jurisprudentie? voer voor ons enigszins juridisch onderlegde
Geplaatst: 05 mei 2003 12:39
Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2001-142
Instantie: HR 4 mei 2001, AB1427, C99/090HR
Onderwerp: Toestemming echtgenoot, zich sterk maken voor ander, ,
Artikelen: Art. 1:88 lid 1 sub c (oud) BW, 1:89 (oud) BW
Casus: In 1990 verstrekt de ABM AMRO Bank (de Bank) aan D.P. Advertising B.V. (DPA) een krediet in rekening courant van ƒ250.000,-. Dit krediet wordt op verzoek van DPA verhoogd tot ƒ425.000,-. Verweerder in cassatie (verweerder 1) tekent hiertoe een schriftelijke verklaring met de clausule: “dat hij voor 1 oktober 1990 een zodanig bedrag, als aandelenkapitaal ten behoeve van D.P. Advertising B.V. te ‘s-Gravenhage zal (laten) storten, dat het eigen vermogen minimaal ƒ100.000,- positief wordt, zodat het krediet per die datum tot ƒ250.000,- verlaagd kan worden.” Verweerder was ten tijde van ondertekening gehuwd met verweerster 2, die bij brief van 18 december 1991 op de voet van art. 1:88 lid 1 sub c juncto 1:89 (oud) BW de nietigheid van de door verweerder 1 afgelegde verklaring heeft ingeroepen. In eerste aanleg vordert de Bank verweerder 1 te veroordelen om een bedrag van ƒ1.000.761,- als aandelenkapitaal ten behoeve van DPA te storten, dan wel dit bedrag aan de Bank te betalen of haar schade te vergoeden. Bij eindvonnis van 21 februari 1996 wijst de Rechtbank de vorderingen af. Volgens de Rechtbank kon verweerster 2 zich op de nietigheid beroepen. In hoger beroep verwerpt het Hof de grieven van de Bank. Volgens het Hof is er sprake van “een zich sterk maken voor een ander” zoals genoemd in artikel 1:88 lid 1 sub c.
Rechtsvraag: In deze zaak staat de vraag centraal wanneer er sprake is van een “zich sterk maken voor een derde” in de zin van artikel 1:88 lid 1, aanhef en onder c BW.
Beslissing: De Hoge Raad stelt dat volgens artikel 1:88, lid 1 aanhef en onder c, (oud) BW een echtgenoot toestemming behoeft van de andere echtgenoot voor overeenkomsten waarbij hij zich, anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf, als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsteling voor de schuld van een derde verbindt. De bepaling strekt tot bescherming van de andere echtgenoot (HR 19 november 1993, nr. 15113, NJ 1994, 259) (r.o. 3.4.2). De Hoge Raad stelt vervolgens vast dat het Hof er kennelijk en niet onbegrijpelijk van uit is gegaan dat verweerder 1 zich in de onderhavige verklaring sterk maakt dat DPA het aandelenkapitaal zodanig zal verhogen, dat het eigen vermogen de overeengekomen omvang bereikt, hetgeen verweerder 1 zal bewerkstelligen doordat een derde of hijzelf ervoor zal zorgen dat de daartoe noodzakelijke middelen beschikbaar zijn. Tegen de achtergrond van hetgeen onder 3.4.2 is vermeld en gelet op de vaststelling dat verweerder 1 in mei 1990 geen aandeelhouder van DPA was, geeft het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het Hof dat de betreffende rechtshandeling van verweerder 1 onder de werking van artikel 1:88 lid 1, aanhef en onder c, (oud) BW viel, berust op de vaststelling van de inhoud van deze rechtshandeling. Dit oordeel kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering (r.o. 3.4.3).
Instantie: HR 4 mei 2001, AB1427, C99/090HR
Onderwerp: Toestemming echtgenoot, zich sterk maken voor ander, ,
Artikelen: Art. 1:88 lid 1 sub c (oud) BW, 1:89 (oud) BW
Casus: In 1990 verstrekt de ABM AMRO Bank (de Bank) aan D.P. Advertising B.V. (DPA) een krediet in rekening courant van ƒ250.000,-. Dit krediet wordt op verzoek van DPA verhoogd tot ƒ425.000,-. Verweerder in cassatie (verweerder 1) tekent hiertoe een schriftelijke verklaring met de clausule: “dat hij voor 1 oktober 1990 een zodanig bedrag, als aandelenkapitaal ten behoeve van D.P. Advertising B.V. te ‘s-Gravenhage zal (laten) storten, dat het eigen vermogen minimaal ƒ100.000,- positief wordt, zodat het krediet per die datum tot ƒ250.000,- verlaagd kan worden.” Verweerder was ten tijde van ondertekening gehuwd met verweerster 2, die bij brief van 18 december 1991 op de voet van art. 1:88 lid 1 sub c juncto 1:89 (oud) BW de nietigheid van de door verweerder 1 afgelegde verklaring heeft ingeroepen. In eerste aanleg vordert de Bank verweerder 1 te veroordelen om een bedrag van ƒ1.000.761,- als aandelenkapitaal ten behoeve van DPA te storten, dan wel dit bedrag aan de Bank te betalen of haar schade te vergoeden. Bij eindvonnis van 21 februari 1996 wijst de Rechtbank de vorderingen af. Volgens de Rechtbank kon verweerster 2 zich op de nietigheid beroepen. In hoger beroep verwerpt het Hof de grieven van de Bank. Volgens het Hof is er sprake van “een zich sterk maken voor een ander” zoals genoemd in artikel 1:88 lid 1 sub c.
Rechtsvraag: In deze zaak staat de vraag centraal wanneer er sprake is van een “zich sterk maken voor een derde” in de zin van artikel 1:88 lid 1, aanhef en onder c BW.
Beslissing: De Hoge Raad stelt dat volgens artikel 1:88, lid 1 aanhef en onder c, (oud) BW een echtgenoot toestemming behoeft van de andere echtgenoot voor overeenkomsten waarbij hij zich, anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf, als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsteling voor de schuld van een derde verbindt. De bepaling strekt tot bescherming van de andere echtgenoot (HR 19 november 1993, nr. 15113, NJ 1994, 259) (r.o. 3.4.2). De Hoge Raad stelt vervolgens vast dat het Hof er kennelijk en niet onbegrijpelijk van uit is gegaan dat verweerder 1 zich in de onderhavige verklaring sterk maakt dat DPA het aandelenkapitaal zodanig zal verhogen, dat het eigen vermogen de overeengekomen omvang bereikt, hetgeen verweerder 1 zal bewerkstelligen doordat een derde of hijzelf ervoor zal zorgen dat de daartoe noodzakelijke middelen beschikbaar zijn. Tegen de achtergrond van hetgeen onder 3.4.2 is vermeld en gelet op de vaststelling dat verweerder 1 in mei 1990 geen aandeelhouder van DPA was, geeft het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het Hof dat de betreffende rechtshandeling van verweerder 1 onder de werking van artikel 1:88 lid 1, aanhef en onder c, (oud) BW viel, berust op de vaststelling van de inhoud van deze rechtshandeling. Dit oordeel kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering (r.o. 3.4.3).