LET OP: Dit topic is meer dan drie jaar geleden geplaatst. De informatie is mogelijk verouderd.

[ archief ] Interessante DSI uitspraak nr. 58 d.d. 7-4-2003!

Hier kan je discussiëren over de onderwerpen rondom Legio Lease.
Captain-America
Berichten: 861
Lid geworden op: 02 jul 2003 20:10

Interessante DSI uitspraak nr. 58 d.d. 7-4-2003!

Ongelezen bericht door Captain-America »

Op de site van de DSI: http://www.dsi.nl/index.php?sid=9&uitspraak=535 kwam ik zojuist onderstaande mijn inziens interessante uitspraak tegen.
Leest u allen deze maar eens goed door. Met name de uitspraak en waarom er (maar) 50% toegewezen word...
Dit bied p.........n!

Uitspraak KCD nr. 58 d.d. 07-04-2003

Uitspraak Klachtencommissie DSI nr. 03-58 d.d. 7 april 2003
prof.mr. M.R. Mok, voorzitter, G.G.J. Kuttschreuter RA en R.H.G. Mijné

INHOUD VAN DE KLACHT

De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
Klaagster heeft geld geleend en € 2.656.63 gestort op een effectenrekening bij verweerder. Verweerder verstrekte haar vervolgens een effectenkrediet van 60% van de waarde van haar aande-len, waardoor klaagster voor meer geld dan zij bezat aandelen kon kopen, hetgeen zij ook heeft ge-daan. Met haar aandelen als dekking schreef klaagster call opties. Uit de opbrengst van de ge-schre-ven call opties kocht klaagster nog meer aandelen waarop zij eveneens effectenkrediet ont-ving. Als gevolg hiervan steeg klaagsters aandelenbezit, maar ook het debetsaldo op haar effecten-rekening. Op 9 juli 2001 stond de effectenrekening € 82.691,65 debet.
Klaagster verwijt verweerder dat deze zijn zorgplicht niet heeft vervuld. Klaagster is studente, heeft enkel inkomen uit een studiefinanciering en heeft geen ervaring met beleggen. Bovendien had klaagster reeds een studentenkrediet van € 3.865 per 22 maart 2001 bij een andere instelling en had zij een schuld van € 8.597 per 11 mei 2001 bij de Informatie Beheer Groep. Verweerder had klaag-ster er dan ook van moeten weerhouden dergelijke posities, waardoor haar middelen ruim-schoots zijn overschreden, in te nemen.
Voorts heeft verweerder nagelaten klaagster ervan op de hoogte te stellen dat zij over onvoldoende middelen beschikte om haar posities te sluiten indien dat nodig mocht zijn. Klaagster was er steeds van overtuigd dat zij haar posities kon sluiten alvorens er een tekort zou ontstaan. Eerst in een veel later stadium ontdekte klaagster dat zij circa € 45.378,02 of meer moest bijbetalen om de posities op 25 juni 2001 te sluiten. Dit is veel meer dan het dekkingstekort van dat moment van € 26.823.
Verweerder heeft zelf evenmin de posities tijdig gesloten, hoewel daardoor klaagster met een lagere schuld zou zijn achtergebleven dan thans het geval is.
Verweerder heeft noch naar klaagsters financiële positie geïnformeerd noch haar gevraagd in welke omvang zij bereid zou zijn beleggingsrisico’s te accepteren en hij heeft haar nooit een indruk gege-ven van de omvang van de risico’s van haar beleggingsposities.
Klaagster vordert van verweerder een bedrag van € 67.594 wegens geleden verliezen.

INHOUD VAN HET VERWEER

Het verweer houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.
In de tweede helft van juni 2001 ontstond op de effectenrekening van klaagster een negatieve beste-dingsruimte. Ondanks het verzoek van verweerder bij brief van 25 juni 2001 aan klaagster dit tekort aan te vullen, heeft klaagster dit nagelaten. Na een waarschuwingsbrief van 20 juli 2001 heeft ver-weer-der op 2 augustus 2001 de gehele portefeuille gesloten, waarna een schuld resteerde van
€ 67.594.
Verweerder betwist dat hij zich niet aan zijn zorgplicht heeft gehouden. Hij heeft direct na het ont-staan van de negatieve bestedingsruimte op de effectenrekening, klaagster hierover aangeschreven met het verzoek voor aanvulling zorg te dragen. Klaagster heeft hierop geen juiste maatregelen ge-no-men omdat zij van mening was dat zij niet aansprakelijk was voor dit tekort. Verweerder heeft daar--om zelf zijn verantwoordelijkheid genomen door op 2 augustus 2001 de portefeuille te liquideren teneinde te voorkomen dat het tekort verder zou oplopen.
Verweerder heeft begin 2001, voordat hij aan klaagster een effectenkrediet verstrekte, van haar een ondertekende cliëntenovereenkomst en een effectenkredietovereenkomst ontvangen. In voorwaarde 2 van deze overeenkomst staat vermeld dat de effectendienstverlening voor rekening en risico van de klant is en dat het geven van adviezen en het beheer van de effectenportefeuille niet behoort on-der de effectendienstverlening zoals verweerder die geeft. Voorts staat in artikel 7 vermeld dat de klant verklaart zich bewust te zijn van de risico’s die aan de belegging in effecten zijn verbonden en deze aanvaardt. Tevens heeft verweerder klaagster de handleiding gezonden, waarin onder meer staat dat aan het opnemen van effectenkrediet risico’s zijn verbonden en dat dit kan beteke-nen dat door koersdaling het onderpand voor het effectenkrediet niet langer voldoende is.
Verder betwist verweerder dat hij klaagster niet zou hebben geïnformeerd over de risico’s die de po-si-ties die klaagster innam met zich brachten. Ervan afgezien dat het hier een execution only-relatie betrof, ontving klaagster na iedere mutatie een aankoopnota c.q. afschrift van de stand van haar effecten-rekening. Klaagster was dus voortdurend op de hoogte van het aantal aandelen dat zij in bezit had en de hoogte van het debetsaldo op haar effectenrekening. Zij kon dan ook eenvoudig na-gaan wat een bepaalde koersdaling voor gevolgen zou hebben voor haar bestedingsruimte en welke risico’s hieruit voor haar zouden kunnen voortvloeien. Klaagster handelde overigens zeer frequent.
Klaagsters stelling dat verweerder haar, gezien haar financiële posities geen krediet had mogen verstrekken, geldt volgens verweerder slechts voor een standaard consumptief krediet. Bij een effec-tenkrediet ligt dat anders omdat de effecten daarbij tot onderpand strekken. Omdat verweerder geen advies geeft en ook geen rekening houdt met de beleggingsdoelstellingen van de klant, heeft hij er bewust voor gekozen maximaal 60% krediet op aandelen te verstrekken, in tegenstelling tot andere instellingen die doorgaans hogere kredietpercentages hanteren.
Verweerder verzoekt de Commissie de klacht af te wijzen.

REACTIE OP HET VERWEER

Klaagster begrijpt niet dat verweerder uit zichzelf geen adequate maatregelen heeft getroffen om zijn vordering op het onderpand van klaagster op elk moment te kunnen verhalen.
Verweerder heeft haar er nooit op gewezen dat hij in zijn mededelingen aan klaagster een dekkings-tekort vermeldt dat nauwelijks 20% is van het werkelijke tekort op hetzelfde moment.
Klaagster stelt dat verweerder haar er evenmin expliciet op heeft gewezen dat de effectendienstver-lening slechts een execution only-relatie betrof.
Voorts betwist klaagster dat zij op eenvoudige wijze de berekeningen inzake haar kredietpositie kon uitvoeren, omdat achteraf bleek dat zelfs verweerder deze berekeningen steeds foutief heeft uitge-voerd. Klaagster heeft altijd, voordat zij een transactie verrichtte, aan verweerder gevraagd haar be-rekeningen te controleren en pas na een akkoord van verweerder verrichtte zij een transactie. Vanwege deze controle en fiattering van verweerder kon klaagster niet vermoeden dat zij slechts een execution only-overeenkomst met verweerder had gesloten.

BEHANDELING TER ZITTING

Verweerder voert aan dat klaagster er zelf voor heeft gekozen om gebruik te maken van het effec-tenkrediet en om dit maximaal te benutten. Verweerder stelt dat hij, aangezien hij slechts execution only-relaties onderhoudt, zich beperkt tot het uitvoeren van opdrachten van klanten, maar hun niet adviseert.
Op een vraag uit de Commissie of verweerder niet is gehouden overeenkomstig artikel 28 van de Nadere regeling toezicht effectenverkeer 1999 een cliëntenprofiel op te stellen, stelt verweerder zich op het standpunt dat de wet alleen ziet op controle van het saldo zolang de instelling zich beperkt tot het doorgeven en uitvoeren van opdrachten voor de klant. Als gevolg van deze beperkte dienstverle-ning geeft verweerder dan ook een lager kredietpercentage in vergelijking met andere effecteninstel-lingen.
Op 25 juni 2001 heeft verweerder klaagster voor het eerst aangeschreven in verband met een dek-kingstekort op haar effectenrekening. Pas op 2 augustus 2001 heeft verweerder de portefeuille geli-quideerd. Verweerder verklaart dat hij klanten drie brieven stuurt indien zich een dekkingstekort aan-dient alvorens tot liquidatie over te gaan. Hij stelt zich op het standpunt dat hij klanten voldoende tijd wil geven om orde op zaken te stellen, maar erkent dat die termijn in dit geval rijkelijk lang is ge-weest.
Desgevraagd antwoordt verweerder dat de koersen na 10 juli 2001 daalden. Achteraf gezien heeft het voor klaagster zelfs gunstig uitgepakt dat haar posities pas in een laat stadium zijn gesloten.
Verweerder brengt desgevraagd verder naar voren dat 60% van de waarde van de aandelen in de bestedingsruimte wordt opgenomen. De krediet-ver-lening wordt beperkt door de uitoefenprijs van die geschreven call opties. Zodra de krediet-ruimte niet meer wordt gedekt, wordt een klant direct aange-schre-ven om voor aanzuivering zorg te dragen. Dit laat overigens onverlet, dat na sluiting van posi-ties de klant met een tekort kan blijven zitten.
Klaagster stelt dat zij op de internetsite van verweerder niet kon zien of er met betrekking tot haar effectenportefeuille sprake was van een dekkingstekort. Verweerder beaamt dat en meldt dat dit via de orderlijn moet worden opgevraagd, maar voegt daaraan toe dat de debetstanden op de dagaf-schriften staan vermeld, zodat klaagster hiervan kennis had kunnen nemen.
Tenslotte verklaart klaagster dat zij zich ervan bewust was dat zij met geleend geld aan het beleggen was.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Vaststaat dat klaagster, een studente met enkel inkomen uit een studiefinanciering en schulden el-ders, een cliëntenovereenkomst effectendienstverlening en een effectenkredietovereenkomst heeft gesloten met verweerder. Klaagster heeft vervolgens met geleend geld via de orderlijn van verweer-der vele aandelentransacties verricht en call opties geschreven en daardoor een steeds toenemend risico heeft gelopen.
In de tweede helft van juni 2001 ontstond op klaagsters effectenrekening een negatieve bestedings-ruimte. Na klaagster herhaaldelijk in de gelegenheid te hebben gesteld het tekort aan te zuiveren, heeft verweerder bij gebreke hiervan de effectenportefeuille op 2 augustus 2001 geliquideerd, waar-na voor klaagster een schuld resteerde van € 67.594.
Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet overeenkomstig zijn zorgplicht heeft gehandeld om-dat deze bij aanvang van de effectenrelatie zich niet op de hoogte heeft gesteld van klaagsters erva-ring met beleggen en haar financiële achtergrond.
Verweerder heeft vervolgens gesteld dat het know-your-customer beginsel van artikel 28 lid 1 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 niet van toepassing is indien een effecteninstelling zich beperkt tot het doorgeven of uitvoeren van door de klant opgegeven transacties, zoals met de orderlijn van verweerder het geval is.
De effectendienstverlening die handelen via orderlijnen meebrengt, is beperkter dan wanneer via een beleggingsadviseur transacties worden gedaan. Zo wordt via - goedkopere - orderlijnen geen beleg--gingsadvies gegeven en is de mate waarop een beleggingsinstelling zich in de financiële ach-ter-grond en beleggingsdoelstellingen van de klant verdiept, beperkt.
Een en ander neemt niet weg dat het in artikel 28 lid 1 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 vastgelegde know-your-customer beginsel ook geldt voor vereenvou-digde sys-temen voor het opgeven van effectenorders zoals orderlijnen en internetsystemen.
De toelichting op artikel 28 lid 1 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer zegt onder meer dat wanneer een effecteninstelling zich bij haar dienstverlening bijvoorbeeld beperkt tot het doorge-ven of uitvoeren van door de cliënt uitdrukkelijk op eigen initiatief gegeven effectenorders, de effec-teninstelling zich met betrekking tot de financiële positie kan beperken tot het zich ervan verge-wis-sen dat de cliënt over voldoende middelen beschikt om de verplichtingen na te komen die uit de trans-actie voortvloeien en is de beleggingsdoelstelling niet dan wel minder relevant.

De Commissie is van oordeel dat de wijze waarop de effecteninstelling zich bij het gebruik van order-lijnen en internetsystemen met betrekking tot de financiële positie van de cliënt dient te oriënteren, ten minste moet omvatten een - desgewenst schriftelijk - verzoek tot het geven van inlichtingen over de inkomens- en vermogenspositie van de cliënt en diens beleggingsdoelstellingen. Verweerder had met name navraag moeten doen naar eventuele schulden van klaagster elders.
Nu verweerder niet heeft aangetoond zich op enigerlei wijze van de vermogenspositie van klaagster op de hoogte te hebben gesteld, is hij in beginsel aansprakelijk voor de door klaagster geleden ver-liezen, die hadden kunnen worden vermeden indien de belegginginstelling beter van de financiële ach-tergrond van de cliënt op de hoogte zou zijn geweest.
In een geval als het onderhavige had ver-weer-der klaagster als cliënt bij de orderlijn moeten weigeren, althans het door haar te lopen risico moeten beperken.
Omdat klaagster echter zelf op eigen initiatief orders aan de orderlijn van verweerder doorgaf en boven-dien een cliënten- en een kredietovereenkomst heeft ondertekend, waarin zij heeft verklaard bewust te zijn van de risico’s die beleggen met zich brengen, is de Commissie van oordeel dat klaag-ster medeschuldig is aan het ontstaan van de geleden verliezen. De schuld van klaagster en die van verweerder tegen elkaar afwegend, bepaalt de Commissie dat verweerder aan klaagster dient te vergoeden 50% van het door klaagster onbetwist gestelde verlies ad € 67.594, zijnde
€ 33.797. Dit be-drag moet worden verhoogd met rente gelijk aan wettelijke rente vanaf 2 augustus 2001.

UITSPRAAK

De Commissie stelt het bindend advies vast dat verweerder aan klaagster dient te vergoeden een bedrag van € 33.797 te verhogen met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2001 tot aan de dag van algehele voldoening.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

elisabeth

Re: Interessante DSI uitspraak nr. 58 d.d. 7-4-2003!

Ongelezen bericht door elisabeth »

Dank je wel, voor dit bericht.
Het bewijst maar weer eens dat we met al die verschillende uitspraken van de verschillende rechters van de regen in de drup terecht zullen gaan komen. Ik herken in dit verhaal wel stukjes van mijn situatie.
Toch is de mijne natuurlijk ook weer anders. Moeten het nou uitgerekend rechters zijn, die zich in de situaties gaan verdiepen? Wat duur!!!! En ook al die poespas eromheen, met die toga's en overleggen.
Het kan toch veel efficienter aangepakt worden???

Gast

Re: Interessante DSI uitspraak nr. 58 d.d. 7-4-2003!

Ongelezen bericht door Gast »

Zijn dat rechters dan bij de DSI, dagt ut niet.

elisabeth

Re: Interessante DSI uitspraak nr. 58 d.d. 7-4-2003!

Ongelezen bericht door elisabeth »

O, nee, ik zie het. Maar toch, zo ingewikkeld, al die verschillende instanties. En rechters hebben straks, met die 150 gedaagden, ook weer een andere mening en de rechters van de proefprocessen voor de commissie "Zalm", (even voor het gemak), natuurlijk ook weer.

Captain-America
Berichten: 861
Lid geworden op: 02 jul 2003 20:10

Re: Interessante DSI uitspraak nr. 58 d.d. 7-4-2003!

Ongelezen bericht door Captain-America »

Toch zijn uitspraken van de DSI bindend.

M.a.w. je hebt er dus toch wel, in sommige gevallen wat aan he.

Gesloten