LET OP: Dit topic is meer dan drie jaar geleden geplaatst. De informatie is mogelijk verouderd.

[ archief ] ABN Amro geeft Zeister familie 108.000 euro

Hier kan je discussiëren over de onderwerpen rondom Legio Lease.
L. Blok

ABN Amro geeft Zeister familie 108.000 euro

Ongelezen bericht door L. Blok »

ABN Amro geeft Zeister familie 108.000 euro
AMSTERDAM/ZEIST - ABN Amro moet 108.000 euro terugbetalen aan een klant omdat de bank verkeerde beleggingsadviezen heeft gegeven.

Het klachteninstituut voor de effectenhandel DSI concludeert dat ABN Amro ten onrechte dacht dat de klant, de Zeister familie Zeylstra, vermogend was.

Zo stelde de bank in zijn verweer dat de klant een internationaal vermogend zakenman was, uit een welgestelde familie kwam (vader multimiljonair met eigen bedrijf en miljoenen op Zwitserse rekening) en kostbare bezittingen had. ABN Amro benadrukte dat de klant dit zelf had aangedragen. Volgens het klachteninstituut heeft de bank Zeylstra nooit om nadere gegevens over diens financiële positie gevraagd. Bovendien had ABN Amro op basis van eigen onderzoek tot een juist beeld kunnen komen.

In werkelijkheid raakte de gedupeerde tijdens de Golfoorlog een groot deel van zijn vermogen kwijt (hij woonde een aantal jaren in Koeweit) en bestond de loopbaan van zijn vader uit een 40-jarig dienstverband bij de PTT. Ook het familiekapitaal had nimmer een miljoenenomvang.

Op basis van deze verkeerde inschattingen adviseerde ABN Amro een riskante beleggingsportefeuille, ter waarde van ongeveer 500.000 gulden (circa 226.000 euro). Door de Azië-crisis (1998) en de malaise op de beurzen ontstond in 2001 een dekkingstekort dat de klant niet kon aanvullen. Enkele maanden later besloot ABN Amro de portefeuille te liquideren, waarna nog een schuld van 15.000 gulden overbleef.

Utrechts Nieuwsblad 27-06-2003

Copyright © 2003 Utrechts Nieuwsblad - alle rechten voorbehouden

Ragrin

Re: ABN Amro geeft Zeister familie 108.000 euro

Ongelezen bericht door Ragrin »

Weer zo'n zaak dat een flink lichtpunt is in onze zaak.
Bij wie is er wel door die snelle geldverdieners van Legio een goed profiel gemaakt van onze financiële positie??? Nou, bij ons in elk geval nooit. Of het nu om veel of weinig z.g. restschuld gaat, banken zullen terug betalen, door hun overhaaste geldmaak woede. Daarbij hebben ze gelukkig voor ons blunders gemaakt, die nu door al die stichtingen, DSI en noem ze maar op tot de politiek aan toe nu aan de kaak worden gesteld, met o.a. bovenstaand bericht als resultaat. Wanhoop dus niet, betaal nooit (dat geld ben je dan ook weer kwijt) en houdt geduld tot er over Dexia hetzelfde bericht in de landelijke dagbladen zal verschijnen. Ragrin

L. Blok

Re: ABN Amro geeft Zeister familie 108.000 euro

Ongelezen bericht door L. Blok »

Onderstaand de volledige behandeling van de Klachtencommissie DSI over bovenvermeld krantenbericht.

m.v.g. L. Blok
____________________________________________________________________

Uitspraak KCD nr. 58 d.d. 07-04-2003


Uitspraak Klachtencommissie DSI nr. 03-58 d.d. 7 april 2003
prof.mr. M.R. Mok, voorzitter, G.G.J. Kuttschreuter RA, R.H.G. Mijné, G.J.P. Okkema
en mr. W.A.M. van Schendel

INHOUD VAN DE KLACHT

De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klagers hebben gedurende vele jaren in Koeweit gewoond. Gezien eerder geleden zakelijke ver-liezen verkochten klagers in 1995 hun woonhuis en het vrijgekomen bedrag werd bij verweerder on-dergebracht. In 1998 bereikte klager de pensioengerechtigde leeftijd en aangezien het klagers gedu-rende lange tijd niet mogelijk was om vanuit het buitenland AOW-premie te betalen, hebben zij sa-men slechts recht op een gereduceerde AOW-uitkering. Klager is voor zijn onderhoud, waaronder de huurkosten van zijn appartement, voor het overige aangewezen op inkomsten uit vermogen.
Begin 1998 besloot klager bij verweerder een beleggersrekening te openen. Klager werd bijgestaan door adviseur A van verweerder. Klager ging regelmatig op bezoek bij A die ter plekke met voorstel-len kwam en daarbij dan een schetsje van een constructie maakte. Gezien de complexiteit daarvan keek klager vooral naar de uitkomst; hij ging vrijwel steeds akkoord met de voorstellen van A. In de periode 1999 tot 2001 had klaagster ernstige gezondheidsproblemen waardoor klager nog meer ge-neigd was op A te leunen.
In de drie en een half jaar dat klager bij verweerder heeft belegd, zijn er nooit telefonische besprekin-gen gevoerd, noch telefonische orders gegeven, noch is er correspondentie tussen partijen gevoerd. Alles werd ter plekke op het kantoor met A geregeld.
Er is zeer risicovol belegd. In eerste instantie geschiedde dit in aandelen en call opties, maar al snel ver-anderde dit in meer risicovolle put opties en IT-aandelen. Daarnaast werd er zeer veel omgezet en is in 2000 de portefeuille met een waarde van gemiddeld € 250.000 ongeveer tien keer om-ge-zet.
Begin 2000 deden zich de eerste problemen voor. In dat jaar kon klager verschillende keren niet aan zijn verplichtingen voldoen, zonder dat verweerder hier consequenties aan verbond. Door middel van strategische aan- en verkopen werd getracht de gaten te dichten wat ook veelal lukte. Begin 2001 was de omvang van de portefeuille weliswaar belangrijk afgenomen, maar kon klager op-nieuw niet aan zijn marginverplichtingen voldoen. Verweerder had toen nog steeds geen schrifte-lijke waarschuwing gestuurd en dat heeft hij evenmin gedaan voorafgaand aan de liquidatie van de portefeuille op 6 juli 2001.
In de daarop volgende periode kon klager, nadat hij zijn klacht aan verweerder had voorgelegd, han-gende de behandeling daarvan geld blijven opnemen hoewel toen al een debetstand van circa
€ 11.000 was ontstaan.
Verweerder heeft bij het aangaan van de relatie geen cliëntenovereenkomst met klager gesloten en hij heeft ook nagelaten een cliëntenprofiel op te stellen. Gezien de inkomens- en vermogenspositie van klager had verweerder een zeer defensieve strategie moeten adviseren, maar dat heeft hij niet gedaan. Verweerder kon weten dat klagers inkomen slechts bestond uit een gereduceerde AOW-uit-kering maar de portefeuille was desondanks zeer risicovol en zeer eenzijdig samengesteld.
Verweerder heeft te laat ingegrepen. In 2000 voldeed klager verschillende malen niet aan de margin-verplichtingen maar verweerder heeft noch toen noch later klager schriftelijke waarschuwingen ge-zon-den en pas vlak voor de liquidatie is klager mondeling geïnformeerd over de ernst van de situatie.
Verweerder heeft met klager geen kredietovereenkomst gesloten. Desondanks kon klager meerma-len niet aan zijn marginverplichtingen voldoen en is zijn debetstand opgelopen tot circa € 16.000.
Er is te veel omzet in de portefeuille gerealiseerd. Zelfs als de persoonlijke omstandigheden van kla-ger buiten beschouwing blijven, had A klager nooit de adviezen mogen geven die zijn gegeven. Als een portefeuille tien keer in één jaar wordt omgezet dan is dat in beginsel niet in het belang van de cliënt.
Met betrekking tot de schade legt klager een berekening van zijn accountant over. Bij deze bereke-ning is uitgegaan van een rendement van 3% per jaar en daarmee komt klager op een schadebe-drag van € 495.679,51. Klager vordert vergoeding van dit bedrag, te verhogen met rente, accoun-tants-kosten, teveel betaalde provisie en kosten van rechtsbijstand.

INHOUD VAN HET VERWEER

Het verweer houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Met betrekking tot de financiële positie van klagers wijst verweerder erop dat hij afhankelijk is van de mededelingen van betrokkenen.
Klagers hebben daarover aan verweerder het volgende verklaard:
1) klager was een internationale vermogende zakenman;
2) klager kwam uit een welgestelde familie. Zijn vader had een eigen bedrijf en was multimiljonair;
3) klagers beschikten over enige miljoenen bij een Zwitserse bank;
4) klagers bezaten een kostbare inboedel en antiek waaronder twee schilderijen van de Hollandse School met een geschatte waarde van ƒ 50.000;
5) klagers bezaten kostbare sieraden;
6) klagers lieten zich bijstaan door een belastingadviseur en beschikten over een rechtsbijstand-verzekering.
Dit sloot aan bij de waarnemingen van verweerder. Bij leven bankierden de ouders van klager bij verweerder en hun financiële positie was bij verweerder bekend. Klagers startvermogen bedroeg
ƒ 500.000 en klagers huurwoning bevindt zich niet in het lage marktsegment.
Klager had beroepsmatig al vele jaren ervaring op het gebied van termijnhandel. Sinds 1986 sloot klager valutatermijnaffaires af via verweerder en het was voor hem dan ook een kleine stap om te gaan beleggen in aandelen en opties. Klager had, naar zijn zeggen, grote verliezen geleden met valutatermijnaffaires en ook op het gebied van aandelen was klager een belegger die met grote be-dra-gen op korte termijn speculeerde. Klager was zozeer actief en bedreven dat hij in aanmerking kwam voor een korting op de aan- en verkooptarieven.
Eerst begin 2001 kreeg verweerder informatie waaruit bleek dat de financiële positie van klagers an-ders was dan zij verweerder hadden doen geloven. Toen bleek plotseling dat het bij verweerder te beleggen bedrag het gehele vermogen betrof en doorslaggevend was voor de oudedagsvoorziening. Toen bleek ook dat klagers voor hun inkomsten uitsluitend afhankelijk waren van een gekorte AOW en de beleggingsresultaten bij verweerder.
Voordien was er geen aanleiding geweest voor een tussentijdse evaluatie van het beeld dat ver-weerder tot dan toe had. De contacten waren zeer frequent (tweemaal per week) en klager toonde zich daarbij altijd tevreden over de diensten van verweerder. Klager gaf nooit blijk van gewijzigde of problematische financiële omstandigheden.
Verweerder meende een goed inzicht te hebben in de situatie, de ervaring en de beleggingsdoel-stel-lingen van klagers. Verweerder wijst erop dat, ook al zou in 1997 een cliëntenprofiel zijn opge-maakt, hetgeen toen niet gebruikelijk was, dit geen verschil zou hebben gemaakt.
Op 6 februari 2001 constateerde verweerder een dekkingstekort voor de marginverplichtingen. Verweerder is op 11 februari niet overgegaan tot gedeeltelijke liquidatie. Hij heeft dat niet gedaan om-dat klager dringend had verzocht om drie maanden uitstel in verband met de voorgenomen veiling van twee kostbare schilderijen. Vanaf dat moment verleende verweerder in feite een blanco krediet. In verband daarmee heeft klager zijn aangiften IB en VB aan verweerder overhandigd en pas toen werd de financiële situatie duidelijk. Er is toen geen kredietovereenkomst opgemaakt o.m. omdat het een éénmalige faciliteit van korte duur zou zijn.
Als verweerder wel had geliquideerd, dan zou een aantal optieposities ter waarde van ƒ 175.000 zijn gesloten en zou 40% van de portefeuille zijn verkocht; de waarde van de portefeuille nadien zou dan nog ƒ 175.000 hebben bedragen.
Verweerder wijst er overigens op dat in maart 2001 de dekkingswaarde van de effectenportefeuille tijdelijk weer voldoende was om aan de marginverplichtingen te voldoen.
Het verwijt van klagers dat verweerder in februari niet de gehele portefeuille heeft geliquideerd, gaat eraan voorbij dat dat toen niet nodig was en ook regelrecht inging tegen de gedragslijn van klager die in de regel geen verlies wenste te nemen op zijn posities.
In juni 2001 bleek dat de verkoop van de schilderijen niet doorging. Inmiddels was de markt ver-slech--terd en verweerder was genoodzaakt op 6 juli 2001 de gehele portefeuille te liquideren waarna een debetsaldo resteerde van ƒ 15.000.
Er was sprake van een adviesrelatie en klager nam o.m. grote optieposities in KPN en Philips. Klagers initiatieven op dit punt werden geaccordeerd door zijn belastingadviseur omdat het saldo van de geschreven opties op het vermogen in mindering kon worden gebracht.
Verweerder heeft aangedrongen de geschreven optieposities beperkt te houden en ook te beleggen in meer defensieve instrumenten zoals obligaties. Klagers wilden echter liever andere bezittingen ver--kopen dan verlies nemen op de opties.
Verweerder neemt aanstoot aan de beschuldiging van churning. Daarvoor is vereist dat de uitvoering van de orders kennelijk slechts strekte tot bevoordeling van verweerder. Hiervan was geen sprake. Het ging altijd om transacties waarvoor klager op eigen initiatief uitdrukkelijk opdracht gaf. De kosten en de transactiefrequentie waren ook uitdrukkelijk met klagers besproken. Klagers kwamen immers in aanmerking voor een kortingsregeling en klagers hebben zich destijds nooit beklaagd over dit on-der--werp.
Klager placht tweemaal per week op vaste dagen en op een vast tijdstip een bezoek te brengen aan het desbetreffende kantoor van verweerder. Klager was dan goed voorbereid en veelal gaf hij dan ook enkele opdrachten. Eens per week kreeg hij een beleggings- en liquiditeitenoverzicht. De per-soonlijke benadering werd door klager geïnitieerd en hij stelde dat zeer op prijs.
Anders dan klager stelt, gebruikte klager A meer als klankbord dan als adviseur, hij legde zijn eigen ideeën aan deze voor. Klager was over de inhoud van de gesprekken en de rol van de adviseur zeer tevre-den.
In de periode eind 2000/begin 2001 heeft verweerder enkele malen telefonisch contact met klagers opgenomen. De aanleiding daartoe was een - dreigend - dekkingstekort. Klager besloot tijdens dat gesprek hoe hij de situatie wilde aanpakken; doordat klager geen verlies wilde nemen op zijn optie-po-sities was dit veelal anders dan wat verweerder verstandig vond. Daarom was het niet nodig om daarna nog een schriftelijke waarschuwing te sturen.
Klagers ontvingen, naast de eerdergenoemde overzichten, frequent rekeningafschriften e.d. waar-door zij goed waren geïnformeerd over de samenstelling, de waardeontwikkeling en de marginver-plichtingen van hun portefeuille.
Verweerder gaat in zijn verweerschrift vervolgens uitvoerig in op de door klagers opgestelde schade-berekening. Hij wijst er daarbij o.m. op dat hij klagers eerder een schikkingsvoorstel heeft gedaan ervan uitgaande dat verweerder op of rond 6 februari 2001 zou hebben ingegrepen. Zoals reeds eerder gezegd zou daarna de waarde van de portefeuille nog ƒ 175.000 ofwel € 70.332 hebben bedragen. Verweerder was bereid klagers de helft daarvan, zijnde ruim € 35.000 te vergoeden waar-uit klagers dan vervolgens de bestaande debetstand zouden moeten voldoen.
Achtergrond van dit voorstel was dat verweerder toen op de hoogte was van de feitelijke financiële situatie van klagers en hij meer invloed op hen had moeten uitoefenen om te zorgen dat een belang-rijk deel van het risico uit de portefeuille zou worden geëlimineerd. Verweerder heeft in zijn voorstel de eigen verantwoordelijkheid van klagers voor 50% laten meewegen.
Verweerder is nog steeds van mening dat met dit voorstel een meer dan passende vergoeding is geboden.
Verweerder acht de eis van klagers tot vergoeding van het totale vermogensverlies ongegrond waar-bij klagers o.m. hun eigen rol geheel buiten beschouwing laten.
De kosten van de accountant kunnen volgens verweerder niet voor zijn rekening komen; de ge-maak-te berekeningen zijn niet relevant en onjuist.
Van restitutie van provisie over 2000 kan geen sprake zijn aangezien er geen sprake was van chur-ning en klagers bovendien korting op de provisie hebben genoten.
Vergoeding van kosten voor rechtsbijstand kan evenmin aan de orde zijn aangezien klagers zelf heb--ben laten blijken dat die gedekt zijn door een rechtsbijstandsverzekering.
Verweerder verzoekt de Commissie de klacht af te wijzen.

REACTIE OP HET VERWEER

In hun uitvoerige schriftelijke reactie op het verweer hebben klagers onder andere nog het volgende gesteld.
Verweerder heeft klager nooit gevraagd om informatie over zijn financiële positie noch over zijn erva-ringen met beleggen.
Klager heeft tijdens de Golfoorlog zijn vermogen grotendeels verloren. Klagers vader is nooit vermo-gend geweest; deze was gedurende 40 jaar ambtenaar bij de PTT. Klager had geen miljoenen bij een Zwitserse bank. Vóór de Golfoorlog was er wel geld in Zwitserland maar een veel geringer be-drag en daar is uiteindelijk niets van overgebleven. Ook over de schilderijen heeft verweerder zijn eigen interpretatie en dit is nooit zo door klager gesteld; uiteindelijk is er wel één verkocht voor
ƒ 5.500. Klaagster beschikte inderdaad over sieraden die zij in de loop van haar leven verzamelde, doch deze leverden bij verkoop slechts 20% van de aankoopwaarde op.
Anders dan verweerder stelt, had deze vóór begin 2001 al behoren te weten van de financiële situa-tie van klagers. Verweerder suggereert ten onrechte dat klager hem tot op dat moment onjuiste infor-matie zou hebben voorgehouden.
Klager had inderdaad ervaring in valutatermijnhandel maar het beleggen in aandelen en opties is iets heel anders zodat deze ervaring niet relevant is. Klager herhaalt dan ook dat hij door A aan de hand werd meegenomen; de initiatieven voor de beleggingen kwamen geheel van A en het is pertinent niet waar dat verweerder klager zou hebben geadviseerd defensiever te beleggen. Het frequente be-zoek aan het kantoor van verweerder maakte in feite meer deel uit van klagers sociale leven dan dat hij daar kwam om zeer actief met zijn beleggingen bezig te zijn.
De datum van 6 februari 2001 waarop het dekkingstekort ontstond is door verweerder eenzijdig be-paald en voor klager moeilijk controleerbaar.
Klager heeft niet om uitstel van liquidatie gevraagd. Ongeloofwaardig is verweerders stelling dat hij zonder overeenkomst een krediet zou hebben verleend omdat klager schilderijen zou bezitten ter waarde van ƒ 100.000.
Met betrekking tot zijn schade handhaaft klager zijn berekening en de door hem opgenomen posten.

BEHANDELING TER ZITTING EN NADERE INFORMATIE

Verweerder verklaart desgevraagd dat er geen sprake was van systematische vastlegging van ge-gevens over klagers financiële positie noch over diens beleggingsdoelstellingen of risicoprofiel. De waarschuwingen die verweerder heeft gegeven zijn uitsluitend mondeling gedaan en ook daar is geen aantekening van gehouden.
Met betrekking tot het verleende krediet wijst verweerder erop dat klager een zogenaamde beleg-gersrendementrekening bij verweerder aanhield. In de voorwaarden van deze rekening is een clausule met betrekking een effectenkrediet opgenomen.
Verweerder verklaart dat klager met verschillende adviesmedewerkers contact had. De voorgaande adviseur was voor klager te conservatief en vervolgens is klager met A in contact gebracht. Klager wilde transacties doen op de korte termijn en het specialisme van A sloot daarbij aan. De crisis in het Verre Oosten leidde tot de eerste waardedaling van de porte-feuille. Klager heeft vervolgens zijn op-tie-posities te lang aangehouden. In september 2000 heeft verweerder gepoogd klager er toe te be-we-gen die posities te sluiten, maar klager wilde dat niet.
Klager deelt mede dat hij ook reeds bij de voorgaande adviseur op diens advies optietransacties deed. Hij had inderdaad de indruk dat A veel agressiever was dan zijn voorganger; A begon ook met put opties. Op de vraag van de zijde van de Commissie waarom klager niet kritischer is geweest over de vele optietransacties, verklaart deze, dat in 1999 de markt omhoog ging en hij toen behoor-lijke koerswinsten maakte; hij had er daarom geen bezwaar tegen dat dit zou doorgaan.
Na de zitting heeft verweerder nog een exemplaar van de voorwaarden van de beleggersrendement-rekening overgelegd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Tussen partijen was sprake van een adviesrelatie en onder die omstandigheid is de belegger in be-gin-sel zelf verantwoordelijk voor - de consequenties van - de door hem aangegane transacties.
Op grond van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, is de Commissie van oordeel dat klager moet worden aangemerkt als een ervaren belegger die met kennis van zaken optrad. Klager speelde dan ook een leidende, althans tenminste een zeer actieve rol bij het initiëren van de transacties. Voor zover A klager daarbij adviseerde is niet aannemelijk geworden dat deze adviezen heeft gege-ven die een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur niet had mogen geven.
Daar staat tegenover dat het op de weg van verweerder had gelegen zich vanaf de aanvang van de relatie in de financiële positie van klager te verdiepen.
Verweerder stelt dat hij daarvan kennis had, maar zoals ter zitting is gebleken was hierover niets vast-gelegd; een en ander berustte op persoonlijke indrukken van de betrokken medewerkers. Nu de werkelijke gegevens zo sterk afwijken van hetgeen verweerder meent, kan de Commissie slechts concluderen dat er noch bij aanvang noch in een later stadium sprake is geweest van enige vorm van gerichte inventarisatie, maar dat een en ander uitsluitend berustte op interpretaties door de ge-noemde medewerkers.
Het ontbreken van die kennis klemt te meer, daar het in het kader van de zorgplicht in het onderha-vige geval tot de taak van verweerder behoorde klager uitdrukkelijk en uiteindelijk schriftelijk te waar-schuwen voor de risico’s die hij met zijn handelwijze nam.
Naar de Commissie heeft begrepen is voor grote bedragen geïnvesteerd in opties en het op een der-gelijke wijze aanwenden van pensioengelden had verweerder klager ten sterkste moeten afra-den. Dit laatste geldt evenzeer voor het volume waarmee klager handelde. Voor de goede orde wijst de Commissie er daarbij uitdrukkelijk op dat dit niet betekent dat zij daarmee ook van oordeel is dat sprake was van churning. Zoals uit het voorgaande reeds blijkt, heeft klager naar haar oordeel de transacties en daarmee het volume daarvan in belangrijke mate zelf geïnitieerd; niet is gebleken dat verweerder een en ander te eigen bate heeft gestimuleerd.
Het achterwege blijven van waarschuwingen aan het adres van klager maakt verweerder in belang-rijke mate aansprakelijk maakt voor de geleden schade.
Ten aanzien van de hoogte van die schade overweegt de Commissie het volgende.
Anders dan klagers menen moet bij het bepalen van het geleden verlies worden uitgegaan van het beginvermogen dat, zoals onweersproken is gesteld, in 1997 € 226.891 (ƒ 500.000) bedroeg. Bij een meer solide vorm van beleggen zou zich immers noch het uiteindelijke verlies noch de - uit klagers overzicht naar voren komende - tussentijdse spectaculaire waardestijging hebben voorgedaan.
Ervan uitgaande dat een gespreide aandelenportefeuille zou zijn opgebouwd, bepaalt de Commissie - rekening houdend met de algemene koersontwikkeling in de onderhavige periode, het op de beleg-gingen te realiseren dividend, transactiekosten en de door klager gedane netto onttrekkingen zoals die uit zijn schade-overzicht blijken - naar redelijkheid en billijkheid dat de waarde van klagers portefeuille op de liqui-da-tiedatum € 210.000 had kunnen bedragen.
Op die datum resteerde volgens verweerder echter een schuld van € 6.807 (ƒ 15.000) zodat de totale schade kan worden berekend op € 216.807.
De schuld van partijen tegen elkaar afwegende is de Commissie van oordeel dat verweerder klager 50% van dat bedrag, afgerond € 108.000 aan klagers dient te vergoeden.
Met betrekking tot de vergoeding van kosten wijst de Commissie op haar bestendige gedragslijn dat kosten voor juridische bijstand in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen; de vraag of kla-gers daarvoor al dan niet een verzekering hebben afgesloten is daarbij niet relevant.
Met betrekking tot de accountantskosten is de Commissie niet gebleken dat het maken van deze kosten noodzakelijk was. Zoals uit het voorgaande reeds blijkt, zijn er naar het oordeel van de Commissie evenmin termen aanwezig om tot een specifieke vergoeding van betaalde provisie te komen.

UITSPRAAK

De Commissie stelt het bindend advies vast dat verweerder binnen de termijn van een maand na verzending aan partijen van een afschrift van dit bindend advies aan klagers vergoedt een bedrag van € 108.000 te verhogen met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf 6 juli 2001 tot aan de dag van algehele voldoening alsmede een bedrag van € 4.900 als bijdrage in de kosten voor juridische bijstand.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

INFO

Re: ABN Amro geeft Zeister familie 108.000 euro

Ongelezen bericht door INFO »

Wie was de advocaat?

Gesloten