Brief van Minister aan 2e Kamer over Commissie
Geplaatst: 02 sep 2003 12:58
Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag
Datum Uw brief (Kenmerk) Ons kenmerk
FM 2003-1222 M
Onderwerp
Installatie Commissie Geschillen Aandelenlease
Bij brief van 25 juni 2003 is toegezegd uw Kamer op de hoogte te zullen stellen van het instellen, de samenstelling en de opdracht van de Commissie Geschillen Aandelenlease, bericht ik u als volgt. Met deze brief wordt tevens voldaan aan het verzoek van de vaste commissie voor Financiën van woensdag 27 augustus jl. om uw Kamer op de kortst mogelijke termijn uitgebreid te informeren over de genomen stappen sinds de algemeen overleggen over de aandelenleaseproblematiek die zijn gevoerd in de maand juni 2003.
Samenstelling en status
De Commissie Geschillen Aandelenlease heeft de volgende samenstelling:
mr.dr. M. Oosting, lid van de Raad van State en oud-Nationale ombudsman, voorzitter;
prof. mr. C.E. du Perron, hoogleraar privaatrecht aan de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam;
mr. W. Sorgdrager, voorzitter van de Raad voor Cultuur, oud-minister van Justitie.
Secretaris van de commissie is drs. F.A. Schilthuis.
Woensdag 3 september a.s. om 12.00 uur zullen de leden van de commissie worden ontvangen voor een korte installatiebijeenkomst.
De commissie zal haar taak vervullen als een comité van goede diensten, en volledig onafhankelijk zijn bij het uitvoeren van haar opdracht. Zij zal geen formele status en geen bevoegdheden hebben. Waar nodig zal het Ministerie van Financiën de commissie logistieke en administratieve ondersteuning bieden.
Opdracht
Met het instellen van de commissie beoogt de overheid om aanbieders en afnemers van aandelenleaseproducten een "aanvullende infrastructuur" te bieden. De overheid vraagt de commissie te bemiddelen tussen aanbieders en afnemers en aldus te bevorderen dat partijen onderling op een efficiënte wijze tot een oplossing komen voor de openstaande geschillen die voortvloeien uit de verkoop van aandelenleaseproducten in de jaren 1995 tot en met 2002.
Voor betrokken partijen is duidelijkheid, op zo korte mogelijke termijn, een belangrijk streven. Het is daarom van belang dat de openstaande conflicten zo min mogelijk op langdurige juridische procedures uitlopen. Afnemers beleven alleen al door het negatieve resultaat van de aandelenleaseproducten aanzienlijke financiële nadelen, maar daaruit voortvloeiend ook persoonlijke problemen. Aanbieders ondervinden aanzienlijke schade in de bedrijfsvoering ten gevolge van de aandelenleaseproblematiek, bijvoorbeeld omdat er financiële onzekerheid bestaat over de vorderingen die hun onderneming heeft in verband met verkoop van aandelenleaseproducten.
Zoals in de brief aan uw Kamer van 25 juni jl. is aangegeven, is het ten principale aan de private partijen (aanbieders en afnemers) zelf om de geschillen die tussen hen bestaan op te lossen. De overheid heeft geen specifieke formele positie in deze individuele geschillen. De overheid moet wel zorgen voor (i) goede regelgeving (ii) goed toezicht op de naleving van deze regelgeving en (iii) een onafhankelijke en een kwalitatief hoogwaardige rechtsgang zodat partijen, als zij menen dat hun rechten zijn geschonden, de rechter kunnen vragen om de wederpartij te dwingen de op hem rustende wettelijke en contractuele verplichtingen na te komen of de rechter om een schadevergoeding kunnen vragen. In evengenoemde brief en tijdens het Algemeen Overleg van 18 juni jl. is aangegeven dat de overheid in deze drie punten heeft voorzien. Daarbij werd opgemerkt dat de overheid desondanks vanwege de omvang van het aantal geschillen met het aanbieden van deze aanvullende infrastructuur een bijdrage wil leveren aan de totstandkoming van een efficiënte oplossing voor die geschillen.
De Kamer heeft destijds gevraagd of een bestaand aanbod van een aanbieder als minimumregeling moet gelden bij het zoeken naar een oplossing voor de openstaande geschillen. De mogelijkheid om een beroep te doen op een soepeler betalingsregeling of een hardheidsclausule zou een onderdeel kunnen zijn van een oplossing. Indien de commissie daarvoor reden zou zien, zal zij daartoe de bestaande betalingsregelingen of hardheidsclausules kunnen bekijken. De commissie zal niet verplicht zijn een bestaande regeling als minimum- of maximumregeling te beschouwen.
De commissie zal voor betrokkenen duidelijkheid creëren over het proces dat door haar in gang wordt gezet. Voor een efficiënt verloop van dit proces dient betrokkenen inzicht te worden geboden in onder meer het doel en de planning van het proces, de werkwijze van de commissie, de stand van zaken en de wijze waarop betrokkenen kunnen participeren in het proces. Met het oog hierop wordt op woensdag 3 september a.s. een website geopend (www.commissiegeschillenaandelenlease.nl) waarop informatie beschikbaar komt.
De commissie zal geen zelfstandig inhoudelijk waardeoordeel geven over de twistpunten tussen aanbieders en afnemers, noch zal ze een van beide partijen rechtsbindend in het gelijk kunnen stellen of een schadevergoeding kunnen toekennen. Een rechtsbindend oordeel over de rechtmatigheid van de handelswijze en de ingenomen standpunten in een tussen twee private partijen bestaande verhouding is voorbehouden aan de burgerlijke rechter dan wel de klachtencommissie en de commissie van beroep van het Dutch Securities Instituut (DSI). De commissie zal, als commissie van goede diensten, door bemiddelend op te treden hopelijk wel kunnen bijdragen aan het waar mogelijk tot elkaar komen van (belangenorganisaties van) afnemers en aanbieders ter finale afdoening van de aandelenleasezaken. De commissie zal bij haar werkzaamheden in het bijzonder rekening houden met dit najaar van de klachtencommissie van het DSI te verwachten uitspraken in aandelenleaseconflicten, en nog eventuele vonnissen van de burgerlijke rechter.
Het behoort - ten overvloede - niet tot de taakopdracht van de commissie om een brede analyse te maken van de oorzaken, omvang en de gevolgen van de aandelenleaseproblematiek. Een algemene analyse van de handelspraktijken van aanbieders van aandelenleaseproducten is al verricht door de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Meer specifiek is AFM nu in een formeel traject met aanbieders van aandelenleaseproducten in het licht van mogelijke overtredingen van de effectenregelgeving. Indien er sancties uit voortkomen kan de AFM, met inachtneming van de geldende geheimhoudingsbepalingen, openheid geven over het opleggen van deze sancties. De AFM heeft mij laten weten dat zij de eerstkomende maanden dit traject hoopt af te ronden. Daarbij zal de AFM rekening moeten houden met de mate waarin betrokkenen hun procedurele rechten laten gelden. De AFM zal binnen de grenzen van de wet de wenselijkheid en mogelijkheden van openbaarheid zeer serieus afwegen. Het hoeft geen betoog dat uitspraken van de AFM in deze voor alle betrokkenen van zeer groot belang zijn. Gegeven de strenge wettelijke eisen die aan de geheimhouding van toezichtinformatie worden gesteld, worden hier uiteraard alle zorgvuldigheidsvereisten in acht genomen. De Commissie zal de uitkomsten van het werk van de AFM, voorzover deze openbaar zijn, in haar werk kunnen betrekken als zij daarvoor reden ziet.
Werkwijze
Het is aan de commissie om haar werkwijze te bepalen. Het volgende model zou door de commissie in overweging kunnen worden genomen. Het proces zou kunnen worden opgedeeld in twee fasen. In de eerste fase zal de commissie kunnen praten met aanbieders en (vertegenwoordigers van) afnemers om te toetsen of er voldoende draagvlak bestaat of te verkrijgen is voor medewerking aan het vervolg van het werk van de commissie, en met name voor mogelijke oplossingsrichtingen. Aan het eind van deze eerste fase zal de commissie aan mij kunnen rapporteren welke oplossingsrichtingen zijn onderzocht en of ze meent dat het vereiste draagvlak voor een vruchtbare voortzetting van haar werk (inmiddels) aanwezig is. U zult vervolgens worden geïnformeerd over de conclusies van de commissie uit deze eerste fase. Indien de commissie tot het oordeel komt dat er geen of onvoldoende draagvlak bestaat bij betrokkenen, dan zal zij haar werkzaamheden definitief moeten staken. Zonder het commitment van zowel aanbieders als afnemers is het immers niet zinvol om welke oplossingsrichting dan ook verder uit te werken.
Wanneer de commissie kiest voor deze aanpak zal ze in het begin van november kunnen rapporteren over het resultaat van de eerste fase en zal het op dat moment duidelijk worden of het zinvol is door te gaan met de tweede fase.
Mocht worden overgegaan tot de tweede fase, dan zal de commissie de aanpak daarvan nader moeten uitwerken. Zoals bericht in de brief van 25 juni jl. zou de commissie, in afstemming met betrokkenen, kunnen proberen de voorbeelduitspraken die de klachtencommissie van het DSI zo snel mogelijk het komende najaar zal doen te "vertalen" naar een regeling die door partijen gebruikt kan worden om overeenstemming te bereiken over de openstaande geschillen en deze definitief te beëindigen. De reikwijdte van een dergelijke regeling zou, wil zij effectief zijn, zo mogelijk zo breed moeten zijn dat zij alle (categorieën van) aandelenleasezaken omvat, en de regeling zou in zoveel mogelijk individuele gevallen toepasbaar moeten zijn. Deze tweede fase zal naar mijn idee maximaal 6 maanden in beslag moeten nemen, waardoor de commissie haar eindrapport voor 1 mei 2004 aan mij zal kunnen uitbrengen.
Verantwoordelijkheid aanbieders en afnemers
Welke oplossingsrichting ook wordt gekozen, de commissie zal alleen succesvol kunnen werken indien betrokken partijen bereid zijn vrijwillig hun medewerking te verlenen aan het door de commissie in te zetten proces. Gegeven de omvang van de problematiek en het belang van zowel aanbieders als afnemers om tot een verantwoorde oplossing te komen voor de aandelenlease-problematiek hoopt de overheid er op te kunnen rekenen dat alle betrokkenen constructief meewerken aan het bereiken van een oplossing en dat zij bereid zijn de door de commissie gepresenteerde oplossingsrichting verder te verkennen. Dit neemt niet weg dat partijen legitieme redenen kunnen hebben om op enig moment hun eigen weg te gaan. Het betreft immers vele afzonderlijke gevallen waarin betrokkenen keuzes moeten maken die (potentieel) grote financiële gevolgen hebben. Persoonlijke inschattingen van de kans en perspectieven op succes van de verschillende alternatieven zullen daarbij een rol spelen.
Verwachtingen ten aanzien van het proces
Voor de duidelijkheid moet hier gezegd worden dat de werkzaamheden van de commissie geen "schorsende werking" kunnen hebben en dat de juridische procedures die reeds zijn ingezet, ook de incassoprocedures, niet door de commissie zullen kunnen worden stopgezet. De commissie bemiddelt tussen private partijen en is zelf geen partij in het geschil. De commissie treedt niet in de rechten van aanbieders of afnemers en is niet bevoegd het gedrag van partijen dwingend te sturen. Eerder is reeds vermeld dat de commissie, als commissie van goede diensten, geen recht kan spreken, noch een schadevergoeding kan toekennen. De commissie is ook niet bevoegd om te bepalen hoe moet worden omgegaan met de incasso van opeisbare vorderingen.
De commissie zal in geen geval individuele klachtbrieven van afnemers van aandelenleaseproducten in behandeling kunnen nemen of kunnen voldoen aan verzoeken tot het verlenen van individuele rechtshulp of het geven van individueel advies.
Tot slot moet worden opgemerkt dat iedereen die zijn hoop vestigt op de uitkomst van het CGA-proces rekening moet houden met de mogelijkheid dat uit de rapportages van de commissie zal blijken dat partijen niet nader tot elkaar zijn gekomen en dat de openstaande conflicten, ondanks alle inspanningen van de commissie, niet tot een einde zullen kunnen komen op basis van haar werk. Indien dit zo is, dan zal moeten worden geconcludeerd dat de overheid niets kan doen voor betrokkenen en resteert, waar nodig en zinvol, de reguliere gang naar de burgerlijke rechter of de klachtencommissie van DSI. Maar ook indien het CGA-proces eindigt in een regeling als doorvertaling van de voorbeelduitspraken van DSI, dan zal het antwoord op de vraag of iemand in aanmerking komt voor gehele of gedeeltelijke schadevergoeding ervan afhangen of voldoende aannemelijk is dat indien de zaak van deze persoon voor de rechter of de klachtencommissie zou worden gebracht hij of zij of gedeeltelijk in het gelijk zal worden gesteld of geheel in het ongelijk zal worden gesteld.
De minister van Financiën,
der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag
Datum Uw brief (Kenmerk) Ons kenmerk
FM 2003-1222 M
Onderwerp
Installatie Commissie Geschillen Aandelenlease
Bij brief van 25 juni 2003 is toegezegd uw Kamer op de hoogte te zullen stellen van het instellen, de samenstelling en de opdracht van de Commissie Geschillen Aandelenlease, bericht ik u als volgt. Met deze brief wordt tevens voldaan aan het verzoek van de vaste commissie voor Financiën van woensdag 27 augustus jl. om uw Kamer op de kortst mogelijke termijn uitgebreid te informeren over de genomen stappen sinds de algemeen overleggen over de aandelenleaseproblematiek die zijn gevoerd in de maand juni 2003.
Samenstelling en status
De Commissie Geschillen Aandelenlease heeft de volgende samenstelling:
mr.dr. M. Oosting, lid van de Raad van State en oud-Nationale ombudsman, voorzitter;
prof. mr. C.E. du Perron, hoogleraar privaatrecht aan de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam;
mr. W. Sorgdrager, voorzitter van de Raad voor Cultuur, oud-minister van Justitie.
Secretaris van de commissie is drs. F.A. Schilthuis.
Woensdag 3 september a.s. om 12.00 uur zullen de leden van de commissie worden ontvangen voor een korte installatiebijeenkomst.
De commissie zal haar taak vervullen als een comité van goede diensten, en volledig onafhankelijk zijn bij het uitvoeren van haar opdracht. Zij zal geen formele status en geen bevoegdheden hebben. Waar nodig zal het Ministerie van Financiën de commissie logistieke en administratieve ondersteuning bieden.
Opdracht
Met het instellen van de commissie beoogt de overheid om aanbieders en afnemers van aandelenleaseproducten een "aanvullende infrastructuur" te bieden. De overheid vraagt de commissie te bemiddelen tussen aanbieders en afnemers en aldus te bevorderen dat partijen onderling op een efficiënte wijze tot een oplossing komen voor de openstaande geschillen die voortvloeien uit de verkoop van aandelenleaseproducten in de jaren 1995 tot en met 2002.
Voor betrokken partijen is duidelijkheid, op zo korte mogelijke termijn, een belangrijk streven. Het is daarom van belang dat de openstaande conflicten zo min mogelijk op langdurige juridische procedures uitlopen. Afnemers beleven alleen al door het negatieve resultaat van de aandelenleaseproducten aanzienlijke financiële nadelen, maar daaruit voortvloeiend ook persoonlijke problemen. Aanbieders ondervinden aanzienlijke schade in de bedrijfsvoering ten gevolge van de aandelenleaseproblematiek, bijvoorbeeld omdat er financiële onzekerheid bestaat over de vorderingen die hun onderneming heeft in verband met verkoop van aandelenleaseproducten.
Zoals in de brief aan uw Kamer van 25 juni jl. is aangegeven, is het ten principale aan de private partijen (aanbieders en afnemers) zelf om de geschillen die tussen hen bestaan op te lossen. De overheid heeft geen specifieke formele positie in deze individuele geschillen. De overheid moet wel zorgen voor (i) goede regelgeving (ii) goed toezicht op de naleving van deze regelgeving en (iii) een onafhankelijke en een kwalitatief hoogwaardige rechtsgang zodat partijen, als zij menen dat hun rechten zijn geschonden, de rechter kunnen vragen om de wederpartij te dwingen de op hem rustende wettelijke en contractuele verplichtingen na te komen of de rechter om een schadevergoeding kunnen vragen. In evengenoemde brief en tijdens het Algemeen Overleg van 18 juni jl. is aangegeven dat de overheid in deze drie punten heeft voorzien. Daarbij werd opgemerkt dat de overheid desondanks vanwege de omvang van het aantal geschillen met het aanbieden van deze aanvullende infrastructuur een bijdrage wil leveren aan de totstandkoming van een efficiënte oplossing voor die geschillen.
De Kamer heeft destijds gevraagd of een bestaand aanbod van een aanbieder als minimumregeling moet gelden bij het zoeken naar een oplossing voor de openstaande geschillen. De mogelijkheid om een beroep te doen op een soepeler betalingsregeling of een hardheidsclausule zou een onderdeel kunnen zijn van een oplossing. Indien de commissie daarvoor reden zou zien, zal zij daartoe de bestaande betalingsregelingen of hardheidsclausules kunnen bekijken. De commissie zal niet verplicht zijn een bestaande regeling als minimum- of maximumregeling te beschouwen.
De commissie zal voor betrokkenen duidelijkheid creëren over het proces dat door haar in gang wordt gezet. Voor een efficiënt verloop van dit proces dient betrokkenen inzicht te worden geboden in onder meer het doel en de planning van het proces, de werkwijze van de commissie, de stand van zaken en de wijze waarop betrokkenen kunnen participeren in het proces. Met het oog hierop wordt op woensdag 3 september a.s. een website geopend (www.commissiegeschillenaandelenlease.nl) waarop informatie beschikbaar komt.
De commissie zal geen zelfstandig inhoudelijk waardeoordeel geven over de twistpunten tussen aanbieders en afnemers, noch zal ze een van beide partijen rechtsbindend in het gelijk kunnen stellen of een schadevergoeding kunnen toekennen. Een rechtsbindend oordeel over de rechtmatigheid van de handelswijze en de ingenomen standpunten in een tussen twee private partijen bestaande verhouding is voorbehouden aan de burgerlijke rechter dan wel de klachtencommissie en de commissie van beroep van het Dutch Securities Instituut (DSI). De commissie zal, als commissie van goede diensten, door bemiddelend op te treden hopelijk wel kunnen bijdragen aan het waar mogelijk tot elkaar komen van (belangenorganisaties van) afnemers en aanbieders ter finale afdoening van de aandelenleasezaken. De commissie zal bij haar werkzaamheden in het bijzonder rekening houden met dit najaar van de klachtencommissie van het DSI te verwachten uitspraken in aandelenleaseconflicten, en nog eventuele vonnissen van de burgerlijke rechter.
Het behoort - ten overvloede - niet tot de taakopdracht van de commissie om een brede analyse te maken van de oorzaken, omvang en de gevolgen van de aandelenleaseproblematiek. Een algemene analyse van de handelspraktijken van aanbieders van aandelenleaseproducten is al verricht door de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Meer specifiek is AFM nu in een formeel traject met aanbieders van aandelenleaseproducten in het licht van mogelijke overtredingen van de effectenregelgeving. Indien er sancties uit voortkomen kan de AFM, met inachtneming van de geldende geheimhoudingsbepalingen, openheid geven over het opleggen van deze sancties. De AFM heeft mij laten weten dat zij de eerstkomende maanden dit traject hoopt af te ronden. Daarbij zal de AFM rekening moeten houden met de mate waarin betrokkenen hun procedurele rechten laten gelden. De AFM zal binnen de grenzen van de wet de wenselijkheid en mogelijkheden van openbaarheid zeer serieus afwegen. Het hoeft geen betoog dat uitspraken van de AFM in deze voor alle betrokkenen van zeer groot belang zijn. Gegeven de strenge wettelijke eisen die aan de geheimhouding van toezichtinformatie worden gesteld, worden hier uiteraard alle zorgvuldigheidsvereisten in acht genomen. De Commissie zal de uitkomsten van het werk van de AFM, voorzover deze openbaar zijn, in haar werk kunnen betrekken als zij daarvoor reden ziet.
Werkwijze
Het is aan de commissie om haar werkwijze te bepalen. Het volgende model zou door de commissie in overweging kunnen worden genomen. Het proces zou kunnen worden opgedeeld in twee fasen. In de eerste fase zal de commissie kunnen praten met aanbieders en (vertegenwoordigers van) afnemers om te toetsen of er voldoende draagvlak bestaat of te verkrijgen is voor medewerking aan het vervolg van het werk van de commissie, en met name voor mogelijke oplossingsrichtingen. Aan het eind van deze eerste fase zal de commissie aan mij kunnen rapporteren welke oplossingsrichtingen zijn onderzocht en of ze meent dat het vereiste draagvlak voor een vruchtbare voortzetting van haar werk (inmiddels) aanwezig is. U zult vervolgens worden geïnformeerd over de conclusies van de commissie uit deze eerste fase. Indien de commissie tot het oordeel komt dat er geen of onvoldoende draagvlak bestaat bij betrokkenen, dan zal zij haar werkzaamheden definitief moeten staken. Zonder het commitment van zowel aanbieders als afnemers is het immers niet zinvol om welke oplossingsrichting dan ook verder uit te werken.
Wanneer de commissie kiest voor deze aanpak zal ze in het begin van november kunnen rapporteren over het resultaat van de eerste fase en zal het op dat moment duidelijk worden of het zinvol is door te gaan met de tweede fase.
Mocht worden overgegaan tot de tweede fase, dan zal de commissie de aanpak daarvan nader moeten uitwerken. Zoals bericht in de brief van 25 juni jl. zou de commissie, in afstemming met betrokkenen, kunnen proberen de voorbeelduitspraken die de klachtencommissie van het DSI zo snel mogelijk het komende najaar zal doen te "vertalen" naar een regeling die door partijen gebruikt kan worden om overeenstemming te bereiken over de openstaande geschillen en deze definitief te beëindigen. De reikwijdte van een dergelijke regeling zou, wil zij effectief zijn, zo mogelijk zo breed moeten zijn dat zij alle (categorieën van) aandelenleasezaken omvat, en de regeling zou in zoveel mogelijk individuele gevallen toepasbaar moeten zijn. Deze tweede fase zal naar mijn idee maximaal 6 maanden in beslag moeten nemen, waardoor de commissie haar eindrapport voor 1 mei 2004 aan mij zal kunnen uitbrengen.
Verantwoordelijkheid aanbieders en afnemers
Welke oplossingsrichting ook wordt gekozen, de commissie zal alleen succesvol kunnen werken indien betrokken partijen bereid zijn vrijwillig hun medewerking te verlenen aan het door de commissie in te zetten proces. Gegeven de omvang van de problematiek en het belang van zowel aanbieders als afnemers om tot een verantwoorde oplossing te komen voor de aandelenlease-problematiek hoopt de overheid er op te kunnen rekenen dat alle betrokkenen constructief meewerken aan het bereiken van een oplossing en dat zij bereid zijn de door de commissie gepresenteerde oplossingsrichting verder te verkennen. Dit neemt niet weg dat partijen legitieme redenen kunnen hebben om op enig moment hun eigen weg te gaan. Het betreft immers vele afzonderlijke gevallen waarin betrokkenen keuzes moeten maken die (potentieel) grote financiële gevolgen hebben. Persoonlijke inschattingen van de kans en perspectieven op succes van de verschillende alternatieven zullen daarbij een rol spelen.
Verwachtingen ten aanzien van het proces
Voor de duidelijkheid moet hier gezegd worden dat de werkzaamheden van de commissie geen "schorsende werking" kunnen hebben en dat de juridische procedures die reeds zijn ingezet, ook de incassoprocedures, niet door de commissie zullen kunnen worden stopgezet. De commissie bemiddelt tussen private partijen en is zelf geen partij in het geschil. De commissie treedt niet in de rechten van aanbieders of afnemers en is niet bevoegd het gedrag van partijen dwingend te sturen. Eerder is reeds vermeld dat de commissie, als commissie van goede diensten, geen recht kan spreken, noch een schadevergoeding kan toekennen. De commissie is ook niet bevoegd om te bepalen hoe moet worden omgegaan met de incasso van opeisbare vorderingen.
De commissie zal in geen geval individuele klachtbrieven van afnemers van aandelenleaseproducten in behandeling kunnen nemen of kunnen voldoen aan verzoeken tot het verlenen van individuele rechtshulp of het geven van individueel advies.
Tot slot moet worden opgemerkt dat iedereen die zijn hoop vestigt op de uitkomst van het CGA-proces rekening moet houden met de mogelijkheid dat uit de rapportages van de commissie zal blijken dat partijen niet nader tot elkaar zijn gekomen en dat de openstaande conflicten, ondanks alle inspanningen van de commissie, niet tot een einde zullen kunnen komen op basis van haar werk. Indien dit zo is, dan zal moeten worden geconcludeerd dat de overheid niets kan doen voor betrokkenen en resteert, waar nodig en zinvol, de reguliere gang naar de burgerlijke rechter of de klachtencommissie van DSI. Maar ook indien het CGA-proces eindigt in een regeling als doorvertaling van de voorbeelduitspraken van DSI, dan zal het antwoord op de vraag of iemand in aanmerking komt voor gehele of gedeeltelijke schadevergoeding ervan afhangen of voldoende aannemelijk is dat indien de zaak van deze persoon voor de rechter of de klachtencommissie zou worden gebracht hij of zij of gedeeltelijk in het gelijk zal worden gesteld of geheel in het ongelijk zal worden gesteld.
De minister van Financiën,