Het betaalde was in uw jurisprudentie nog niet terugbetaald. Er was betaald niet ondanks het incorrecte kenmerk, maar doordat de belastingdienst het betaalde onder zich hield, en de terugbetaling niet het gevolg was van een verzoek of opgave gedaan door belanghebbende (voor de naheffing).
31 januari 2006 betaling.
24 februari 2006 naheffing.
17 maart 2006 terugbetaling.
Misschien biedt het lezen van
het vonnis in eerste aanleg, en
het beroep waartegen cassatie werd ingesteld soelaas in de vraag of deze jurisprudentie raakvlakken heeft met het geval van TS.
Ik vond en vind alleen de aanname dat een foutief kenmerk gelijk staat aan niet betalen een incorrecte.
Het betreft hier een ontbrekend kenmerk, waarvan iig door mij enkel gesteld is dat dit dientengevolge
een betaling is, niet
de betaling, waarbij de verwerking van de betaling niet zozeer incorrect is, doch de betaling zelf. Nu TS zwijgt in alle talen valt niet te bezien of de schuldeiser risico heeft gelopen met terugbetaling, zoals reeds eerder gesteld kan de terugbetaling ingegeven zijn door 6:44 lid 3 BW. Mocht dit niet zo zijn heeft TS bewijs dat de betaling is verricht, komen de incassokosten te vervallen, en mag de schuldeiser de terugbetaling als overschuldigde betaling terugvorderen als terugterugbetaling.
Maar dat is alles speculatie.