – verantwoordelijk voor het gedragstoezicht op de gehele financiële marktsector. Het prudentiële toezicht, dat zich met name richt op financiële soliditeit van onder toezicht staande instellingen, berust bij DNB.
De regelgeving bij en krachtens de Wte 1995 kent een aantal doorlopende verplichtingen waaraan effecteninstellingen zoals aandelenlease-aanbieders moeten voldoen. Op de naleving daarvan wordt toezicht gehouden door de AFM. Om vast te stellen of de effecteninstellingen de Wte 1995 en de daarop gebaseerde lagere regelgeving naleven, heeft de AFM de bevoegdheid om bij bepaalde personen of instellingen inlichtingen in te winnen en om toezichtinformatie met andere toezichthouders uit te wisselen. Als overtredingen worden geconstateerd, heeft de AFM diverse handhavingmaatregelen tot haar beschikking.
In de periode tussen 1995 en 2000, toen aandelenleaseproducten sterk in opkomst waren, maakten de beurskoersen een langdurige en aanzienlijke stijging mee. Aangezien die stijgende koersontwikkeling en de destijds heersende positieve economische toekomstverwachtingen er naar verwachting toe hebben geleid dat veel mensen tevreden waren over de resultaten van hun aandelenleaseproducten, heeft de AFM relatief laat signalen ontvangen van consumenten dat er iets aan de dienstverlening van aandelenlease-aanbieders schortte. Toen een sterke daling van de beurskoersen, in combinatie met de afschaffing van de fiscale aftrekbaarheid van de lease-rente, er voor zorgde dat veel aandelenleaseproducten op verlies kwamen te staan, hebben aandelenleasebezitters zich massaal bij de AFM gemeld met (al dan niet gestandaardiseerde) klachten over aandelenlease.
Overzicht van het optreden van de toezichthouder in het kader van aandelenlease
In de loop der jaren heeft de AFM in het kader van het doorlopend toezicht telkens kritisch gekeken naar de reclame-uitingen van aanbieders van aandelenlease-producten. In 1998 concludeerde de AFM op basis van de beoordeling van de reclame-uitingen van één of meer aanbieders in het licht van de toenmalige wet- en regelgeving, dat de informatie voldoende duidelijk en overzichtelijk was en dat de geschetste rendementen, alhoewel wellicht optimistisch, niet extreem waren. Wel heeft de AFM toen schriftelijk contact gezocht met de betreffende aanbieder(s) en heeft zij erop gewezen dat bij toekomstige reclame-uitingen rekening gehouden moest worden met de aangescherpte regelgeving over reclame-uitingen die in werking zou treden per 1 juni 1999. In 1999 echter constateerde de AFM dat de reclame-uitingen van één of meer aanbieders op verschillende punten niet voldeden aan de toepasselijke regels. Zo werd onvoldoende duidelijk gemaakt dat werd belegd met geleend geld en werd als benchmark de AEX-index gebruikt waar in het product slechts enkele fondsen waren opgenomen. Ook werd geen melding gemaakt van de wijzigingen in de belastingwetgeving ten aanzien van de aftrekbaarheid van de leaserente. De AFM heeft de betreffende aanbieder(s) op de tekortkomingen gewezen, waarna de reclame-uitingen zijn aangepast.
Ook in 2000 en 2001 heeft de AFM individuele reclame-uitingen beoordeeld. De AFM heeft toen bij herhaling geconstateerd dat één of meer aanbieders de reclameregels overtraden. Intensieve contacten met de betrokken aanbieder(s) naar aanleiding van de geconstateerde tekortkomingen hebben geleid tot aanpassingen van de reclame-uitingen op de door de AFM geconstateerde punten, dan wel tot het gedwongen stopzetten van de desbetreffende reclame-uitingen. Gelet op de manier waarop aanbieders de markt benaderden, kondigde de AFM op 9 mei 2001 bij de presentatie van haar jaarverslag een breed onderzoek aan naar de reclame-uitingen van aandelenlease-aanbieders. Naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek is op 14 december 2001 een openbare mededeling uitgegaan waarin het publiek door de AFM werd gewaarschuwd tegen het afnemen van aandelenlease-producten. Aangezien veel consumenten op dat moment al een aandelenleaseproduct hadden aangeschaft had deze mededeling ook een belangrijke allerterende functie. Afnemers van aandelenleaseproducten werden immers gewezen op het risicovolle karakter van het product.
Begin 2002 startte de AFM diverse (deel)onderzoeken naar de naleving van de zorgplicht door verschillende aanbieders van aandelenlease-producten. Aanleiding voor dit onderzoek waren de bij de AFM binnengekomen klachten van afnemers over de dienstverlening van deze aanbieders. De onderzoeken verschilden per aanbieder in scope en diepgang, alsmede in looptijd.
De onderzoeksbevindingen ten aanzien van reclame-uitingen gaven de AFM in oktober 2002 aanleiding tot het publiceren van het rapport “Aandelenlease, niet bij rendement alleen”. Hierin werd het publiek gewaarschuwd dat de kans op het ontstaan van een restschuld bij aandelenlease-producten vaak aanzienlijk is. Daarnaast heeft de AFM bij de in 2002 verrichte onderzoeken nog een veelvoud aan andere overtredingen geconstateerd, waarover zij de minister van Financiën en het publiek zoveel mogelijk heeft geïnformeerd met haar rapport “Aandelenlease” van 23 oktober 2003. Zo heeft de AFM onder meer vastgesteld dat, in weerwil van de strenger wordende regels ter zake van reclame-uitingen, diverse reclame-uitingen in 2002 minder transparant en in voorkomende gevallen zelfs misleidend waren geworden. Hierdoor konden potentiële cliënten zich niet altijd een evenwichtig beeld vormen van het product en de daarmee samenhangende risico’s. Ook werd geconstateerd dat één of meer aanbieders gebruik maakten van zogenaamde call-centra. De AFM stelde vast dat sommige van deze call-centra potentiële cliënten telefonisch benaderden om hen te bewegen aandelenleaseproducten te kopen, zonder dat de betrokken cliënten daarvoor uitdrukkelijk schriftelijk hun toestemming hadden gegeven. Dergelijke directe verkooptechnieken konden ertoe leiden dat potentiële cliënten werden overgehaald tot de aankoop van een aandelenlease-product zonder over het aanbod een goede afweging te kunnen maken. Daarnaast zijn door de AFM tekortkomingen geconstateerd met betrekking tot administratieve organisatie en interne controle bij aanbieders, de naleving van de ken uw klant-verplichting, de inhoud van de schriftelijke overeenkomst met afnemers, de wijze waarop aan- en verkoopkoersen van de lease-aandelen aan cliënten werden doorberekend, en de wijze waarop en de frequentie waarmee afnemers werden geïnformeerd over de waardeontwikkeling van hun portefeuille.
Ook bleek dat veel aanbieders van aandelenlease-producten zich niet hielden aan de saldobewakingsplicht, omdat zij er vanuit gingen dat deze regel niet van toepassing was bij aandelenlease. Eén of meerdere aanbieders hebben de AFM in het voorjaar van 2002 van die opvatting in kennis gesteld. De AFM heeft deze aanbieder(s) per brief laten weten dat zij de saldobewakingsplicht wél van toepassing achtte op aandelenlease-overeenkomsten.
Alles overwegende heeft de AFM in 2003 besloten om meerdere aanbieders ontheffing te verlenen van de saldobewakingsplicht, mede omdat naleving van deze regel onder de gegeven omstandigheden niet in het belang van de afnemers was. Veel afnemers verkeerden op dat moment al in een aanmerkelijke schuldpositie en hadden als gevolg van handhaving van de saldobewakingsplicht grote sommen geld moeten bijstorten om aan hun verplichtingen te voldoen.
Gelet op de ernst van de in haar onderzoeken geconstateerde overtredingen, heeft de AFM handhavingmiddelen ingezet met betrekking tot aanbieders. Op het gebied van handhaving heeft de AFM verschillende middelen tot haar beschikking: zij kan een aanwijzing of een openbare waarschuwing geven, een vergunning intrekken, de registratie van een effecteninstelling doorhalen of weigeren, of als ultimum remedium aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Daarnaast heeft de AFM sinds 1 januari 2000 de bevoegdheid om bestuurlijke boetes en lasten onder dwangsom op te leggen. Zij kan het opleggen van zo’n maatregel openbaar maken, indien zij meent dat zulks gewenst is met het oog op de adequate functionering van de effectenmarkten en/of de positie van beleggers op die markten. In het kader van aandelenlease heeft de AFM op 22 juli jl. bekend gemaakt dat zij aandelenlease-aanbieder Dexia in december 2003 een zestal bestuurlijke boetes heeft opgelegd wegens overtreding van verschillende effectenrechtelijke gedragsregels die zijn begaan tussen december 2000 en december 2001. Het betreft de volgende overtredingen:
LAATST AANGEPAST 12-04-2006.
gevonden bij WOB (Wet openbaarheid van bestuur)
Kabinetsreactie rapport Commissie Geschillen Aandelenlease (CGA)
Brief | 27-08-2004 | nr FM04-1135
Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA ‘S-GRAVENHAGE
Datum
Uw brief (Kenmerk)
Ons kenmerk
FM 2004-1135 M
Onderwerp
Kabinetsreactie aandelenlease
Allereerst wordt inhoudelijk gereageerd op het eindrapport van de Commissie Geschillen Aandelenlease, dat zij mij op 13 juli jl. heeft aangeboden. Vervolgens zal uiteengezet worden welke voor de aandelenleaseproblematiek relevante activiteiten de overheid in het verleden heeft ontplooid en in de toekomst nog wenst te ontplooien. Ten slotte worden enige woorden gewijd aan de registratie bij het Bureau Kredietregistratie, schuldhulpverlening en schuldsanering.
1. Het eindrapport van de Commissie Geschillen Aandelenlease
De Commissie Geschillen Aandelenlease (die hierna zal worden aangeduid als “de CGA”) is ingesteld op 3 september 2003. Met het instellen van de CGA heeft de overheid beoogd om aanbieders en afnemers van aandelenleaseproducten een “aanvullende infrastructuur” te bieden voor de beëindiging van de tussen hen bestaande geschillen die voortvloeien uit de verkoop van aandelenlease-producten in de jaren 1995 tot en met 2002. Voor betrokken partijen was duidelijkheid op zo kort mogelijke termijn een belangrijk streven. Het was daarom van belang dat de openstaande conflicten zo min mogelijk op juridische procedures zouden uitlopen. In dat verband heeft de overheid de CGA gevraagd te bemiddelen tussen aanbieders en afnemers, om aldus te bevorderen dat partijen onderling op een efficiënte wijze tot een oplossing zouden komen voor hun geschillen. De CGA vervulde haar taak als comité van goede diensten.
Op 16 juni 2004 heeft de CGA laten weten dat zij zich tot haar spijt genoodzaakt zag om haar bemiddelingsactiviteiten te staken, omdat zij onvoldoende grondslag zag voor een zinvolle en verantwoorde voortzetting van haar overleg met partijen gericht op het tot stand brengen van een regeling voor nog openstaande aandelenleaseconflicten. Over haar werkzaamheden heeft de CGA gerapporteerd op 13 juli jl. In haar eindrapport is uiteengezet op welke wijze zij invulling heeft gegeven aan haar taak en waartoe haar werkzaamheden hebben geleid.
Partijen zijn nu alsnog aangewezen op een gang naar de burgerlijke rechter of naar een andere geschillenbeslechtende instantie, om zo – individueel of collectief - een juridisch bindende uitspraak over hun geschil te verkrijgen. Het is overigens mogelijk dat bepaalde groepen van afnemers, aanknopend bij de analyses uit het eindrapport van de CGA en op hen van toepassing zijnde jurisprudentie, nu zullen besluiten om in hun situatie te berusten. Nadat met het instellen van de CGA een instrument aangereikt is ter bevordering van het ontstaan van een schikking, en dit niet gelukt is, heeft het kabinet geen aanwijzingen die een nieuw bemiddelingsinitiatief van overheidswege zouden kunnen rechtvaardigen.
Het is zeer te betreuren dat de CGA er uiteindelijk niet in geslaagd is om aanbieders en (organisaties van) afnemers voldoende tot elkaar te brengen. Haar werkzaamheden zijn overigens niet vergeefs geweest. Het veld van de aandelenleaseproblematiek ziet er thans anders uit dan bij haar installatie in september 2003. Met het rapport van de CGA is een bruikbaar overzicht van het veld van de aandelenleaseproblematiek beschikbaar gekomen. Zoals de CGA in haar eindrapport terecht opmerkt, is het door de grote diversiteit in de aandelenleaseproducten zelf en in de wijze waarop deze producten zijn aangeboden niet goed mogelijk een algemeen oordeel te geven over de geschillen. Bij beslechting van de geschillen zullen de individuele omstandigheden van het geval telkens beslissend zijn. Die omstandigheden moeten naar mening van de CGA echter wel worden geplaatst in de context van een meer omvattend beeld van de aandelenleaseproblematiek, omdat anders het gevaar dreigt dat een vertekend beeld ontstaat van de wijze waarop de aandelenleaseproducten in de markt zijn gezet, en daardoor ook van de wederzijdse verantwoordelijkheden van de desbetreffende aanbieders, tussenpersonen en afnemers. Mogelijk kan het neutrale overzicht van geschilpunten en argumenten dat de CGA in haar eindrapport heeft gegeven - samen met de weergave van de resultaten uit de rechtspraak tot nu toe - betrokken partijen, rechtshulpverleners en rechters meer inzicht geven in de aandelenleaseproblematiek en kan dit inzicht hen tijd, moeite en kosten besparen.
Het eindrapport van de CGA heeft civielrechtelijk dezelfde consequenties als het rapport “Aandelenlease” van de AFM van oktober 2003 en van de publicatie van de boetes die de AFM heeft opgelegd aan Dexia van 22 juli jl. Het is volledig aan de rechter om te bepalen of en op welke wijze hij de informatie en gezichtspunten van de CGA kan en moet betrekken bij zijn afwegingen in individuele aandelenleasezaken.
2. Conclusies van het kabinet
De eerste aandelenleaseproducten verschenen op de Nederlandse markt in 1989. Vooral vanaf het midden van de jaren negentig steeg hun populariteit onder consumenten snel. Dat een deel van de rente over de producten onder het toenmalige fiscale regime nog aftrekbaar was, werd gezien als een aantrekkelijk aspect van aandelenlease. Rond de eeuwwisseling bezat 6% van de Nederlandse gezinnen één of meer van deze producten, die voorkomen in talloze varianten, maar met elkaar gemeen hebben dat er belegd wordt met geleend geld.
Beleggen met geleend geld is al sinds vele decennia een bekend en geaccepteerd fenomeen in Nederland. Het traditionele effectenkrediet, waarbij de klant tegen onderpand van zijn bestaande effectenportefeuille krediet verkrijgt van zijn bank om met dit krediet meer effecten aan te kunnen kopen verschilt echter op meerdere punten van het product aandelenlease. Bij aandelenlease beschikt de klant vóór het verkrijgen van de lening nog niet over een effectentegoed, worden de aan te kopen effecten voor 100% gefinancierd in plaats van de maximale 70% die bij effectenkrediet doorgaans gebruikelijk is en heeft de klant weinig of geen bemoeienis met de samenstelling van zijn eigen portefeuille.
Tot medio 2000 – het moment dat de beurskoersen gingen dalen na een lange periode van bestendige stijging – hebben veel consumenten door deelname in financiële producten die direct of indirect een beleggingselement kenden, geprofiteerd van de gunstige economische ontwikkelingen en het effect daarvan op de beurskoersen. Na medio 2000 zijn deze consumenten op ingrijpende wijze geconfronteerd met het gegeven dat aandelen zowel in waarde kunnen stijgen als dalen. De negatieve beursontwikkelingen leidden tot een naar aard en omvang ongekende financiële problematiek onder particuliere beleggers. Veel aandelenleasebezitters hebben de door hen betaalde rente op de leasesom verloren, anderen werden daarenboven nog geconfronteerd met een restschuld. Ook aan de kant van de aanbieders zijn de financiële belangen aanzienlijk. In aanvulling hierop is het mogelijk dat de geschillen die zijn ontstaan tussen aanbieders en afnemers van aandelenleaseproducten aanleiding zullen geven tot een aanzienlijke belasting van de Nederlandse rechtspraak. Zoals ook al opgemerkt is tijdens de twee Algemene Overleggen over het onderwerp aandelenlease in juni 2003, moet de thans ontstane situatie rond aandelenlease om deze redenen gekarakteriseerd worden als een vraagstuk met een bredere maatschappelijke betekenis.
De afnemers van aandelenleaseproducten zijn evenwel niet de enige consumenten van financiële producten die nadelige effecten van de koersdalingen op de beurs hebben ondervonden. Ook consumenten die zich rechtstreeks met eigen geld of via andersoortige beleggingsproducten op de effectenmarkt begaven, hebben door de beursontwikkelingen na medio 2000 forse financiële tegenvallers moeten incasseren. Sinds medio 2000 is bij benadering maar liefst € 450 miljard aan beurswaarde verdampt. Hoe groot de financiële tegenvallers van particuliere beleggers ook zijn en hoe schrijnend soms hun verhalen en ervaringen, de verantwoordelijkheid voor het al dan niet aanschaffen van een financieel product ligt primair bij de consument zelf. Het is daarom, zoals in het kader van de aandelenleaseproblematiek al eerder is aangegeven, niet aan de overheid om compensatie te bieden voor geleden beleggingsverliezen. Zou zij dit wel doen, dan zou dit betekenen dat alle belastingbetalers moeten meebetalen aan de negatieve gevolgen van de financiële producten die een aantal van hen heeft aangeschaft.
De kern van de thans bestaande aandelenleasegeschillen is dat afnemers van mening zijn dat zij niet weloverwogen tot de aanschaf van hun aandelenleaseproducten hebben kunnen besluiten, omdat door de aanbieders cruciale informatie is achtergehouden over de aard en de risico’s van de producten. Zij menen door de aanbieders misleid te zijn en stellen daarenboven vaak dat de aanbieders, als professionele dienstverleners, hadden moeten afzien van de verkoop van deze voor veel particulieren ongeschikte beleggingsproducten. Afnemers vechten aldus, met de geldende wettelijke regels in de hand, de rechtsgeldigheid van hun contracten aan en/of eisen van aanbieders of van de tussenpersonen die betrokken zijn geweest bij de verkoop, compensatie voor de vanwege deze contracten geleden verliezen. De huidige geschillen ten aanzien van de verkoop van aandelenleaseproducten vinden derhalve, met een beroep op het geldende recht, plaats tussen private partijen (aanbieders en afnemers). Daarom is ook het oplossen van deze geschillen primair de verantwoordelijkheid van de betrokken partijen zelf.
Bij brief van 25 juni 2003 is uiteengezet dat de betrokkenheid van de overheid bij het functioneren van de financiële markten in beginsel alleen gericht is op het creëren van (i) adequate regelgeving, (ii) adequaat toezicht op de naleving van deze regelgeving en (iii) het bieden van een onafhankelijke en kwalitatief hoogwaardige rechtsgang waarlangs partijen de naleving van de regelgeving jegens elkaar kunnen afdwingen. In het navolgende wordt duidelijk hoe de overheid in het kader van aandelenlease invulling heeft gegeven aan deze betrokkenheid.
(i) De regelgeving
Het is de taak van de overheid om regels te formuleren die consumenten van financiële producten, zoals aandelenlease, in staat stellen hun eigen verantwoordelijkheid te nemen in het verkeer met professionele wederpartijen. Vanwege de grote kennisvoorsprong waarover financiële dienstverleners ten opzichte van consumenten beschikken en vanwege het belang van het vertrouwen in de financiële sector, dat voor het goede functioneren van die sector essentieel is, zijn dergelijke regels wenselijk.
De overheid heeft voor financiële dienstverlening verschillende soorten eisen geformuleerd. Zo zijn er onder andere eisen die gesteld worden aan (kenmerken van) de financiële dienstverlener zelf. De eis dat een financiële dienstverlener betrouwbaar en deskundig moet zijn is hiervan een voorbeeld. Ook zijn er eisen die worden gesteld aan het proces van financiële dienstverlening, zoals de verplichting om consumenten zorgvuldig te behandelen, waaronder de verplichtingen worden begrepen om de consument adequaat te informeren en te beoordelen of een product aansluit bij zijn behoeften en mogelijkheden. Deze beleidsmatige uitgangspunten komen reeds tot uitdrukking in de geldende financiële toezichtregelgeving. In het kader van de aandelenleaseproblematiek is in dit opzicht vooralsnog met name de regelgeving bij of krachtens de Wet toezicht effectenverkeer 1995 relevant.
Evenals het grootste deel van de regelgeving ten aanzien van de financiële sector, heeft de regelgeving ten aanzien van het aanbieden van aandelenleaseproducten de afgelopen jaren een zekere ontwikkeling doorgemaakt. Ten aanzien van de wettelijke gedragsregels is die ontwikkeling onder andere ingegeven door voortschrijdende Europese harmonisatie en door een veranderend denken over de verantwoordelijkheden van financiële dienstverleners ten opzichte van hun klanten, bijvoorbeeld in het kader van de zogenaamde zorgplicht. Binnenkort zullen aandelenleaseproducten ook vallen onder de werkingssfeer van de Wet financiële dienstverlening (Wfd), waarvan het wetsontwerp momenteel voorligt in uw Kamer.
Hoewel met de nieuwe Wet financiële dienstverlening en de daarop volgende Wet financieel toezicht een contemporair stelsel van financiële (toezichts)wetgeving zal ontstaan, is met de verschillende huidige regelgeving de consumentenbescherming ook reeds geborgd. Wanneer afnemers menen dat zij in het kader van de aankoop of afwikkeling van hun aandelenleaseproduct op enige wijze onheus bejegend zijn, biedt de thans bestaande regelgeving (bepalingen van het Burgerlijk Wetboek ingevuld door regels die gelden bij of krachtens de Wet toezicht effectenverkeer 1995) hen immers handvatten om hun rechten geldend te maken in een juridische procedure tegen de aanbieder. Dit neemt niet weg dat er een behoefte bestaat aan verduidelijking van de wederzijdse verantwoordelijkheden van financiële dienstverlener en consument. Dit geldt in het bijzonder voor wat betreft de verantwoordelijkheden die bij financiële dienstverlening rusten op tussenpersonen. Hieraan wordt in het wetsontwerp voor de Wfd in ruime mate aandacht besteed. Met de Wfd zal deze bedrijfstak worden onderworpen aan (verscherpt) publiek (gedrags)toezicht. Het kabinet ziet overigens niets in het weren van bepaalde risicovolle financiële producten, zoals aandelenleaseproducten, van de markt, omdat deze producten wel degelijk geschikt kunnen zijn voor een deel van de markt. De oplossing zal daarom vooral moeten worden gezocht in de wettelijke waarborgen die gelden voor de handel in dergelijke producten.
In het wetsontwerp voor de Wfd is voor bemiddelaars in verzekeringsproducten de verplichting opgenomen dat zij dienen te beschikken over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een vergelijkbare voorziening. Gezien de opmerking van de CGA dat haar is gebleken dat afnemers van aandelenleaseproducten in hun verhaalsmogelijkheden worden beperkt omdat veel tussenpersonen over te weinig vermogen beschikken om een eventuele schadeclaim te voldoen, zal door het kabinet –mede gelet op de administratieve lasten - worden bezien of het wenselijk is de reikwijdte van deze verplichting te verbreden.
Verder is het kabinet voornemens om met de toezichthouder in gesprek te gaan over het bereik van de saldobewakingsplicht, die bepaalt dat een effecteninstelling er op moet toezien dat klanten die posities hebben in financiële instrumenten waaruit verplichtingen kunnen voortkomen, voortdurend over voldoende saldo beschikken om aan de actuele verplichtingen te voldoen. Over het bereik van de saldobewakingsplicht is onduidelijkheid ontstaan toen bleek dat veel aanbieders van aandelenlease-producten zich niet hielden aan de saldobewakingsplicht omdat zij er vanuit gingen dat deze regel niet van toepassing was bij aandelenlease. De AFM is echter een andere mening toegedaan. In dit kader heeft zij enkele aanbieders inmiddels ontheffing verleend.
De ontwikkeling van de bestaande en toekomstige regelgeving met betrekking tot aandelenlease zal uitgebreid worden behandeld in hoofdstuk 3.
(ii) Het toezicht
Het toezicht op ondernemingen die zich op de financiële markten begeven vormt een wezenlijk onderdeel van de belangrijke rol die de overheid heeft met betrekking tot het functioneren van de financiële markten, die op hun beurt van groot belang zijn voor het economische proces én de samenleving. Het toezicht is belegd bij de financiële toezichthouders AFM, DNB en PVK, die dit toezicht onafhankelijk van de politiek uitoefenen. Als rechtsopvolger van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) is de AFM sinds 2002 verantwoordelijk voor het gedragstoezicht op de gehele financiële marktsector. In die hoedanigheid houdt zij toezicht op de doorlopende verplichtingen waaraan effecteninstellingen zoals aandelenleaseaanbieders op grond van regels bij en krachtens de Wet toezicht effectenverkeer 1995 moeten voldoen. Doelstellingen van het toezicht zijn het bevorderen van een ordelijk en transparant marktproces op de financiële markten, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en het beschermen van de positie van beleggers op die markten.
In hoofdstuk 4 wordt een overzicht gegeven van de activiteiten die de AFM (tot 2002: de STE) heeft ondernomen in het kader van het toezicht op aanbieders van aandelenleaseproducten. Voorbeelden van dergelijke activiteiten zijn de publieke waarschuwing die zij heeft gegeven in verband met reclame-uitingen over aandelenleaseproducten, het onderzoek dat zij heeft verricht naar de handelspraktijken van één of meer belangrijke aanbieders van aandelenleaseproducten alsmede de publiekelijke toelichting van de uitkomsten daarvan, en de publicatie van de boetes die aan één aanbieder zijn opgelegd.
Beseft moet worden dat het toezicht, evenals de toepasselijke regelgeving, de afgelopen jaren een ontwikkelingsfase heeft doorgemaakt en dat de AFM, als bestuursorgaan, zich te allen tijde diende te houden aan het in de Algemene Wet Bestuursrecht neergelegde voorschrift dat haar optreden proportioneel dient te zijn. In dat licht bezien is het bovengenoemde optreden van de toezichthouder als passend te kenschetsen. Met de komst van de Wfd zal het toezichtbereik van de AFM, zoals gezegd, verder worden uitgebreid.
(iii) De (toegang tot de) rechtspraak
Afnemers en aanbieders van aandelenleaseproducten die na het mislukken van de bemiddelingspoging van de CGA ter beslechting van hun geschillen weer aangewezen zijn op een gang naar de rechter of naar een andere geschillenbeslechtende instantie, moeten kunnen rekenen op een toegankelijke, adequate en efficiënte rechtsgang. De overheid ziet het als haar verantwoordelijkheid om hiervoor zorg te dragen. In hoofdstuk 5 zal hier dieper op worden ingegaan. Zoals toegezegd, is inmiddels bezien of het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand voldoende waarborgen biedt voor aandelenleasebezitters om toegang te krijgen tot de rechtspraak. Vooralsnog wordt niet verwacht dat zich in dit kader problemen zullen voordoen. Voor alle zekerheid is aan de Raden voor Rechtsbijstand gevraagd zich voor te bereiden op een mogelijk groot beroep op de gesubsidieerde rechtsbijstand. Indien een toevloed van aandelenlease daartoe aanleiding geeft, zullen zij op korte termijn beheersmaatregelen kunnen nemen.
De Raad voor de rechtspraak verwacht op haar beurt evenmin moeilijkheden te zullen ontmoeten bij het afhandelen van mogelijk grote volumes aan aandelenleasezaken. Zij geeft aan gewend te zijn dit soort pieken op te vangen. Mocht de situatie daar aanleiding toe geven, dan heeft zij een aantal maatregelen ter beschikking om een efficiënte rechtsgang garanderen. Tot deze maatregelen behoren onder andere de bundeling en categorisering van zaken en het selecteren van zogenaamde testcases, waarin versneld kan worden geprocedeerd ter verkrijging van een uitspraak die als leidraad kan dienen voor de afhandeling van soortgelijke gevallen.
Registratie bij het BKR
Een punt dat samenhangt met de eventuele gang naar de rechter van aandelenleasebezitters is de thans bestaande situatie rond hun BKR-registratie, waarvan de CGA in haar eindrapport heeft geconstateerd dat deze problematisch is. Zoals in hoofdstuk 6 nader zal worden toegelicht, meent de CGA dat aanbieders ten opzichte van afnemers een extra machtsmiddel in handen hebben, doordat zij doorgaans geen aanpassing laten doen in de BKR-registratie van afnemers die in rechte de geldigheid van hun contract of de rechtmatigheid van de incasso’s van de aanbieder betwisten. In de praktijk maakt dit het de afnemers vrijwel onmogelijk om nog een nieuw krediet te verkrijgen, waardoor zij worden belemmerd bij hun deelname aan het maatschappelijk verkeer. Het BKR is verzocht voorstellen te doen welke als uitkomst zouden kunnen dienen voor deze problematiek.
Vervolg
De overheid ziet op dit moment, na de beëindiging van de werkzaamheden van de CGA, geen andere rol voor zich weggelegd dan het waarborgen van een goede toegang tot het rechtsbestel en een adequate en voortvarende rechtsgang.
Er is geopperd dat de overheid een neutraal coördinatiepunt zou kunnen organiseren, waarin een aantal mensen met inhoudelijke kennis van de aandelenleaseproblematiek en expertise op het gebied van geschiloplossing een faciliterende rol zouden kunnen vervullen. Onder andere door middel van het voeren van overleg met rechters die voor het procesmanagement in de betrokken aandelenleasezaken verantwoordelijk zijn, zou bereikt moeten worden dat partijen voldoende onderhandelingsdruk ervaren om er onderling uit te komen in de wetenschap dat er binnen redelijke termijn een (finale) juridische beslissing wordt gegeven. Evenals bij het bemiddelingsproces van de CGA geldt voor een dergelijk initiatief echter dat het geen kans van slagen heeft, tenzij bij alle betrokken partijen de bereidheid bestaat om er op deze wijze uit te komen. Zoals gezegd, heeft de overheid met het instellen van de CGA al eenmaal van buitenaf een instrument aangereikt. Het is nu aan betrokken partijen gezamenlijk om aan te geven of het zinvol is om een volgend initiatief te ontplooien, dan wel om ieder voor zich te berusten in de situatie of te concluderen dat een (collectieve of individuele) gang naar de rechter onvermijdelijk is. Daarbij moet worden bedacht dat er consumenten zullen zijn die hebben gewacht met stuiting (verhindering) van de verjaring van hun vorderingen in de hoop dat zij, vanwege een collectieve oplossing, niet op individuele basis hun recht zouden behoeven te zoeken.
De uitspraken die de Commissie van Beroep van het DSI nog moet doen in het beroep van Dexia tegen een aantal uitspraken van de Klachtencommissie van het DSI en de jurisprudentie van de gewone rechter kunnen een grondslag en richting bieden voor een afhandeling van de talloze soortgelijke zaken die nog op behandeling wachten. Eén of meerdere aanbieders zouden zich bereid kunnen verklaren de nog openstaande geschillen af te handelen in overeenstemming met deze jurisprudentie van DSI en/of de gewone rechter, of zouden alsnog met een ander schikkingsvoorstel kunnen komen dat acceptabel is voor afnemers, zodat de nog openstaande zaken niet alsnog afzonderlijk behandeling behoeven.
Indien zij daar allebei belang bij hebben, zouden partijen ook kunnen besluiten om het verkrijgen van een definitieve uitspraak te bespoedigen door over en weer in te stemmen met sprongcassatie. In dat geval kan hoger beroep bij het Gerechtshof worden overgeslagen en komt men samen overeen om de zaak direct door de Hoge Raad, ons hoogste rechtscollege, te laten behandelen. Sprongcassatie zou bijvoorbeeld een optie kunnen zijn in de procedures over het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW, omdat daarin een zuivere rechtsvraag aan de orde is. Partijen kunnen hier echter alleen gezamenlijk toe besluiten.
De jurisprudentie over aandelenlease, die in ruime zin bestaat uit de relevante juridische uitspraken van de burgerlijke rechter, de Klachtencommissie DSI, de Geschillencommissie Bankzaken en de Reclame Code Commissie, is sinds het ontstaan van de huidige problematiek vanzelfsprekend sterk groeiende. Ten behoeve van de toegankelijkheid van deze jurisprudentie zal bevorderd worden dat alle relevante uitspraken op een website verzameld zullen worden.
3. Ontwikkeling van de regelgeving
a) Wet toezicht effectenverkeer 1995
Aanbieders van aandelenleaseproducten zijn effecteninstellingen in de zin van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995). Deze wet richt zich op het adequaat functioneren van de effectenmarkten en het beschermen van beleggers tegen malafide gedrag, onvoldoende informatie en ondeskundig optreden van effecteninstellingen. Hiertoe geeft de Wte 1995 een aantal algemene gedragsregels, die nader zijn uitgewerkt in het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 (Bte 1995). In het Bte 1995 is bepaald aan welke verplichtingen beurzen en effecteninstellingen moeten voldoen. Ter uitvoering van een aantal artikelen uit het Bte 1995 geldt sinds 31 december 1995 een Nadere Regeling toezicht effectenverkeer. Met het oog op de bescherming van klanten van effecteninstellingen zijn hierin onder andere gedragsregels gesteld op een aantal gebieden (informatie aan beleggers en cold calling) die van belang zijn in het kader van de zorgplicht. De regels in de Nadere Regeling op het gebied van informatie aan beleggers en cold calling zijn in 1998, 1999 en 2001 aangevuld en aangescherpt. Op een aantal andere zorgplichtgebieden (inwinnen cliëntinformatie en saldibewaking) zijn in 1999 gedragsregels van kracht geworden. Tegenwoordig zijn deze regels opgenomen in de Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 (NRg 2002). Zie voor de chronologische ontwikkeling van de regelgeving op de diverse voor aandelenlease relevante zorgplichtgebieden in de NRg verder het overzicht van de AFM in de bijlage bij deze brief.
De zorgplicht waaraan effecteninstellingen zich in relatie tot hun klanten moeten houden, kent verschillende facetten. Kern is dat een effecteninstelling haar klanten zorgvuldig moet behandelen en dat zij moet handelen in het belang van de klant. Voor de aandelenleaseproblematiek zijn met name van belang: (1) de verplichting om de klant adequaat te informeren en (2) de verplichting om te beoordelen of een product aansluit bij de behoeften en mogelijkheden van de klant. Ook de zogenoemde saldobewakingsplicht (3) speelt een rol in de problematiek die rond aandelenlease is ontstaan.
Ad 1: Adequate informatieverstrekking
Algemeen
Op grond van effectenrechtelijke gedragsregels, maar ook op grond van civielrechtelijke regels behoren effecteninstellingen hun klanten adequate informatie te verschaffen over hun diensten en producten. De consument dient te allen tijde goed te worden geïnformeerd over de wezenlijke kenmerken van een financieel product en niet in de laatste plaats over het potentiële rendement en de bijbehorende risico’s. Dit opdat de consument in staat wordt gesteld een gedegen afweging te maken over de vraag of hij al dan niet tot aanschaf van een financieel product moet overgaan. Van de consument mag aan zijn kant worden verwacht dat hij het aan hem verstrekte informatiemateriaal met de nodige nauwlettendheid bestudeert. Wanneer hij meent dat hij, ondanks de informatie die hem door de aanbieder is verstrekt, nog onvoldoende kan inschatten of een financieel product voor hem geschikt is, dan is het, tenzij de informatieverstrekking niet aan de wettelijke eisen voldoet, primair aan hemzelf om opheldering of advies te vragen.
Indien het door de maatschappij gewenste niveau van informatievoorziening aan de consument niet door de markt zelf wordt bereikt, zal de overheid ingrijpen en regels stellen aan de informatievoorziening door aanbieders van financiële producten. Mede om die reden zijn effecteninstellingen vanaf 1 september 2001 verplicht in reclame-uitingen over aandelenleaseproducten de volgende mededeling op te nemen: “U belegt (deels) met geleend geld. Dit betekent dat u het risico loopt dat u uw inleg verliest of zelfs een schuld overhoudt”.
Hoewel het in de bedoeling van de wetgever heeft gelegen om aandelenlease-producten niet onder de Wet op het consumentenkrediet (Wck) te laten vallen , zijn in 2002 wel stappen ondernomen om de informatieverstrekking over aandelenleaseproducten te verbeteren. Door opname van een nieuw lid 2 in artikel 4 van de Wck werd de reikwijdte van de informatieplicht ingevolge de Wck van overeenkomstige toepassing verklaard op onder andere aandelenlease-producten. Onder deze verplichting valt bijvoorbeeld het Besluit financiële bijsluiter, op grond waarvan financiële dienstverleners met ingang van 1 juli 2002 gehouden zijn om voor complexe producten een financiële bijsluiter te verstrekken.
Informatieverstrekking over aandelenleaseproducten:
Cold calling
De CGA constateert dat er gebruik is gemaakt van agressieve verkoopmethoden en dat het voorgekomen is dat consumenten zonder voorafgaande toestemming telefonisch werden benaderd door medewerkers van call-centra, die op indringende wijze aandelenlease- en andere financiële producten aan de man brachten. Voor effecteninstellingen is dit zogenaamde cold calling al sinds vele jaren verboden. De betreffende verbodsbepaling is tegenwoordig opgenomen in artikel 26 van de NRg 2002. Dat het ook de AFM is gebleken dat een of meer aanbieders het verbod op cold calling hebben overtreden, bleek uit haar rapport “Aandelenlease” van oktober 2003 . Zoals op 22 juli jl. bekend is gemaakt, heeft aanbieder Dexia door de AFM inmiddels een boete opgelegd gekregen terzake van een dergelijke overtreding.
In het kader van haar rapportage over zogenaamde boiler rooms beveelt het Financieel Expertise Centrum (FEC) aan om een algemeen verbod op cold calling te introduceren in de financiële toezichtwetgeving. Ook de richtlijn betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten stelt voorwaarden aan het leggen van contact met consumenten door aanbieders van financiële diensten, via middelen voor communicatie op afstand. Deze richtlijn bepaalt dat voor gebruik van geautomatiseerde oproepsystemen zonder menselijke tussenkomst (zoals de telefoon, het internet en de e-mail) en van faxen voorafgaande instemming van de consument vereist is. Tevens bepaalt deze richtlijn dat andere technieken voor communicatie op afstand, waarmee een individuele communicatie tot stand kan worden gebracht, alleen met instemming van de betrokken consumenten zijn toegestaan of alleen mogen worden gebruikt wanneer de consument daar geen uitdrukkelijk bezwaar tegen heeft gemaakt. Deze bepalingen zullen in het kader van de Wet financiële dienstverlening worden geïmplementeerd in het Burgerlijk Wetboek. Er komt op deze wijze een algeheel verbod op cold calling voor financiële diensten.
Tussenpersonen
Aandelenleaseproducten zijn vaak afgezet via tussenpersonen. Opvallend is dat veel afnemers aan de CGA hebben laten weten dat zij mondeling van tussenpersonen onjuiste of misleidende inlichtingen hebben gekregen. Het feit dat deze inlichtingen mondeling en dus niet op papier of op een andere duurzame drager zijn verstrekt aan de afnemer, maakt het adviestraject praktisch gezien, ook voor de rechter, lastig te controleren. In het wetsvoorstel Wet financiële dienstverlening is een verplichting opgenomen die de financiële dienstverlener die een consument adviseert verplicht om het adviestraject (gedurende een redelijke termijn) reconstrueerbaar te doen zijn, zodat het voor de publieke toezichthouder AFM telkens mogelijk is om na te gaan of de adviestrajecten in een onderneming structureel goed doorlopen zijn. Ook adviseurs in beleggingsproducten zullen daardoor worden verplicht klantprofielen van hun afnemers te bewaren en de AFM moeten uitleggen hoe zij tot de aanbeveling om een bepaald financieel product aan te schaffen hebben kunnen komen. Dit nieuwe publieke toezicht op het adviestraject zal overigens niet kunnen voorkomen dat er slechte adviezen zullen worden gegeven. De AFM kan immers niet over iedere schouder meekijken wanneer er zaken worden gedaan door professionele partijen met consumenten. Het publieke toezicht op het adviestraject moet de kans dat een advies niet aansluit op het profiel van een klant echter aanzienlijk verminderen.
Misleidende informatie / verhullend taalgebruik
De CGA constateert verder dat in sommige folders verhullende termen werden gebruikt bij de aanprijzing van aandelenleaseproducten. De commissie zegt zich niet aan de indruk te kunnen onttrekken dat in informatiefolders in diverse gevallen door het gebruik van deze verhullende termen bewust is getracht de kenmerken van het product te verdoezelen. Doorgaans bevatten de folders – of de contracten van de producten – dan overigens wel tekstelementen (zoals de algemene waarschuwing over de aan beleggen verbonden risico’s, of een verwijzing naar de aftrekbaarheid van een deel van de inleg als consumptieve rente) waaruit het werkelijke karakter van het product kan worden afgeleid. In uitspraken in aandelenleasegeschillen worden vorderingen van afnemers nogal eens (gedeeltelijk) afgewezen met een beroep op die gedeelten van de tekst. De CGA vraagt zich af of er in dergelijke uitspraken wel in voldoende mate rekening mee is gehouden dat de afnemers in veel gevallen niet beschikten over de ervaring met financiële producten of over het opleidingsniveau om de aard van het betrokken product uit de gegeven informatie te begrijpen.
Dat de problemen die in het kader van informatieverstrekking over financiële producten uit verhullend taalgebruik kunnen voortvloeien ook de aandacht hebben van de toezichthouder, blijkt uit een publicatie van de AFM van 4 augustus jl. Bij die gelegenheid heeft de AFM bekend gemaakt dat zij heeft geconstateerd dat op de financiële markten producten, bijvoorbeeld beleggings- en verzekeringsproducten, worden aangeboden waarvan de naam en omschrijving 'de lading niet dekt'. Naar oordeel van de AFM is er sprake van misleiding als bijvoorbeeld een beleggingsproduct wordt verkocht onder een naam die suggereert dat het een spaarproduct betreft. Vaak zijn deze producten risicovoller dan een dergelijke naam doet vermoeden. Consumenten kunnen hierdoor op het verkeerde been worden gezet. Op basis van de wet- en regelgeving wijst de AFM de aanbieders van financiële producten op het feit dat reclames en productnamen niet misleidend mogen zijn. De AFM zal optreden tegen aanbieders die handelen in strijd met deze wet- en regelgeving.
In de nieuwe Wet financiële dienstverlening zal door opname van een hieraan gewijde bepaling worden verduidelijkt dat het waarschuwende effect dat verplichte opname van specifieke informatie beoogt te bereiken niet teniet gedaan mag worden door die verplichte informatie op te nemen in grotere teksten. De Wet financiële dienstverlening schrijft daarnaast voor dat de informatie die krachtens deze wet moet worden verstrekt feitelijk juist en voor de consument begrijpelijk en niet misleidend moet zijn. De eis dat informatie feitelijk juist en niet misleidend mag zijn, spreekt voor zich en geldt thans reeds op basis van voorschriften in zowel het Burgerlijk Wetboek als de huidige Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002. Wat de begrijpelijkheid van informatie betreft, mag de financiële dienstverlener de gemiddelde consument als uitgangspunt nemen. Daarbij speelt ook de complexiteit van het financiële product of de financiële dienst een rol. Naarmate het product of de dienst complexer en/of risicovoller wordt, kan van de gemiddelde consument minder kennis en inzicht worden verwacht en zal de informatie daarop toegesneden moeten zijn. Op het uitgangspunt dat de financiële dienstverlener mag uitgaan van de gemiddelde consument geldt evenwel één uitzondering: indien een financiële dienstverlener een consument adviseert en daarbij in het belang van de consument informatie heeft ingewonnen over onder meer diens kennis van en ervaringen op de financiële markten, is de financiële dienstverlener gehouden zijn informatievoorziening precies af te stemmen op de individuele kenmerken van die consument.
Ad 2: De beoordeling of het product bij de klant past
Algemeen
Uit de zorgplicht kan voortvloeien dat een financiële dienstverlener zich bij het aangaan van de relatie moet verdiepen in de financiële positie, beleggerservaring en beleggingsdoelstellingen van de consument (ken uw klant- ofwel know your customer-beginsel) en moet nagaan of het aangeboden product past bij de persoonlijke situatie van de klant. Deze verplichting is neergelegd in artikel 28 lid 1 van de Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 (NRg 2002). Dit artikel is in 1999 ingevoerd.
Vanwege de ken uw klant-verplichting mag een effecteninstelling alleen effectendiensten verrichten voor een klant indien zij de achtergrond van de klant kent, voorzover dit van belang is voor de juiste uitvoering van de dienstverlening. Hiertoe dient de effecteninstelling zich bijvoorbeeld te vergewissen van de doelstelling die de klant heeft met de effectendienstverlening in kwestie. Heeft de klant puur speculatieve doeleinden of wil hij bijvoorbeeld beleggen om een potje op te bouwen voor de studie van de kinderen? De mate van de onderzoeksplicht is verbonden met aangeboden dienstverlening. Daarom is de onderzoeksplicht beperkter als de dienstverlening slechts bestaat uit orderuitvoering dan in het geval van vermogensbeheer. Een ander onderdeel van de ken uw klant-verplichting bestaat uit een onderzoek naar de financiële achtergrond van de klant. Dit is onafhankelijk van de te verrichten effectendienstverlening en geldt altijd, dus ook bij het aanbieden van aandelenleaseproducten. Op basis van deze onderzoeksplicht dient de effecteninstelling na te gaan of de klant kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortvloeien of kunnen voortvloeien uit de aangeboden dienstverlening.
De ken uw klant-verplichting bij het aanbieden van aandelenleaseproducten
Kort gezegd brengt de ken uw klant-verplichting in geval van aandelenlease in ieder geval mee dat de aanbieder moet nagaan of de consument bereid en in staat is om de risico’s en de financiële verplichtingen die uit het product voortvloeien of kunnen voortvloeien, te dragen. Evenals de Klachtencommissie DSI, heeft de CGA geconstateerd dat aanbieders in veel gevallen onvoldoende invulling hebben gegeven aan hun verplichting om te onderzoeken of hun product geschikt was voor degenen die het afnamen. Voor het voldoen aan die verplichting is het enkele inwinnen van informatie bij het Bureau Kredietregistratie, zoals veel aanbieders hebben gedaan, is in ieder geval niet voldoende. Indien een aanbieder onvoldoende invulling heeft gegeven aan de ken uw klant-verplichting, kan hij in voorkomende gevallen in rechte aansprakelijk gehouden worden voor (een deel van) de schade die voor de afnemer voortvloeit uit de overeenkomst.
Ad 3: De saldobewakingsplicht
Uit de zorgplicht kan bovendien voortvloeien dat een effecteninstelling er op moet toezien dat klanten die posities hebben in financiële instrumenten waaruit verplichtingen kunnen voortkomen, voortdurend over voldoende saldo beschikken om aan de actuele verplichtingen te voldoen. Als een belegger bijvoorbeeld put-opties schrijft, moet hij een bepaald saldo aanhouden om de onderliggende waarde te kunnen afnemen op het moment dat zijn wederpartij besluit de optie uit te oefenen. Beschikt een klant op enig moment over onvoldoende saldo, dan vraagt de effecteninstelling hem om zekerheden te stellen waaruit de verplichtingen kunnen worden voldaan. In de praktijk komt het er meestal op neer dat de klant dan geld moet bijstorten. Als de klant dit niet wil of niet kan, moet de effecteninstelling de posities zo spoedig mogelijk sluiten. Deze verplichting is thans neergelegd in artikel 28, leden 3 en 4, van de Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 (NRg 2002). Ook dit artikel is in 1999 ingevoerd. In 2001 is aan de bepaling toegevoegd dat met ‘zo spoedig mogelijk’ in ieder geval binnen vijf werkdagen bedoeld wordt, tenzij er zich bijzondere omstandigheden voordoen.
De ratio van de saldobewakingsplicht is tweeledig. In de eerste plaats is hij bedoeld om de handel zekerheid te verschaffen dat bepaalde verplichtingen die worden aangegaan ook daadwerkelijk nagekomen kunnen worden. In de tweede plaats is hij bedoeld als risicobescherming voor de belegger zelf. Voorkomen moet worden dat de belegger de risico’s verkeerd inschat en zodoende in een situatie geraakt waarbij hij zijn verplichtingen niet meer kan nakomen.
De financiële instrumenten waaruit verplichtingen kunnen voortkomen en waarvoor de saldobewakingsplicht dus geldt, worden niet (uitputtend) beschreven of genoemd in de Nadere Regeling. Over de vraag of de saldobewakingsplicht ook van toepassing is op aandelenleaseproducten, verschillen veel aanbieders en afnemers van mening. Uitsluitsel op dit punt kan, op basis van de huidige regelgeving, slechts worden verkregen bij de rechter. Op dit moment is over deze vraag nog geen uitspraak gedaan door de burgerlijke rechter of door een buitengerechtelijke geschillenbeslechtende instantie, zoals de Klachtencommissie DSI. Op het standpunt van de toezichthouder – de AFM - zal in hoofdstuk 4 worden ingegaan. Na overleg met de AFM zal, in het kader van de nadere invulling van deel 3 (gedrag) van het wetsvoorstel Wet op het financieel toezicht, de reikwijdte van de saldobewakingsplicht bij algemene maatregel van bestuur worden gepreciseerd. De saldobewakingsplicht is nu nog neergelegd in artikel 28, derde en vierde lid, van de NRg 2002 van de AFM.
Effectuering van de zorgplicht
Het gedrag van aanbieders van aandelenlease-producten kan worden getoetst aan de verschillende bovengenoemde facetten van de zorgplicht die momenteel verankerd zijn in de Wte 1995 en de daarop gebaseerde lagere regelgeving. In de toekomst zal hun gedrag op vergelijkbare wijze worden getoetst aan de Wet financiële dienstverlening en de Wet financieel toezicht; zie daarover de volgende paragraaf. Zo’n toets is aanvullend aan de verplichtingen die vanuit het civiele recht aan de financiële dienstverlener worden gesteld. Effectuering van de zorgplicht van aanbieders van aandelenlease-producten kan derhalve langs twee wegen plaatsvinden. In de eerste plaats doordat afnemers van aandelenlease-producten de aanbieder aanspreken op naleving van de zorgplicht en de daaruit voortvloeiende verplichtingen in een civiel geding voor de burgerlijke rechter of voor een buitengerechtelijke geschillenbeslechtende instantie als de Klachtencommissie DSI. In de tweede plaats kan de toezichthouder bestuursrechtelijke maatregelen nemen om de naleving van de zorgplicht af te dwingen. Hier zal in hoofdstuk 4 op worden teruggekomen.
b) Wet financiële dienstverlening
Het thans aanhangige wetsvoorstel voor de Wet financiële dienstverlening (Wfd) is bedoeld om de verantwoordelijkheid van de financiële dienstverlener, en daarmee ook die van de consument, duidelijk vast te leggen en publiek toezicht op het gedrag van de financiële dienstverlener daarmee beter mogelijk te maken. Uitgangspunt van de wet is dat de verantwoordelijkheid van een financiële dienstverlener niet afhankelijk is van de sector waarbinnen hij zijn diensten aanbiedt, noch van de aard van zijn onderneming. Zijn verantwoordelijkheid is enkel gerelateerd aan de activiteiten die hij ontplooit (aanbieden, bemiddelen en/of adviseren) en aan de producten waar zijn dienstverlening betrekking op heeft (een betaal- of spaarproduct, elektronisch geld, een effect of beleggingsobject, een verzekering of een krediet of een combinatie van deze producten). Zowel in het aanbod als de distributie van financiële producten is tegenwoordig sprake van een aanzienlijke vervlechting tussen de sectoren. Bovengenoemd uitgangspunt heeft tot gevolg dat het voor de bescherming van de consument niet van invloed is via welk distributiekanaal een financieel product wordt aangeschaft of in welke financiële sector het betreffende product zijn oorsprong heeft.
Ook aandelenleaseproducten worden onder de werking van het wetsvoorstel gebracht, namelijk als een kredietproduct in de zin van artikel 1 sub r, en meer in het bijzonder als het goederenkrediet onder 2˚. Dit omdat aan een consument een geldsom ter beschikking wordt gesteld terzake van het aan die consument verschaffen van het genot van een effect. Of de consument de effecten direct bij aanvang van de overeenkomst in eigendom verkrijgt of dat er sprake is van een eigendomsvoorbehoud van de aanbieder, waardoor de consument de eigendom pas verkrijgt na betaling van al hetgeen hij krachtens de overeenkomst aan de aanbieder verschuldigd is, doet voor toepasselijkheid van de Wfd niet ter zake.
De Wet financiële dienstverlening zal een grote invloed hebben op ondernemingen die de activiteit ‘bemiddeling’ of ‘advisering’ als hun (primaire) bedrijfsproces beschouwen; het intermediair of de tussenpersonen. Deze ondernemingen worden met de inwerkingtreding van de Wet financiële dienstverlening onderworpen aan eisen wat betreft hun betrouwbaarheid en deskundigheid, de wijze van bedrijfsvoering en de financiële zekerheid die de onderneming moet bieden. Ook worden zij, in tegenstelling tot aanbieders van financiële producten, voor het eerst geconfronteerd met een indringend preventief toezicht in verband met deze normen. Daarnaast worden met dit wetsvoorstel, naast de aanbieders van financiële producten voor wie dergelijke verplichtingen al gelden, ook de ondernemingen van tussenpersonen onderworpen aan publiekrechtelijke gedragsregels wat betreft informatievoorziening aan de consument en de zorgplicht die zij bij de dienstverlening in acht moeten nemen. Deze gedragsregels gelden eveneens ten aanzien van de dienstverlening die tussenpersonen ontplooien in het kader van de verkoop van aandelenlease.
Over de tussenpersonen die een rol hebben gespeeld bij de verkoop van aandelenleaseproducten heeft de CGA in haar eindrapport opgemerkt dat zij het vermoeden heeft dat deze in ieder geval niet steeds over voldoende inzicht beschikten om adequate informatie te vertrekken over de aandelenleaseproducten en de daaraan verbonden risico’s. Dat niet iedere financiële dienstverlener thans voldoende deskundig is om een adequaat niveau van financiële dienstverlening te kunnen garanderen, blijkt ook uit het advies van de Commissie Deskundigheid Financiële Dienstverleners van het Platform Financiële Dienstverlening. Die commissie is gevraagd een antwoord te geven op de vraag, op welke wijze de in de Wet financiële dienstverlening opgenomen deskundigheidsvereisten in lagere regelgeving uitgewerkt zouden moeten worden. Zij is tot de conclusie gekomen dat het bestaande niveau van deskundigheid nog niet over de volle breedte van de sector voldoende hoog is om aan de (uitwerking van de ) Wfd-vereisten te voldoen, met name waar het tussenpersonen betreft. Vanaf het moment dat de Wet financiële dienstverlening in werking treedt, zullen tussenpersonen zowel preventief (bij de vergunningverlening) als in het kader van het doorlopend toezicht worden getoetst op hun deskundigheid.
Verder merkt de CGA over tussenpersonen op dat zij de indruk heeft dat deze, mede doordat zij op commissiebasis werden beloond, niet gestimuleerd werden om potentiële afnemers erop te wijzen dat aandelenleaseproducten slechts voor een beperkte groep afnemers geschikt waren. In het wetsvoorstel Wfd wordt van tussenpersonen (en aanbieders) verlangd dat zij een advies baseren op de kenmerken van de consument, waaronder diens risicobereidheid, en hem ook anderszins informeren over de aan een product verbonden risico's. Teneinde de consument alert te maken op het mogelijke effect dat de beloning op commissiebasis heeft op de kwaliteit van de bemiddeling wordt in het wetsvoorstel bepaald dat de tussenpersoon inzicht verschaft in de wijze waarop hij wordt beloond voor zijn diensten en zijn eventuele gebondenheid aan een of meerdere aanbieders. Daarnaast is, zoals eerder aan de Tweede Kamer is vermeld, het ministerie in overleg met marktpartijen en consumentenorganisaties over de effecten van beloningsstructuren op de bemiddelingsmarkt en de in verband daarmee te treffen aanvullende maatregelen.
De CGA zegt het tevens opvallend te vinden dat risicovolle combinatieproducten vooral via tussenpersonen zijn aangeboden. Indien een tussenpersoon aanbeveelt meerdere producten te combineren, dan neemt hij daarmee de verantwoordelijkheid op zich om alle gevolgen van de combinatie van deze producten in kaart te brengen, na te gaan of de combinatie van producten bij de consument past en de consument daarover goed te informeren. De zorgplicht die rust op een tussenpersoon die producten combineert zal daarom over het algemeen een zwaardere zijn, dan die van een tussenpersoon die adviseert over enkelvoudige financiële producten. De tussenpersoon dient immers te handelen in het belang van de consument en over voldoende inzicht te beschikken om deze verantwoordelijkheid waar te maken.
Evenals de Klachtencommissie DSI meent de CGA dat de omstandigheid dat een aanbieder zich voor de voorlichting aan potentiële klanten in belangrijke mate afhankelijk maakt van tussenpersonen consequenties met zich meebrengt. In zo’n geval dient de aanbieder de door hemzelf over het financiële product beschikbaar gestelde informatie zodanig in te richten dat de voorlichting aan consumenten juist en volledig is, en dat daarin bij aandelenleaseproducten voldoende duidelijk wordt gewezen op de mogelijkheid dat niet alleen de inleg verloren kan gaan, maar daarenboven bij het einde van de overeenkomst een schuld kan resteren. Ook wat andere aspecten van de zorgplicht betreft, zou de aanbieder - onverminderd de eventuele aansprakelijkheid van de tussenpersoon - voor de naleving van de zorgplicht verantwoordelijk blijven. Zoals gezegd legt de Wet financiële dienstverlening (Wfd) op de financiële dienstverlener, en daarmee ook de aanbieder van financiële producten, de verplichting om te waarborgen dat - ongeacht de wijze waarop de producten worden gedistribueerd- de informatie die hij beschikbaar stelt feitelijk juist, voor de consument begrijpelijk en niet misleidend is. Indien een aanbieder een financiële dienst verleent door tussenkomst van een tussenpersoon dient de aanbieder de tussenpersoon bovendien in staat te stellen te voldoen aan zijn informatieplicht, bijvoorbeeld door aan deze tussenpersoon een Financiële Bijsluiter of andere productinformatie beschikbaar te stellen. Indien een aanbieder in het kader van zijn normale bedrijfsvoering constateert dat een tussenpersoon structureel (apert) niet voldoet aan zijn informatieverplichtingen en daarmee de wet stelselmatig overtreedt, is de aanbieder volgens de Wfd daarbij ook nog gehouden de geconstateerde overtredingen te melden aan de toezichthouder.
Zoals de CGA in haar eindrapport terecht constateert, lijkt er een aanzienlijk verhaalsrisico te bestaan waar tussenpersonen in rechte aansprakelijk worden gehouden voor schade van afnemers. In de Wet financiële dienstverlening wordt een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een vergelijkbare voorziening verplicht gesteld voor de bemiddelaar in verzekeringen en de herverzekeringsbemiddelaar. Mede gelet op de administratieve lasten, zal worden bezien of de reikwijdte van deze verplichting moet worden uitgebreid.
In de Telegraaf van 30 juni jl. was te lezen dat een tussenpersoon zijn klanten een financiële tegemoetkoming heeft aangeboden in verband met adviezen die zijn verleend over aandelenleaseproducten. In navolging op de in het AO van 30 juni jl. gedane toezegging om na te gaan of de standsorganisaties van tussenpersonen NVA en NBVA zouden kunnen bijdragen aan een dialoog tussen afnemers en bij de aandelenlease-verkoop betrokken tussenpersonen, kan ik u het volgende antwoorden. Genoemde organisaties hebben bij hun achterban geïnformeerd in hoeverre zij betrokken zijn geweest bij de verkoop van aandelenleaseproducten en hebben geconcludeerd dat de organisaties die zij vertegenwoordigen hier niet of nauwelijks bemoeienis mee hebben gehad. Met de Wet financiële dienstverlening zullen overigens alle tussenpersonen, ongeacht of zij lid zijn van NVA of NBVA, onder publiek toezicht vallen.
c. Het weren van risicovolle producten
De contractsvrijheid is een groot goed in ons land. Er moet daarom bijzonder terughoudend worden omgegaan met voorstellen om producten die op de markt komen te verbieden. Dit geldt ook voor complexe financiële producten, zoals aandelenleaseproducten. Er zijn immers consumenten waarvoor complexe producten bijzonder geschikt zijn en consumenten die deze producten willens en wetens willen kopen. Bij complexe producten die op de markt verschijnen, moet de oplossing voor de informatieachterstand die de consument heeft ten opzichte van de professionele aanbieder van een dergelijk product daarom eerder worden gezocht in de sfeer van wettelijk verplicht gestelde informatievoorziening en zorgplichtvereisten, dan in het verbieden van het product. De financiële toezichtswetten beogen naast het civiele recht additionele waarborgen te geven die de consument beschermen. Deze waarborgen staan zowel in formele wetgeving als in regels van de toezichthouder en zullen na invoering van de Wft onderdeel uitmaken van het deel ‘gedragstoezicht’. Hierbij dient bijvoorbeeld te worden gedacht aan normen zoals de ken uw klant-verplichting en aan de eisen die worden gesteld aan een adviestraject in de Wet financiële dienstverlening. Als een effecteninstelling een product aanbiedt of als een tussenpersoon adviseert over een product, dient deze professionele financiële dienstverlener de consument de aankoop van een product te ontraden wanneer het product niet aansluit bij het klantprofiel van de consument.
Met publiek toezicht wordt de naleving van deze normen versterkt, zowel in preventieve als repressieve termen. Indien blijkt dat bepaalde ondernemingen bij het benaderen van cliënten de wet overtreden, is er voor de toezichthouder de mogelijkheid om handhavend (opleggen boete/ dwangsom, geven van een aanwijzing) op te treden. Een andere mogelijkheid (op effectengebied) is het een instelling verbieden om nog langer als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder diensten aan te bieden of te verrichten.
4. Toezicht
Zoals gezegd, vormt het toezicht op ondernemingen die zich op de financiële markten begeven een wezenlijk onderdeel van de rol die de overheid heeft met betrekking tot het functioneren van de financiële markten. Momenteel is het toezicht opgedragen aan de financiële toezichthouders AFM, DNB en PVK, die dit toezicht onafhankelijk van de politiek uitoefenen. Aanbieders van aandelenleaseproducten staan echter al onder toezicht sinds de eerste aandelenleaseproducten in Nederland op de markt kwamen in 1989. Tot 1992 vond het toezicht haar wettelijke basis in de Wet effectenhandel uit 1986, vervolgens was de wettelijke basis achtereenvolgens gelegen in de oude Wet toezicht effectenverkeer (1992-1995) en in de huidige Wet toezicht effectenverkeer 1995. Hoewel de doelstelling van het toezicht op het effectenverkeer van oudsher dezelfde is, namelijk het bevorderen van een ordelijk en transparant marktproces op de effectenmarkten, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en het beschermen van de positie van beleggers op die markten, werden de toezichtstaken ten aanzien van verschillende typen instellingen in de loop der jaren uitgevoerd door verschillende toezichthouders, zoals DNB, de STE en het controlebureau van de voormalige Vereniging voor de Effectenhandel. Bij het in werking treden van de Wte 1995 is alle toezicht op het effectenverkeer, zowel op de beurzen als daarbuiten, samengebracht bij één wettelijke toezichthouder: de STE. Vanaf 1995 heeft de STE als organisatie een flinke groei doorgemaakt en zijn haar toezichtstaken geleidelijk aan uitgebreid. Sinds de herstructurering van het financieel toezicht van een sectoraal naar een functioneel toezichtmodel in 2002, is de AFM - als rechtsopvolger van de STE – verantwoordelijk voor het gedragstoezicht op de gehele financiële marktsector. Het prudentiële toezicht, dat zich met name richt op financiële soliditeit van onder toezicht staande instellingen, berust bij DNB.
De regelgeving bij en krachtens de Wte 1995 kent een aantal doorlopende verplichtingen waaraan effecteninstellingen zoals aandelenlease-aanbieders moeten voldoen. Op de naleving daarvan wordt toezicht gehouden door de AFM. Om vast te stellen of de effecteninstellingen de Wte 1995 en de daarop gebaseerde lagere regelgeving naleven, heeft de AFM de bevoegdheid om bij bepaalde personen of instellingen inlichtingen in te winnen en om toezichtinformatie met andere toezichthouders uit te wisselen. Als overtredingen worden geconstateerd, heeft de AFM diverse handhavingmaatregelen tot haar beschikking.
In de periode tussen 1995 en 2000, toen aandelenleaseproducten sterk in opkomst waren, maakten de beurskoersen een langdurige en aanzienlijke stijging mee. Aangezien die stijgende koersontwikkeling en de destijds heersende positieve economische toekomstverwachtingen er naar verwachting toe hebben geleid dat veel mensen tevreden waren over de resultaten van hun aandelenleaseproducten, heeft de AFM relatief laat signalen ontvangen van consumenten dat er iets aan de dienstverlening van aandelenlease-aanbieders schortte. Toen een sterke daling van de beurskoersen, in combinatie met de afschaffing van de fiscale aftrekbaarheid van de lease-rente, er voor zorgde dat veel aandelenleaseproducten op verlies kwamen te staan, hebben aandelenleasebezitters zich massaal bij de AFM gemeld met (al dan niet gestandaardiseerde) klachten over aandelenlease.
Overzicht van het optreden van de toezichthouder in het kader van aandelenlease
In de loop der jaren heeft de AFM in het kader van het doorlopend toezicht telkens kritisch gekeken naar de reclame-uitingen van aanbieders van aandelenlease-producten. In 1998 concludeerde de AFM op basis van de beoordeling van de reclame-uitingen van één of meer aanbieders in het licht van de toenmalige wet- en regelgeving, dat de informatie voldoende duidelijk en overzichtelijk was en dat de geschetste rendementen, alhoewel wellicht optimistisch, niet extreem waren. Wel heeft de AFM toen schriftelijk contact gezocht met de betreffende aanbieder(s) en heeft zij erop gewezen dat bij toekomstige reclame-uitingen rekening gehouden moest worden met de aangescherpte regelgeving over reclame-uitingen die in werking zou treden per 1 juni 1999. In 1999 echter constateerde de AFM dat de reclame-uitingen van één of meer aanbieders op verschillende punten niet voldeden aan de toepasselijke regels. Zo werd onvoldoende duidelijk gemaakt dat werd belegd met geleend geld en werd als benchmark de AEX-index gebruikt waar in het product slechts enkele fondsen waren opgenomen. Ook werd geen melding gemaakt van de wijzigingen in de belastingwetgeving ten aanzien van de aftrekbaarheid van de leaserente. De AFM heeft de betreffende aanbieder(s) op de tekortkomingen gewezen, waarna de reclame-uitingen zijn aangepast.
Ook in 2000 en 2001 heeft de AFM individuele reclame-uitingen beoordeeld. De AFM heeft toen bij herhaling geconstateerd dat één of meer aanbieders de reclameregels overtraden. Intensieve contacten met de betrokken aanbieder(s) naar aanleiding van de geconstateerde tekortkomingen hebben geleid tot aanpassingen van de reclame-uitingen op de door de AFM geconstateerde punten, dan wel tot het gedwongen stopzetten van de desbetreffende reclame-uitingen. Gelet op de manier waarop aanbieders de markt benaderden, kondigde de AFM op 9 mei 2001 bij de presentatie van haar jaarverslag een breed onderzoek aan naar de reclame-uitingen van aandelenlease-aanbieders. Naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek is op 14 december 2001 een openbare mededeling uitgegaan waarin het publiek door de AFM werd gewaarschuwd tegen het afnemen van aandelenlease-producten. Aangezien veel consumenten op dat moment al een aandelenleaseproduct hadden aangeschaft had deze mededeling ook een belangrijke allerterende functie. Afnemers van aandelenleaseproducten werden immers gewezen op het risicovolle karakter van het product.
Begin 2002 startte de AFM diverse (deel)onderzoeken naar de naleving van de zorgplicht door verschillende aanbieders van aandelenlease-producten. Aanleiding voor dit onderzoek waren de bij de AFM binnengekomen klachten van afnemers over de dienstverlening van deze aanbieders. De onderzoeken verschilden per aanbieder in scope en diepgang, alsmede in looptijd.
De onderzoeksbevindingen ten aanzien van reclame-uitingen gaven de AFM in oktober 2002 aanleiding tot het publiceren van het rapport “Aandelenlease, niet bij rendement alleen”. Hierin werd het publiek gewaarschuwd dat de kans op het ontstaan van een restschuld bij aandelenlease-producten vaak aanzienlijk is. Daarnaast heeft de AFM bij de in 2002 verrichte onderzoeken nog een veelvoud aan andere overtredingen geconstateerd, waarover zij de minister van Financiën en het publiek zoveel mogelijk heeft geïnformeerd met haar rapport “Aandelenlease” van 23 oktober 2003. Zo heeft de AFM onder meer vastgesteld dat, in weerwil van de strenger wordende regels ter zake van reclame-uitingen, diverse reclame-uitingen in 2002 minder transparant en in voorkomende gevallen zelfs misleidend waren geworden. Hierdoor konden potentiële cliënten zich niet altijd een evenwichtig beeld vormen van het product en de daarmee samenhangende risico’s. Ook werd geconstateerd dat één of meer aanbieders gebruik maakten van zogenaamde call-centra. De AFM stelde vast dat sommige van deze call-centra potentiële cliënten telefonisch benaderden om hen te bewegen aandelenleaseproducten te kopen, zonder dat de betrokken cliënten daarvoor uitdrukkelijk schriftelijk hun toestemming hadden gegeven. Dergelijke directe verkooptechnieken konden ertoe leiden dat potentiële cliënten werden overgehaald tot de aankoop van een aandelenlease-product zonder over het aanbod een goede afweging te kunnen maken. Daarnaast zijn door de AFM tekortkomingen geconstateerd met betrekking tot administratieve organisatie en interne controle bij aanbieders, de naleving van de ken uw klant-verplichting, de inhoud van de schriftelijke overeenkomst met afnemers, de wijze waarop aan- en verkoopkoersen van de lease-aandelen aan cliënten werden doorberekend, en de wijze waarop en de frequentie waarmee afnemers werden geïnformeerd over de waardeontwikkeling van hun portefeuille.
Ook bleek dat veel aanbieders van aandelenlease-producten zich niet hielden aan de saldobewakingsplicht, omdat zij er vanuit gingen dat deze regel niet van toepassing was bij aandelenlease. Eén of meerdere aanbieders hebben de AFM in het voorjaar van 2002 van die opvatting in kennis gesteld. De AFM heeft deze aanbieder(s) per brief laten weten dat zij de saldobewakingsplicht wél van toepassing achtte op aandelenlease-overeenkomsten.
Alles overwegende heeft de AFM in 2003 besloten om meerdere aanbieders ontheffing te verlenen van de saldobewakingsplicht, mede omdat naleving van deze regel onder de gegeven omstandigheden niet in het belang van de afnemers was. Veel afnemers verkeerden op dat moment al in een aanmerkelijke schuldpositie en hadden als gevolg van handhaving van de saldobewakingsplicht grote sommen geld moeten bijstorten om aan hun verplichtingen te voldoen.
Gelet op de ernst van de in haar onderzoeken geconstateerde overtredingen, heeft de AFM handhavingmiddelen ingezet met betrekking tot aanbieders. Op het gebied van handhaving heeft de AFM verschillende middelen tot haar beschikking: zij kan een aanwijzing of een openbare waarschuwing geven, een vergunning intrekken, de registratie van een effecteninstelling doorhalen of weigeren, of als ultimum remedium aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Daarnaast heeft de AFM sinds 1 januari 2000 de bevoegdheid om bestuurlijke boetes en lasten onder dwangsom op te leggen. Zij kan het opleggen van zo’n maatregel openbaar maken, indien zij meent dat zulks gewenst is met het oog op de adequate functionering van de effectenmarkten en/of de positie van beleggers op die markten. In het kader van aandelenlease heeft de AFM op 22 juli jl. bekend gemaakt dat zij aandelenlease-aanbieder Dexia in december 2003 een zestal bestuurlijke boetes heeft opgelegd wegens overtreding van verschillende effectenrechtelijke gedragsregels die zijn begaan tussen december 2000 en december 2001. Het betreft de volgende overtredingen: