Antwoord Zalm en Donner op kamervragen Agnes Kant
Geplaatst: 31 mei 2005 14:44
De voorzitter van deTweede Kamer der Staten-Generaal
Plein 2 2511 CR DEN HAAG
Datum Uw brief (Kenmerk) Ons kenmerk
2040514500,10 mei 2005 FM 2005-01158 U
Onderwerp
Vragen van het lid Kant over de aandelenlease procedures
Hierbij zend ik u, mede namens de Minister van Justitie, de antwoorden op de vragen van het lid Kant van 6 mei 2005 (2040514500).
De minister van Financiën,
G. Zalm
Bijlage bij FM 2005-01158 U (Vragen van het lid Kant over de aandelenlease procedures)
1. Deelt u de mening dat de bemiddeling van de heer Duisenberg in de aandelenlease procedures geslaagd is?
De bij de bemiddeling betrokken partijen, te weten Dexia enerzijds en de Stichtingen Leaseverlies, Eegalease en de Consumentenbond, ondersteund door de Vereniging van Effectenbezitters anderzijds, zagen in de heer dr. W.F. Duisenberg een vertrouwenwekkend bemiddelaar. Op hun verzoek heeft de heer Duisenberg zich vervolgens bereid verklaard om te zoeken naar een oplossing in het conflict waarin zij waren verwikkeld in verband met de verkoop van aandelenleaseproducten. De heer Duisenberg heeft heen een weer gependeld tussen partijen om te verkennen welke oplossingsrichting het meest kansrijk zou zijn. Uit deze verkenning werd hem duidelijk dat partijen niet alleen zochten naar een oplossing die voor hen beide acceptabel zou zijn, maar naar een oplossing die voor een veel grotere groep van afnemers een aanvaardbare uitkomst van de geschillen met Dexia zou kunnen betekenen.
Het is de heer Duisenberg gelukt partijen tot overeenstemming te brengen over een algemene regeling waarmee zij denken zowel de eigen achterban, als een meerderheid van afnemers die zijn aangesloten bij een andere belangenorganisatie of individueel ageren tegen Dexia, te kunnen overtuigen. De heer Duisenberg heeft zijn opdracht dus tot een goed einde gebracht. Of het bereikte resultaat genoemde afnemers daadwerkelijk zal doen besluiten om tot een vergelijk met Dexia te komen, zal deze zomer blijken.
2. Is dit het einde van de bemiddelingspoging van de heer Duisenberg? Zo ja, waarom is het overleg niet verbreed nadat een initiële overeenstemming is bereikt, zoals toegezegd in het laatste algemeen overleg[1]?
De heer Duisenberg heeft laten weten niet van plan te zijn te bemiddelen in conflicten die andere aanbieders van aandelenleaseproducten hebben met hun klanten. Hij hoopt wel dat het bereikte bemiddelingsresultaat deze andere aanbieders zal inspireren tot een soortgelijk vergelijk met hun afnemers.
Zoals gezegd is het de heer Duisenberg gelukt partijen tot overeenstemming te brengen over een algemene regeling waarmee de bij de bemiddeling betrokken partijen denken zowel de eigen achterban, als een meerderheid van afnemers die zijn aangesloten bij een andere belangenorganisatie of individueel ageren tegen Dexia, te kunnen overtuigen. Kennelijk hebben deze partijen, onder begeleiding van de heer Duisenberg, de inschatting gemaakt dat het, voor het realiseren van een algemene oplossing waarvoor een breed draagvlak zal kunnen ontstaan, beter zou zijn om het aantal gesprekspartners bij de onderhandelingen beperkt te laten zijn en bij het bereiken van een akkoord de energie vervolgens te steken in het overtuigen van hen die niet (direct) betrokken waren bij de gesprekken.
Tijdens het Algemeen Overleg op 19 april 2005 is over deze mogelijke handelswijze gesproken. Daarbij is ook aan de orde geweest dat de heer Duisenberg – in tegenstelling tot de Commissie Geschillen Aandelenlease – niet door de overheid is aangesteld en dus geen taakopdracht of tijdslimiet heeft meegekregen van overheidswege, maar dat hij zich volledig had te richten naar de aanwijzingen die hij kreeg van de bij de bemiddeling betrokken partijen. Zoals gezegd heb ik het gevoelen overgebracht dat het van groot belang was te streven naar een breed draagvlak.
3. Vindt u dat de breed gedragen oplossing waarnaar is gezocht, ook is gevonden? Zo ja, waarom?
4. Is het waar dat particulieren, tegen wie Dexia een proces heeft aangespannen, niet in aanmerking komen voor de schikking, als door hen niet alsnog achterstallige betalingen worden voldaan? Zo ja, wat is uw mening hierover en erkent u dat er dan niet gesproken kan worden over een breed gedragen oplossing?
De heer Duisenberg heeft een algemene regeling met een breed bereik gepresenteerd, dat wil zeggen een oplossing die voor een zeer grote groep van afnemers die nog steeds in conflict is met Dexia relevant is. De regeling heeft zowel betrekking op overeenkomsten die zijn beëindigd vanaf januari 1997, als op lopende overeenkomsten. Bovendien heeft de regeling ook betrekking op de Eegaleaseproblematiek, op afnemers van producten die niet kunnen eindigen met een restschuld en die bij vroegtijdige beëindiging van het contract wel met een restschuld worden geconfronteerd, en op mensen die eerder akkoord zijn gegaan met een Dexia-aanbod. Een beperkte groep afnemers die zogenaamde depotleasecontracten zijn aangegaan, dat wil zeggen een productcombinatie van een effectenlease-overeenkomst en een effectendepot zal echter, vanwege de bijzondere problematiek, buiten de algemene regeling vallen. Dexia heeft deze groep eerder een aparte regeling voorgesteld. Bovendien is de reikwijdte van de algemene regeling niet beperkt tot de achterban van de Stichtingen Leaseverlies, Eegalease en de Consumentenbond, ondersteund door de Vereniging van Effectenbezitters, maar geldt de regeling ook voor afnemers die zijn aangesloten bij een andere belangenorganisatie of afnemers die individueel opkomen voor hun belangen.
Dat aan deelname aan de regeling de voorwaarde is gesteld, dat de contractuele verplichtingen moeten zijn nagekomen en dus de maandtermijnen moeten zijn betaald, doet hier niet aan af. De regeling biedt afnemers immers een korting op de restschuld en heeft geen betrekking op de maandtermijnen. Dit behoudens de situatie dat een afnemer de maandtermijnen niet meer kan betalen. Een afnemer die in deze situatie verkeert kan mogelijk in aanmerking komen voor een behandeling volgens de (verruimde) coulanceregeling. De vraag of de door de bij de bemiddeling betrokken partijen ook breed gedragen oplossing hebben gepresenteerd zal pas later dit jaar kunnen worden beantwoord, namelijk wanneer duidelijk wordt hoeveel afnemers daadwerkelijk hebben besloten om het schikkingaanbod te accepteren.
5. Is het u bekend dat er procespartijen zijn die hebben laten weten niet akkoord te willen gaan met de aanhouding daarop nog geen reactie hebben gekregen? Zo ja, deelt u de mening dat het niet of laat reageren door rechtbanken de facto het zelfde is als eenzijdige aanhouding? Zo neen, kunt u de Kamer hierover informeren?
Nee, daarover is ons niets bekend. Desgevraagd heeft de Raad voor de rechtspraak het volgende meegedeeld. Eind maart 2005 is in overleg met de besturen van de landelijke overleggen van de kantonsectorvoorzitters en de sectorvoorzitters civiel een brief ontworpen die door de griffies van de rechtbanken naar de wederpartijen van Dexia kan worden gestuurd. Vanuit de landelijke overleggen is gestimuleerd om deze brief te gebruiken. Door middel van de bij de brief meegestuurde antwoordstrook kunnen de wederpartijen van Dexia op eenvoudige wijze binnen een bepaalde termijn reageren op het aanhoudingsverzoek van Dexia. Als de rechtbank binnen die termijn geen bericht heeft ontvangen, wordt aangenomen dat er geen bezwaar bestaat tegen de aanhouding. Indien met aanhouding wordt ingestemd betekent dit dat de procedure tot een bepaalde rolzitting zal worden aangehouden.
Indien niet met de aanhouding wordt ingestemd, wordt op de gebruikelijke wijze doorgeprocedeerd.
In Amsterdam wordt een afwijkende werkwijze gevolgd. Daarop wordt in het antwoord op vraag 6 ingegaan.
Het is niet aannemelijk dat - behalve wellicht in incidentele gevallen - geen gevolg wordt gegeven aan de door de wederpartijen van Dexia ingestuurde antwoordstroken of - indien door de rechtbank geen gebruik wordt gemaakt van de brief - aan de reacties van de wederpartijen in welke vorm dan ook.
6. Op basis van welke wettelijke regeling kunnen rechters een zaak eenzijdig aanhouden op verzoek van één procespartij? Hoe verhoudt dit zich tot de beslissing van de rechtbank Amsterdam, sectie kanton?
Artikel 133 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat de rechter de termijnen voor het nemen van de conclusies bepaalt (eerste lid) en dat partijen uitstel kunnen vragen voor het nemen van conclusies (tweede lid, eerste zin). Een uitstelverzoek kan (en zal veelal) gedaan worden door één partij. Artikel 133, tweede lid, eerste zin, impliceert dat de rechter bevoegd is ook een eenzijdig verzoek om uitstel te honoreren. Slechts in het geval van een eenstemmig verzoek van beide partijen is de rechter in beginsel verplicht uitstel toe te staan (tweede lid, tweede zin). Omgekeerd is het niet zo dat de rechter gehouden is een eenzijdig verzoek om uitstel te honoreren. Voorts verplicht artikel 20 de rechter te waken tegen onredelijke vertraging. Dit is het kader voor de rechter bij het beoordelen van eenzijdige uitstelverzoeken.
De ambtshalve beslissing (dus niet op verzoek van een van partijen) van de rechtbank Amsterdam, sector kanton komt erop neer dat alle thans aanhangige Dexia-zaken ambtshalve worden aangehouden tot een rolzitting in december 2005. Dit om de schikkingsonderhandelingen een reële kans te bieden en de ontwikkelingen in de hogere jurisprudentie af te wachten. Voorts worden volgens Amsterdam de belangen van partijen gediend om onnodige proceshandelingen, processuele complicaties en eventuele beroepsprocedures te voorkomen.
Indien een partij van oordeel is dat de procedure op grond van zijn concrete belangen moet worden voortgezet, kan hij de zaak vervroegd op de rol doen plaatsen teneinde een gemotiveerd verzoek tot voortzetting te doen, over welk verzoek de andere partij zich zal kunnen uitlaten. De Amsterdamse kantonrechter zal daarna over de voortzetting van de procedure een beslissing nemen.
7. Welke jurisprudentie is noodzakelijk voordat lagere rechters uitspraken in deze zaken kunnen doen? Wanneer en waar dienen deze zaken?
In beginsel hoeven lagere rechters niet te wachten op uitspraken van de Hoven of de Hoge Raad. Gelet op het grote aantal zaken, die bovendien vaak veel overeenkomsten vertonen, ligt het wel voor de hand dat een lagere rechter (in casu de kantonrechter) een beslissing aanhoudt wanneer binnen een termijn, die valt te overzien, een arrest te verwachten is. Inmiddels zijn er twee uitspraken gedaan door het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch op 1 februari 2005 en op 5 april 2005.
8. Bent u bereid om u in te zetten opdat voor gedupeerden die wensen door te procederen, de zaken alsnog tijdig behandeld zullen worden?
Het ligt niet op de weg van de Ministers van Financiën en Justitie om in deze stappen te ondernemen. Ministers moeten zich onthouden van bemoeienissen met de procesrechtelijke behandeling en inhoudelijke beoordeling van individuele zaken of categorieën van zaken
Het is ook niet nodig. De betrokken gerechtelijke instanties hebben te kennen gegeven dat zaken van afnemers van aandelenleaseproducten, die wensen door te procederen, met voortvarendheid zullen worden behandeld.
9. Wat is uw reactie op het feit dat uit steeds meer gerechtelijke uitspraken blijkt dat de vergunning als bedoeld in artikel 9 Wet consumptief krediet op de aandelenlease-producten van toepassing was? Hoe verhoudt dit zich tot wat in de nota Hervorming van het toezicht op de financiële marktsector staat[2]?
Of de Wet op het consumentenkrediet (Wck) van toepassing is op aandelenlease-producten is inderdaad onderwerp van een aantal rechtszaken. Het antwoord van de verschillende rechters is niet eenduidig. Een aantal meent dat de Wck wel van toepassing zou zijn op aandelenleaseproducten. Er zijn echter ook rechtbanken die een andere mening zijn toegedaan en stellen dat de Wck niet op aandelenleaseproducten van toepassing is. In bovengenoemde zaken is nog geen uitspraak gedaan door een hogere instantie dan de rechtbank. Ik zie in deze ontwikkelingen vooralsnog geen reden om af te wijken van mijn eerdere oordeel inzake de toepasselijkheid van de Wck op aandelenleaseproducten.
De passage in de nota Hervorming van het toezicht in de financiële marktsector waaraan wordt gerefereerd in deze vraag heeft betrekking op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 20 december 2001 tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan het publiek uit te breiden (20-12-2001, Stb. 669) waarmee per 8 maart 2002 is geregeld dat de uitzondering in de Wck voor ‘effectenbelening’ niet geldt voor de informatieverstrekkingverplichtingen van artikel 26 van de Wck.
Plein 2 2511 CR DEN HAAG
Datum Uw brief (Kenmerk) Ons kenmerk
2040514500,10 mei 2005 FM 2005-01158 U
Onderwerp
Vragen van het lid Kant over de aandelenlease procedures
Hierbij zend ik u, mede namens de Minister van Justitie, de antwoorden op de vragen van het lid Kant van 6 mei 2005 (2040514500).
De minister van Financiën,
G. Zalm
Bijlage bij FM 2005-01158 U (Vragen van het lid Kant over de aandelenlease procedures)
1. Deelt u de mening dat de bemiddeling van de heer Duisenberg in de aandelenlease procedures geslaagd is?
De bij de bemiddeling betrokken partijen, te weten Dexia enerzijds en de Stichtingen Leaseverlies, Eegalease en de Consumentenbond, ondersteund door de Vereniging van Effectenbezitters anderzijds, zagen in de heer dr. W.F. Duisenberg een vertrouwenwekkend bemiddelaar. Op hun verzoek heeft de heer Duisenberg zich vervolgens bereid verklaard om te zoeken naar een oplossing in het conflict waarin zij waren verwikkeld in verband met de verkoop van aandelenleaseproducten. De heer Duisenberg heeft heen een weer gependeld tussen partijen om te verkennen welke oplossingsrichting het meest kansrijk zou zijn. Uit deze verkenning werd hem duidelijk dat partijen niet alleen zochten naar een oplossing die voor hen beide acceptabel zou zijn, maar naar een oplossing die voor een veel grotere groep van afnemers een aanvaardbare uitkomst van de geschillen met Dexia zou kunnen betekenen.
Het is de heer Duisenberg gelukt partijen tot overeenstemming te brengen over een algemene regeling waarmee zij denken zowel de eigen achterban, als een meerderheid van afnemers die zijn aangesloten bij een andere belangenorganisatie of individueel ageren tegen Dexia, te kunnen overtuigen. De heer Duisenberg heeft zijn opdracht dus tot een goed einde gebracht. Of het bereikte resultaat genoemde afnemers daadwerkelijk zal doen besluiten om tot een vergelijk met Dexia te komen, zal deze zomer blijken.
2. Is dit het einde van de bemiddelingspoging van de heer Duisenberg? Zo ja, waarom is het overleg niet verbreed nadat een initiële overeenstemming is bereikt, zoals toegezegd in het laatste algemeen overleg[1]?
De heer Duisenberg heeft laten weten niet van plan te zijn te bemiddelen in conflicten die andere aanbieders van aandelenleaseproducten hebben met hun klanten. Hij hoopt wel dat het bereikte bemiddelingsresultaat deze andere aanbieders zal inspireren tot een soortgelijk vergelijk met hun afnemers.
Zoals gezegd is het de heer Duisenberg gelukt partijen tot overeenstemming te brengen over een algemene regeling waarmee de bij de bemiddeling betrokken partijen denken zowel de eigen achterban, als een meerderheid van afnemers die zijn aangesloten bij een andere belangenorganisatie of individueel ageren tegen Dexia, te kunnen overtuigen. Kennelijk hebben deze partijen, onder begeleiding van de heer Duisenberg, de inschatting gemaakt dat het, voor het realiseren van een algemene oplossing waarvoor een breed draagvlak zal kunnen ontstaan, beter zou zijn om het aantal gesprekspartners bij de onderhandelingen beperkt te laten zijn en bij het bereiken van een akkoord de energie vervolgens te steken in het overtuigen van hen die niet (direct) betrokken waren bij de gesprekken.
Tijdens het Algemeen Overleg op 19 april 2005 is over deze mogelijke handelswijze gesproken. Daarbij is ook aan de orde geweest dat de heer Duisenberg – in tegenstelling tot de Commissie Geschillen Aandelenlease – niet door de overheid is aangesteld en dus geen taakopdracht of tijdslimiet heeft meegekregen van overheidswege, maar dat hij zich volledig had te richten naar de aanwijzingen die hij kreeg van de bij de bemiddeling betrokken partijen. Zoals gezegd heb ik het gevoelen overgebracht dat het van groot belang was te streven naar een breed draagvlak.
3. Vindt u dat de breed gedragen oplossing waarnaar is gezocht, ook is gevonden? Zo ja, waarom?
4. Is het waar dat particulieren, tegen wie Dexia een proces heeft aangespannen, niet in aanmerking komen voor de schikking, als door hen niet alsnog achterstallige betalingen worden voldaan? Zo ja, wat is uw mening hierover en erkent u dat er dan niet gesproken kan worden over een breed gedragen oplossing?
De heer Duisenberg heeft een algemene regeling met een breed bereik gepresenteerd, dat wil zeggen een oplossing die voor een zeer grote groep van afnemers die nog steeds in conflict is met Dexia relevant is. De regeling heeft zowel betrekking op overeenkomsten die zijn beëindigd vanaf januari 1997, als op lopende overeenkomsten. Bovendien heeft de regeling ook betrekking op de Eegaleaseproblematiek, op afnemers van producten die niet kunnen eindigen met een restschuld en die bij vroegtijdige beëindiging van het contract wel met een restschuld worden geconfronteerd, en op mensen die eerder akkoord zijn gegaan met een Dexia-aanbod. Een beperkte groep afnemers die zogenaamde depotleasecontracten zijn aangegaan, dat wil zeggen een productcombinatie van een effectenlease-overeenkomst en een effectendepot zal echter, vanwege de bijzondere problematiek, buiten de algemene regeling vallen. Dexia heeft deze groep eerder een aparte regeling voorgesteld. Bovendien is de reikwijdte van de algemene regeling niet beperkt tot de achterban van de Stichtingen Leaseverlies, Eegalease en de Consumentenbond, ondersteund door de Vereniging van Effectenbezitters, maar geldt de regeling ook voor afnemers die zijn aangesloten bij een andere belangenorganisatie of afnemers die individueel opkomen voor hun belangen.
Dat aan deelname aan de regeling de voorwaarde is gesteld, dat de contractuele verplichtingen moeten zijn nagekomen en dus de maandtermijnen moeten zijn betaald, doet hier niet aan af. De regeling biedt afnemers immers een korting op de restschuld en heeft geen betrekking op de maandtermijnen. Dit behoudens de situatie dat een afnemer de maandtermijnen niet meer kan betalen. Een afnemer die in deze situatie verkeert kan mogelijk in aanmerking komen voor een behandeling volgens de (verruimde) coulanceregeling. De vraag of de door de bij de bemiddeling betrokken partijen ook breed gedragen oplossing hebben gepresenteerd zal pas later dit jaar kunnen worden beantwoord, namelijk wanneer duidelijk wordt hoeveel afnemers daadwerkelijk hebben besloten om het schikkingaanbod te accepteren.
5. Is het u bekend dat er procespartijen zijn die hebben laten weten niet akkoord te willen gaan met de aanhouding daarop nog geen reactie hebben gekregen? Zo ja, deelt u de mening dat het niet of laat reageren door rechtbanken de facto het zelfde is als eenzijdige aanhouding? Zo neen, kunt u de Kamer hierover informeren?
Nee, daarover is ons niets bekend. Desgevraagd heeft de Raad voor de rechtspraak het volgende meegedeeld. Eind maart 2005 is in overleg met de besturen van de landelijke overleggen van de kantonsectorvoorzitters en de sectorvoorzitters civiel een brief ontworpen die door de griffies van de rechtbanken naar de wederpartijen van Dexia kan worden gestuurd. Vanuit de landelijke overleggen is gestimuleerd om deze brief te gebruiken. Door middel van de bij de brief meegestuurde antwoordstrook kunnen de wederpartijen van Dexia op eenvoudige wijze binnen een bepaalde termijn reageren op het aanhoudingsverzoek van Dexia. Als de rechtbank binnen die termijn geen bericht heeft ontvangen, wordt aangenomen dat er geen bezwaar bestaat tegen de aanhouding. Indien met aanhouding wordt ingestemd betekent dit dat de procedure tot een bepaalde rolzitting zal worden aangehouden.
Indien niet met de aanhouding wordt ingestemd, wordt op de gebruikelijke wijze doorgeprocedeerd.
In Amsterdam wordt een afwijkende werkwijze gevolgd. Daarop wordt in het antwoord op vraag 6 ingegaan.
Het is niet aannemelijk dat - behalve wellicht in incidentele gevallen - geen gevolg wordt gegeven aan de door de wederpartijen van Dexia ingestuurde antwoordstroken of - indien door de rechtbank geen gebruik wordt gemaakt van de brief - aan de reacties van de wederpartijen in welke vorm dan ook.
6. Op basis van welke wettelijke regeling kunnen rechters een zaak eenzijdig aanhouden op verzoek van één procespartij? Hoe verhoudt dit zich tot de beslissing van de rechtbank Amsterdam, sectie kanton?
Artikel 133 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat de rechter de termijnen voor het nemen van de conclusies bepaalt (eerste lid) en dat partijen uitstel kunnen vragen voor het nemen van conclusies (tweede lid, eerste zin). Een uitstelverzoek kan (en zal veelal) gedaan worden door één partij. Artikel 133, tweede lid, eerste zin, impliceert dat de rechter bevoegd is ook een eenzijdig verzoek om uitstel te honoreren. Slechts in het geval van een eenstemmig verzoek van beide partijen is de rechter in beginsel verplicht uitstel toe te staan (tweede lid, tweede zin). Omgekeerd is het niet zo dat de rechter gehouden is een eenzijdig verzoek om uitstel te honoreren. Voorts verplicht artikel 20 de rechter te waken tegen onredelijke vertraging. Dit is het kader voor de rechter bij het beoordelen van eenzijdige uitstelverzoeken.
De ambtshalve beslissing (dus niet op verzoek van een van partijen) van de rechtbank Amsterdam, sector kanton komt erop neer dat alle thans aanhangige Dexia-zaken ambtshalve worden aangehouden tot een rolzitting in december 2005. Dit om de schikkingsonderhandelingen een reële kans te bieden en de ontwikkelingen in de hogere jurisprudentie af te wachten. Voorts worden volgens Amsterdam de belangen van partijen gediend om onnodige proceshandelingen, processuele complicaties en eventuele beroepsprocedures te voorkomen.
Indien een partij van oordeel is dat de procedure op grond van zijn concrete belangen moet worden voortgezet, kan hij de zaak vervroegd op de rol doen plaatsen teneinde een gemotiveerd verzoek tot voortzetting te doen, over welk verzoek de andere partij zich zal kunnen uitlaten. De Amsterdamse kantonrechter zal daarna over de voortzetting van de procedure een beslissing nemen.
7. Welke jurisprudentie is noodzakelijk voordat lagere rechters uitspraken in deze zaken kunnen doen? Wanneer en waar dienen deze zaken?
In beginsel hoeven lagere rechters niet te wachten op uitspraken van de Hoven of de Hoge Raad. Gelet op het grote aantal zaken, die bovendien vaak veel overeenkomsten vertonen, ligt het wel voor de hand dat een lagere rechter (in casu de kantonrechter) een beslissing aanhoudt wanneer binnen een termijn, die valt te overzien, een arrest te verwachten is. Inmiddels zijn er twee uitspraken gedaan door het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch op 1 februari 2005 en op 5 april 2005.
8. Bent u bereid om u in te zetten opdat voor gedupeerden die wensen door te procederen, de zaken alsnog tijdig behandeld zullen worden?
Het ligt niet op de weg van de Ministers van Financiën en Justitie om in deze stappen te ondernemen. Ministers moeten zich onthouden van bemoeienissen met de procesrechtelijke behandeling en inhoudelijke beoordeling van individuele zaken of categorieën van zaken
Het is ook niet nodig. De betrokken gerechtelijke instanties hebben te kennen gegeven dat zaken van afnemers van aandelenleaseproducten, die wensen door te procederen, met voortvarendheid zullen worden behandeld.
9. Wat is uw reactie op het feit dat uit steeds meer gerechtelijke uitspraken blijkt dat de vergunning als bedoeld in artikel 9 Wet consumptief krediet op de aandelenlease-producten van toepassing was? Hoe verhoudt dit zich tot wat in de nota Hervorming van het toezicht op de financiële marktsector staat[2]?
Of de Wet op het consumentenkrediet (Wck) van toepassing is op aandelenlease-producten is inderdaad onderwerp van een aantal rechtszaken. Het antwoord van de verschillende rechters is niet eenduidig. Een aantal meent dat de Wck wel van toepassing zou zijn op aandelenleaseproducten. Er zijn echter ook rechtbanken die een andere mening zijn toegedaan en stellen dat de Wck niet op aandelenleaseproducten van toepassing is. In bovengenoemde zaken is nog geen uitspraak gedaan door een hogere instantie dan de rechtbank. Ik zie in deze ontwikkelingen vooralsnog geen reden om af te wijken van mijn eerdere oordeel inzake de toepasselijkheid van de Wck op aandelenleaseproducten.
De passage in de nota Hervorming van het toezicht in de financiële marktsector waaraan wordt gerefereerd in deze vraag heeft betrekking op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 20 december 2001 tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan het publiek uit te breiden (20-12-2001, Stb. 669) waarmee per 8 maart 2002 is geregeld dat de uitzondering in de Wck voor ‘effectenbelening’ niet geldt voor de informatieverstrekkingverplichtingen van artikel 26 van de Wck.